Futurisme in een Palestijns vluchtelingenkamp

Dromen over ruimte

In de overbevolkte microkosmos van een Palestijns vluchtelingenkamp leren bewoners creatief om te gaan met de ruimte. Een proces van inventiviteit en integratie. Maar ook van macht, hiërarchie en voortdurende onderhandelingen.

‘Rede: ik wil ruimte om te groeien. Lichaam: ik wil ruimte om te zijn. Geest: ik wil ruimte om te bestaan.’ Met deze zin opent Joumana al Jabri, architecte en oprichtster van Febrik, een platform voor kunst- en designonderzoeksprojecten in het Midden-Oosten, haar Facebook-pagina. Maar als we samen over de hobbelige landweg – de enige toegang voor auto’s – het Palestijnse vluchtelingenkamp Talbiyeh, zo’n vijftig kilometer ten zuiden van Amman in Jordanië, binnenrijden, lijkt ruimte een begrip uit een andere wereld. Want hier, aan de moderne snelweg naar Aqaba, leven 7500 Palestijnen op een kluitje.

Talbiyeh is na de Zesdaagse Oorlog en ­Israëls bezetting van de Westelijke Jordaanoever in 1968 als noodkamp door Jordanië gebouwd om de vluchtelingen tijdelijk op te vangen. En dat is te zien. Grauwe, provisorische onderkomens zijn op en aan elkaar geplakt en ieder huis, dat ten minste een extended family bevat, barst uiteen van puistige betonnen uitbouwen en cementen gezwellen. Op straat zijn op dit ochtend­uur uitzonderlijk veel mensen op de been. Moeders met peuters zitten op de stoep. Mannen leggen stenen op de golfplaten daken, zodat de wind ze niet zal wegblazen. Alles is tijdelijk: de gebouwen, de zandpaden, de van het gastland Jordanië geleende grond, maar vooral het gespleten dubbelleven van de mensen die hier in ballingschap leven, maar nog steeds willen zijn in wat nu Israël of door Israël bezet gebied is en waar zijzelf of hun ouders of grootouders zijn geboren en getogen. Elke verbetering van het leven hier wordt tegengehouden, omdat het de facto als het opgeven van het recht tot terugkeer kan worden gezien.

Terwijl we door smalle steegjes te voet verder gaan en een groep mannen omzeilen die op tuinstoelen midden op straat zitten, legt Jabri uit dat zij samen met Febriks medeoprichters Reem Charif en Mohammed Hafeda juist in deze tijdelijke en overbevolkte microkosmos een uitdaging ziet om een nieuw ruimteconcept te scheppen: ‘We concentreren ons op de politiek en dynamiek van de schaarse openbare plaatsen en vooral het recht van de zwakste groepen – vrouwen en kinderen – die nauwelijks aan bod komen.’ Febriks uitgangspunt: ‘Denk creatief, kleinschalig, binnen bestaande middelen van het kamp en zoek mogelijkheden in het informele.’ Ze begonnen volgens dat principe in 2003 met designprojecten voor kinderen, door kinderen, in de Palestijnse kampen van Burj el Barajneh en in Beit Atfal Assomoud in Libanon. Later zou ook in de Londense Sceaux Gardens Housing Estate een kinderproject ‘De winkel van de mogelijkheden’ worden gestart. Natuurlijk waren de vluchtelingenkampen in de Palestijnse gebieden de eerste keus, maar het Febrik-team liep al snel tegen de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten aan. De meeste medewerkers hebben de Libanese nationaliteit en worden door Israël niet toegelaten in de Palestijnse gebieden.

‘In 2003 hadden we nog geen duidelijke richting’, vertelt Jabri. ‘We startten in Libanon omdat het onze thuisbasis is. We waren korte-termijnplanners. We ontwikkelden van zomer naar zomer, van workshop naar workshop. De resultaten van iedere workshop waren de basis voor de volgende. Als designer moet je een stap terug durven zetten en observeren. Alles is er tenslotte al. Het kamp heeft de middelen, de potentie en de creativiteit. Wij faciliteren slechts een hergebruik van bestaande ruimten.’

