Dromen over engelen

László Krasznahorkai – het komt nu in één keer uit mijn pen, zonder te spieken of te hakkelen. Hoe je die naam moet uitspreken weet ik nog steeds niet, hoewel ik Krasz­nahorkai’s debuutroman Satanstango (1985) al zo’n kleine twintig jaar geleden voor het eerst las. Dat was een overweldigende ervaring, Satanstango is zo’n boek waarvan je er maar eens in de zoveel jaar een te lezen krijgt. Krasznahorkai is een Hongaar, geboren in 1954, ik las het boek in een Duitse vertaling. Sinds verleden jaar is het ook in het Engels verkrijgbaar, sinds een paar maanden in het Nederlands. Dat is erg laat, te meer daar elke snipper van Konrád of Kertész hier onmiddellijk vertaald wordt en Krasznahorkai toch echt niet de mindere is van zijn beide oudere, veel beroemdere landgenoten.

László Krasznahorkai, Satanstango, € 24,90

Medium l szl  krasznahorkai  satanstango

Bij verschijnen werd het boek in Hongarije gelezen als een gecamoufleerde kritiek op de deprimerende ellende in een duistere uithoek van het laatcommunistische imperium. Krasznahorkai heeft evenwel met klem tegengesproken dat het een politiek boek is, en terecht, lijkt me. Satanstango is weliswaar zonder twijfel óók een uiterst gedetailleerd en messcherp psycho- en sociogram van een aan zijn lot overgelaten, subproletarische plattelandsgemeenschap, het boek blijkt nu, in postcommunistische tijden, niet minder aangrijpend en mogelijk zelfs in een meer universele zin tekenend voor de condition humaine dan destijds. Dat is mede de verdienste van vertaalster Mari Alföldy, die voor een buitengewoon moeilijke klus moet hebben gestaan. Haar Britse collega liet in een gesprek met de auteur weten dat hij vier jaar op de vertaling had gezwoegd, waarop Krasznahorkai vriendelijk repliceerde dat hem dat nog meeviel, hij had zes jaar aan het boek gewerkt.

Satanstango speelt in een zuidelijke uithoek van Hongarije, maar zou, afgezien van enkele details, op talloze andere plaatsen kunnen spelen. Geografische aanduidingen komen in het boek nauwelijks voor, verwijzingen naar een concrete maatschappelijke of politieke context evenmin. Lokalisering is alleen mogelijk door enkele onopvallende feiten: het geld wordt geteld in forinten en iedereen drinkt palinka. Iedereen, dat is een kastelein, een onderwijzer, een dokter en een aantal permanent ruziënde, liegende en elkaar bedriegende echtparen en, grotendeels op de achtergrond, hun kinderen. Zij leven in wederzijdse haat, jaloezie en achterdocht, alcohol is hun enige troost, de potkachel in de kroeg de enige warmtebron. Het gehucht is een moddergat, wegen zijn onbegaanbaar, de niet-aflatende herfstregens maken alles zompig, grijs en uitzichtloos. Maar, Ernst Bloch zei het al, juist te midden van de grauwste ellende is ‘het principe hoop’ actief. Hier is dat het geval als het gerucht de ronde doet dat een voor­malige, al anderhalf jaar dood gewaande dorpeling met zijn maatje in aantocht is. De man heet Irimiás. Hij wordt, hoe irrationeel dat ook lijkt, voor een ‘groot tovenaar’ gehouden, een man die ‘van koeienstront een kasteel kan bouwen’.

In de ogen van de nietsnutten in de dorpskroeg krijgt Irimiás de allure van Jeremia, de oudtestamentische onheilsprofeet, met dit verschil dat deze Irimiás zijn miserabele volgelingen een gouden toekomst belooft als ze hem hun vertrouwen en vooral hun laatste forinten schenken. Afgezien van de alles en iedereen obsessief observerende dokter, die de wonderdoener doorziet, doen ze dat zonder aarzelingen. Daarin, in het gemak waarmee mensen in nood zich laten misleiden door valse beloften, ligt een van de pessimistische maar naar valt te vrezen tijdloze waarheden van dit boek.

De lezer weet meer dan de dorpelingen, die zich op de avond voor ze met Irimiás naar de stad zullen trekken overgeven aan een orgiastisch feest in de kroeg. Aan de spanning doet het niets af, maar van meet af aan is het duidelijk dat Irimiás en zijn maat spionagediensten verrichten in dienst van een onduidelijke maar oppermachtige overheidsinstantie, in feite zijn ze net zulke arme sloebers als hun goedgelovige discipelen. Het adjectief ‘kafkaiaans’ behoort tot de meest inflatoire van de journalistiek, maar hier, in hoofdstuk twee en het corresponderende een na laatste hoofdstuk van Satanstango, wordt Kafka werkelijk eer bewezen. Het is tekenend voor Krasznahorkai’s psychologische genie dat hij er overtuigend in slaagt het deerniswekkende, volkomen afhankelijke maar immorele duo, dat wordt beschuldigd van werkschuwheid, van ‘slenteren, rondzwerven en opruien’, in een vloek en een zucht om te toveren in een verlengstuk van het controlerende, even immorele overheidsapparaat. Eenmaal voorzien van minimale macht gaan de twee zich onmiddellijk net zo intimiderend en agressief gedragen als hun opdrachtgevers.

Het zal duidelijk zijn: dit is een inktzwart boek. Aan het eind blijkt bovendien dat de minutieus observerende dokter de schrijver van de voorafgaande bladzijden is. Het boek maakt een cirkelbeweging, het eindigt waarmee het begon, daarmee suggererend dat het verhaal van misère, hoop op verlossing en hernieuwde misère elementen zijn van een eeuwige duivelse kringloop. Maar die onveranderlijke duisternis is toch niet alles. Ze wordt, als in alle grote literatuur, verlicht door de kracht van stijl en compositie. Satanstango stelt in dat opzicht hoge eisen aan de lezer. Het boek kent geen alinea’s. Het is geschreven in lange, meanderende zinnen vol harde, zintuiglijke poëzie, waarin waarnemingen van buitenaf ongemerkt overgaan in waarnemingen van binnenuit, in gedachte­flarden en droombeelden, en waarin de heimelijke verlangens van de een ongemerkt overgaan in die van een ander.

Zo krijgen de verbale ­grofheden en ­laagheden van de diverse personages een context in een andere, soms groteske stijl, die impliciet de onontkoombaarheid van dat gedrag duidelijk maakt. Het meest tragisch is het verhaal van het tienjarige meisje Estike, dat zich zo veel mogelijk terugtrekt in een gedeelte van de zolder ‘dat voor de duiven was afgescheiden’, waar ze, met het rattengif in de hand, droomt over engelen en het opstijgen naar de hemelpoort. ­Getreiterd door haar broer, die het op haar schamele ­centen heeft gemunt, wil ze bewijzen dat ze wel degelijk in staat is ‘om te winnen’. In een gruwelij­ke scène vergrijpt ze zich aan haar kat, leest de panische wanhoop in zijn stervende ogen, wordt overmand door schaamte en medelijden, en pleegt ten slotte zelfmoord. Maar: ‘Ze had geen reden om ongerust te zijn. Ze wist dat haar engelen al onderweg waren om haar te halen.’


László Krasznahorkai

Satanstango

Vertaald door Mari Alföldy.

Wereldbibliotheek, 315 blz., € 24,90