Leon Gommers

Dromen van een allesjongetje

Leon Gommers, De ziel van de kakkerlak

Uitg. De Bezige Bij, 302 blz., ƒ39,89

Iets wringt in De ziel van de kakkerlak, de nieuwe roman van Leon Gommers, of eigenlijk wringt er zoveel dat je je afvraagt of de schrijver daar ook niet op uit is. Dat wringen schuilt op zowel stilistisch als verhalend niveau. Positief gesteld zou je kunnen zeggen dat Gommers van een beproefd gegeven — veertiger blikt terug op de tijd dat hij de liefde bezat en verloor — iets dermate bijzonders maakt dat hij niet op alle punten even goed te volgen is. Wel slaagt hij er op een aantal momenten in om een sterke atmosfeer op te roepen. Negatief gesteld komt het erop neer dat de onheldere verhaalstructuur en het gezochte taalgebruik zijn boek op een aantal momenten vervelend en als geheel ondoordringbaar maken.

Eerst maar die sterke atmosfeer, waaraan datzelfde gezochte taalgebruik debet is. «Jongens als ik zijn niet bang voor gemeenplaatsen», laat Gommers zijn verteller Oskar overdenken. Weinig gemeenplaatsen te ontdekken juist in deze roman, al valt er misschien inmiddels wel te promoveren op de hanenkam in de Nederlandse literatuur. De ziel van de kakkerlak speelt zich voor het grootste deel af in de Groningse kraakscene van begin jaren tachtig. Mooi ironisch, bijna tussen neus en lippen, wordt de sfeer van axie en doem opgeroepen («Harrie is een heel aardige jongen maar zonder omwegen en loopgraven loopt hij met zijn ziel onder de arm»), met de zinderende klanken van The Doors op de achtergrond, en de raggende Ex uit Wormer op het podium. In een vreemde mengeling van realisme en lyriek maakt Gommers duidelijk dat de tijd van elfjes definitief voorbij is. Zowel voor de verhitte types die destijds hun Palestinasjaal omknoopten en bivakmuts over de oren trokken en eindelijk hun finest hour dachten te gaan beleven, als voor Oskar zelf, die tijdens de veldslag zijn Sita met stenen in de weer ziet. «Ik verlies een paar dromen over een allesmeisje in een zacht suizende alleskamer met een sokkel om haar daar dag in dag uit op neer te vlijen om voor altijd een allesjongetje in het paradijs te zijn.» In passages als deze heeft De ziel van de kakkerlak een ondertoon van felle weemoed, en is het knarsende en schrijnende proza op zijn plaats.

Dat dit proza op andere plekken moeilijker verteerbaar is, hangt samen met het onduidelijke vertelperspectief en het ontbreken van een spanningsboog. Oskar is inmiddels veertig en verblijft in Barcelona. Hoe de Groninger daar terecht is gekomen, laat zich raden en wordt niet duidelijk. Evenmin is duidelijk wie hij nu is, wat hem beweegt en waarom hij juist nu terugblikt op de tijd dat hij in een gekraakte brouwerij woonde, naar de Talking Heads luisterde (and you may find yourself in another part of the world) en bezeten was van het «jongensmeisje» Sita. De verstikkende jaren-tachtigideologie, het persoonlijke is politiek, eiste ook zijn tol in de liefde: Sita wilde hem niet meer vanwege zijn foute vader (werkzaam bij de politie of iets dergelijks), zijn burgerlijke aspiraties én natuurlijk omdat hij een man, lees: potentiële verkrachter is. Het waren de tijden waarin Doris Lessing en Virginia Woolf naast ieder jongens- en meisjesbed lagen. Burgerlijk of niet, Oskar liet zich inpakken door een uit Spanje afkomstig rondreizend theatergezelschap en vond troost en afleiding in het participeren in heftige performances. Misschien is hij hier zelfs wel in blijven hangen.

Deze recapitulatie van een verhaallijn suggereert meer lineariteit dan de roman rechtvaardigt. Gommers beschrijft Oskars wederwaardigheden niet als een Werdegang, maar als een aaneenschakeling van vecht-, val- en beukpartijen. De toon wordt gezet met een minutieus weergegeven judogevecht, zich uitstrekkend over 25 pagina’s. Tegen de tijd dat je doorhebt dat het hier om een partijtje judo in het verleden gaat, onttrekt de schrijver dit gevecht alweer aan een al te realistische duiding door flarden dialoog in te lassen die suggereren dat hier op de mat de strijd tussen de seksen wordt uitgevochten, in dit geval tussen Oskar en zijn Sita. Verwarrend, maar ook verrassend.

Op een irritante manier verwarrend zijn de lange beschrijvingen van stomvervelende performances, en de onduidelijke betrekkingen met de Spanjaarden, weergegeven in praterig Nederlands doorspekt met Spaanse uitdrukkingen. Terwijl op andere plekken Gommers bewijst schurend onbehagen in passend prangende zinnen te kunnen vangen. «Ik weet van de sleet op de blik, vandaag of morgen denk je alles gezien te hebben en dan kijk je niet meer», overdenkt zijn protagonist.

En dus blijft hij kijken («Ik kijk als een woordeloze knecht»), al dan niet door het oog van zijn camera. Zo levert deze roman in elk geval beschrijvingen van het vrouwelijk geslachtsdeel op waaraan Eve Ensler met haar Vaginamonologen nog een puntje kan zuigen.