In het eerste project, Dream Space, dat uit twee workshops bestond, lieten ze kinderen dromen. Droom in de zin van toevlucht. Wat wilden de kinderen worden? Aanvankelijk kwamen ze met opvallend clichématige ideeën. De meesten wilden onderwijzer van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (unrwa) worden omdat het een haalbare droom is, gelet op de condities van het kamp en het beperkte aantal beroepen dat Palestijnen in het gastland mogen uitoefenen. De volwassen kampbewoners dicteren de grenzen van de fantasie. Dus droomt het kind van de terugkeer naar Palestina, en accepteert het de onmogelijkheid van reizen en de beperkte beroepskeuze. Maar Febrik ging een stap verder. In het vervolgproject ontrafelden de kinderen de ingrediënten van de dromen. Een van de kinderen wilde bijvoorbeeld onderwijzer worden omdat hij zo graag een leren aktetas wilde hebben. Hij was ook nieuwsgierig naar de inhoud van die tas. Opmerkelijk was dat kinderen in de collectiviteit van het kamp aanvankelijk alleen als groep konden denken en niet als individu. ‘De kinderen leerden zelfstandig dingen te doen en actief over hun omgeving na te denken’, zegt Jabri. ‘Ze visualiseerden hun dromen door tekeningen en foto’s en daaruit bleek dat je best dezelfde droom kunt hebben, maar dat ieder individu er zijn eigen persoonlijke ingrediënten aan toevoegt. Dat maakt zijn droom uniek. Uit alle dromen en ideeën over het kamp stelden de kinderen een droomkaart op, die hun interesses en bezorgdheden in het kamp weergaf.’

Wat bleek? De kinderen wezen op de tekortkomingen van het kamp: de donkere steegjes, de wirwar van afvoeren en waterleidingen Maar ze zagen daarin ook één grote speelruimte. Ze herinterpreteerden het gebruik van architecturale elementen, zoals ramen, daken en waslijnen, tot tijdelijke speeltuinen. De beperkte ruimtelijke omgeving van het kamp prikkelde hun verbeelding en creativiteit, maar die werd gefrustreerd door de onmogelijkheid om de openbare plaatsen te gebruiken.

In Talbiyeh, waar niets privé of openbaar bezit is omdat de huizen niet als privé-eigendom zijn geregistreerd en de openbare terreinen van de staat Jordanië zijn, is het gevoel voor mijn en dijn opmerkelijk sterk aanwezig. De miniatuurtuintjes naast de huizen zijn omheind door hoge hekken met een poort waarvan alleen de omwonenden de sleutel hebben. Het gebruik van de niet omheinde, dus publieke ruimten is hiërarchisch bepaald met een tijdgebonden patroon. Jabri: ‘Op de binnenplaatsen drinken de vrouwen ’s ochtends koffie; de mannen roken er ’s avonds hun waterpijp, en tussendoor fungeren die plaatsen als feestruimte of voor familie­bijeenkomsten. In zo’n omgeving is er nauwelijks ruimte en tijd voor de kinderen om te spelen.’

En dat was voor Febrik aanleiding om vijf jaar na de eerste projecten in Libanon in Talbiyeh met unrwa en binnen het kampverbeteringsproject een nieuw Play Space-project op te zetten. ‘Terwijl we in Libanon uitsluitend met kinderen werkten’, vertelt Jabri, ‘trainden we hier aan de hand van de resultaten van de eerdere workshops eerst volwassenen: moeders en jonge vrouwen van de plaatselijke jeugd­vereniging. Die vrouwen werden de groepsleiders in de workshops voor kinderen.’ In de praktijk betekent het dat Febrik in een drie­jarig proces achttien kinderen tussen de acht en twaalf jaar volgde in hun spelpatronen en hun creatieve oplossingen voor het gebrek aan speelplaats. Jabri: ‘De inventiviteit van de kinderen was oneindig en voortdurend. Ze gebruiken wat overblijft of wat is weggegooid. Neem de kleine Mohammed. Hij ontdekte alle lekkages in de waterleidingen in het kamp; een actueel probleem in een land dat kampt met watertekorten. Hij ving dat water in flessen op en gebruikte het om een tijdelijke waterspeeltuin te creëren en te schrijven met water in het zand. Achmed gebruikte de waterleidingpijpen om een klimwedstrijd te houden. En het meisje Hiba had tijdens een elektriciteitsstoring – een veel voorkomend probleem in de kampen – een schaduwspel in het kaarslicht uitgevonden. Verder werd een dak met was­lijnen met wasgoed een vliegveld voor papieren vliegtuigjes, en een donkere trap naar een huis een geheime bergplaats.’ Tijdens de workshop mochten de kinderen al hun ideeën en spelmogelijkheden omzetten in designvoorstellen voor een openbare ruimte in het kamp. Ze maakten modellen, tekeningen, animaties, designcollages en een designhandboek, die samen in een studio tot concrete ontwerpen werden omgewerkt. Intussen had Febrik de beschikbare openbare plaatsen geïnventariseerd waar het design van de kinderen kon worden gesitueerd. ‘Het ging niet om het creëren van nieuwe ruimten, maar om het creatief hergebruik van bestaande’, zegt Jabri. ‘Het proces speelde ook een centrale rol voor de erkenning en integratie van kinderen in het kamp. De dromen van de kinderen van vandaag bepalen immers onze gemeenschappelijke toekomstige werkelijkheid.’

Toch ging het niet altijd over rozen. Jabri en haar collega’s roerden in de kookpot van de werkelijkheid en vooral ook in het broeinest van overgeleverde normen en waarden en traditionele machtsstructuren, die de vluchtelingen hebben meegenomen. In elke fase van het project stak de Palestijnse kwestie, vooral het recht van terugkeer, de kop op. Hoe overweldigend die kwestie is, blijkt als we even later in een omgebouwde stacaravan zitten die dienstdoet als plaatselijk kantoortje van unrwa. Aan de muur de kleurrijke design­collages van de kinderen, achter het bureau Kassem, een sportiever vijftiger, kampbewoner en plaatselijk gemeenschaps- en projectmanager van unrwa. Kassem is tijdens de Zesdaagse Oorlog met zijn familie uit Beer Sheva in Israël naar Jordanië gevlucht. Hij heeft de tijd nog meegemaakt dat de tenten in Talbiyeh werden vervangen door de minder tijdelijke betonnen onderkomens, vertelt hij. Kassem laat er echter geen twijfel over bestaan: ‘Wij komen uit verschillende plaatsen in Israël of de Westoever maar we hebben allemaal één ding gemeen: we willen terug naar ons eigen land en daarom zijn we nog steeds op reis.’ Dat transitgevoel drukt een zwaar stempel op het dagelijks leven. Van de vervanging van de asbestdaken tot de aanleg van een speelplaats stellen de bewoners steeds als voorwaarde dat hun rechten niet aangetast mogen worden. Iedere concessie kan een stap zijn om de duurzaamheid van het kamp te bevestigen en de droom van terugkeer op te geven.

Maar er zijn ook jonge Palestijnen die er inmiddels anders over denken. Maram Shaba, een jonge moderne architecte en planner van dezelfde organisatie, die haar hijaab en traditio­nele levensstijl al jaren geleden aan de wilgen heeft gehangen, haalt fel uit. ‘Je kiest voor een soort leven. Het recht van terugkeer of mijn recht op het eigendom van mijn familie in Israël wordt niet bepaald door hoe ik leef of waar ik leef.’ Ze heeft een appartement in het hartje van Amman en voelt zichzelf Jordaans en Palestijns. ‘Ik hoef me niet in een kamp op te sluiten om mijn rechten te kunnen uitoefenen. Volgens mij heeft die beslissing meer met economische dan ideologische redenen van de kampbewoners te maken.’ Maar voor de kampbewoners in Talbiyeh geldt vooralsnog: wie niets te verliezen heeft, kan alles eisen. Jeruzalem en Beer Sheva, en in de tussentijd dus helemaal niets. Gastland Jordanië helpt een handje om die filosofie te bekrachtigen. Meer dan de helft van de Jordaniërs is van Palestijnse afkomst en bijna twee miljoen daarvan is vluchteling; dat is 42 procent van alle Palestijnse vluchtelingen in het Midden-Oosten. Palestijnse vluchtelingen uit de Westelijke Jordaanoever, die voor de Israëlische bezetting Jordaans was, kregen vrijwel automatisch de Jordaanse nationaliteit. Die meerderheid zou nu een Palestijnse staat op Jordaans grondgebied kunnen vestigen, weet de Jordaanse overheid, en zij heeft om die reden het staatsburgerschap van duizenden Palestijnen weer ingetrokken. Bovendien beperkt een nieuwe kieswet de vertegenwoordiging van Palestijnse burgers in het Jordaanse parlement.

De besloten binnenwereld van Talbiyeh wordt niet door de grotere politiek in de ­buitenwereld gehinderd. Hier regeert de tribale machts­struc­tuur van de grotendeels bedoeïenen­gemeenschap. En dat vormde een extra uitdaging voor Febrik. Jabri: ‘Er was geen aanspreekpunt voor ons project. In de Jordaanse kampen ontbreekt een formele beslissingsstructuur. Er is weliswaar een door de centrale Jordaanse overheid aangewezen lokale kampcommissie, die het Jordaanse departement van Palestijnse Zaken adviseert over ontwikkelingszaken, maar die heeft geen beslissingsmacht en kan geen projecten initiëren of managen, en wordt door de kampbewoners niet vertrouwd. Daarom betrokken we zo veel mogelijk belangengroepen in het beslissingsproces via een _bottom up-_benadering. Er waren open werkgroepen met de hoofden van de families en de moechtars – de stamhoofden – en vertegenwoordigers van de lokale scholen, sportclubs, en geïnteresseerden van alle leeftijden en seksen. Voor sommigen was het de eerste keer dat ze samenwerkten.’ De uitgewerkte designvoorstellen van de kinderen werden aan de werkgroepen voorgelegd en na wat heen en weer gepraat gingen de kamp­bewoners akkoord met de lokatie en het plan, op voorwaarde dat de plaats geschikt zou zijn voor bruiloften en als wachtruimte voor vrouwen tijdens de distributie van VN-voedselrantsoenen. Het resultaat is een uit staal opgetrokken futuristisch kruip-door-sluip-door-labyrint met tunnels en bruggetjes in primaire kleuren en ongedefinieerde hoekjes en gaten. Met tentdoek wordt de ruimte in een ommezwaai omgetoverd tot feestzaal en bruiloftstent.

‘We noemden het Edge of Play, spel op de rand’, zegt Jabri, ‘omdat het op de rand is van een privé-speelplaats met een publieke ruimte. Een ruimte voor meervoudig gebruik, die door verschillende generaties kan worden gedeeld, die een dialoog tussen hen creëert en rekening houdt met de machtsdynamiek en hiërarchie in de opeising van de ruimte. Een plaats die het begin is van een democratisch proces.’

De Edge of Play-ruimte, die tijdens Ramadan 2011 werd geopend, liep al direct als een tierelier. De kinderen waren wildenthousiast en kwamen uit alle richtingen. Het project trok ook de aandacht van de vrouwen en de plaatselijke sjabaab (tieners). Op een gegeven moment waren er zo veel kinderen en vrouwen en jongeren op de speelplek dat het terrein praktisch uit zijn voegen barstte. En dat gaf problemen. Is het terrein wel veilig voor onze kinderen, vroegen de moeders bezorgd. Die speelplaats geeft geluidsoverlast, vielen de buren bij. Ze gebruiken mijn parkeerplaats, sprak een andere buurman boos. De ouderen van het kamp kwamen in opstand. De plaats mocht niet voor iedereen die zomaar een stoel meebracht en ging zitten toegankelijk zijn, zeiden ze. Het is onacceptabel dat jonge mannen en meisjes hier met elkaar in contact kunnen komen. Het project zou ook drugs­gebruikers kunnen aantrekken, spraken boze tongen. De werkgroep kwam in actie en probeerde via persoonlijke gesprekken het project te redden. Plannen werden gewijzigd zodat de mannen akkoord gingen, maar dat schoot de vrouwen weer in het verkeerde keelgat. Kortom: de kampbewoners gingen opnieuw aan de onderhandelingstafel zitten. De werkgroep heeft in afwachting van de onderhandelingsresultaten Edge of Play tijdelijk gesloten. Een lelijk zes meter hoog kanariegeel hek omheint de speelplaats. Geen kind kan nog naar binnen.

Wat nu? Betekent dat het eind van Edge of Play? ‘Zeker niet’, zegt Muna Budeiri, directeur behuizing en ­kampverbetering van unrwa vanuit haar moderne kantoor in Amman. ‘Er bestaat in het kamp behoefte aan speelruimten en multifunctio­nele ruimten. Het project, als proces én als resultaat, is een succes. De bewoners zijn niet tegen verdere interventie, maar ze willen de speelruimte aangepast en elders hebben. Het duurt gewoon wat langer.’

En dat laatste zit volgens Jabri in de aard van dit soort projecten: ‘Ruimtelijke interventies leiden tot lange, voortdurende onderhandelingsprocessen, maar het grote voordeel is dat ze daardoor de zo noodzakelijke democratische dialoog teweegbrengen.’ unrwa overweegt om het project in aangepaste vorm ook in andere kampen in Jordanië en in de Palestijnse gebieden te introduceren. ‘Het is werkelijk uniek’, benadrukt Budeiri, ‘dat zo’n duurzame ontwikkeling kan plaatshebben onder de paraplu van Palestijnse mensenrechten.’ Kassem ziet het resultaat van het ruimteproject vooralsnog veel concreter. ‘De kampbewoners – jong en oud, zowel mannen als vrouwen – hebben door dit project een ander soort ruimte gevonden: de ruimte om zelfstandig te beslissen wat goed en fout, mogelijk en onmogelijk is, en wat ze wel en niet in hun kamp willen. Dat is een succes.’


Joumana al Jabri en Reem Charif van Febrik spreken 10 mei op wdcd. www.febrik.org