Dromen van het neoliberalisme

Gabriël van den Brink schreef een christen-democratische kritiek op het neoliberalisme. Op zijn argumenten valt nogal wat aan te merken.

Bij kraanbedrijf M. Verschoor in Sassenheim staat een standbeeld van Pim Fortuyn. 6 mei 2020, 18 jaar na de moord op Fortuyn © Nico Garstman / ANP

Soms is een boek het waard om te bespreken, niet omdat er iets wezenlijk nieuws in staat of omdat het overtuigend op papier is gezet, maar omdat het boek een veelvoorkomende denktrant vertegenwoordigt. Een visie die normaal voorbij vliegt in een soundbite of losjes vervat is in een column, krijgt nu alle ruimte om zich te ontvouwen. Zo’n boek is Ruw ontwaken uit een neoliberale droom van Gabriël van den Brink. Het is in essentie een christen-democratische kritiek op het neoliberalisme, met als wenkend alternatief meer gemeenschapszin, zorgzaamheid en coöperatie. Op het eerste gezicht een sympathiek betoog, waar bij nader inzien flink wat op valt af te dingen.

Eerst iets over de auteur. Gabriël van den Brink is een van de bekendere sociologen (en filosofen) van Nederland. Je zou hem een typische representant van zijn generatie kunnen noemen. In het begin van zijn loopbaan, in de jaren zeventig, was hij betrokken bij de studentenbeweging en het linkse intellectuele tijdschrift Te Elfder Ure. Hij hield zich toen bezig met denkers als Karl Marx, Antonio Gramsci, Louis Althusser en Michel Foucault. Midden jaren tachtig begon hij aan een promotieonderzoek waarin hij op basis van nauwgezet archiefwerk de modernisering van het Brabantse platteland in kaart bracht. Het proefschrift was tegelijkertijd een afscheid van de marxistische ideologische veren. Na zijn benoeming als hoogleraar in Tilburg heeft Van den Brink zich bovenal beziggehouden met thema’s als moraliteit, gezag en religie. In de herfst van zijn carrière heeft zijn werk een meer conservatieve en christelijke inslag gekregen. Hij werkt nu aan de VU bij het Centrum Ethos, samen met filosoof Ad Verbrugge. Daarnaast geeft hij filosofieles aan het management bij de Rabobank, een bank die Van den Brink ziet als inspirerend voorbeeld van de coöperatie die hij voorstaat.

De basale these van Ruw ontwaken is dat het neoliberalisme een proces van liberalisering, modernisering en individualisering in gang heeft gezet. Sinds de jaren tachtig, zo luidt de analyse, is er een neoliberale bestuurlijke elite aangetreden die marktdenken combineert met culturele progressiviteit. De economische globalisering werd in de bestuurskamers omarmd, samen met het multiculturalisme en de vrijzinnigheid. De grachtengordelelite heeft het volk daarin echter niet weten mee te nemen. Vervolgens kwam een populistische tegenreactie op, door Van den Brink beschreven als het ‘ontwaken der verworpenen’. De motor van deze nog immer doorwoekerende revolte is het verlangen naar gemeenschap en nationale identiteit. Het ‘ruw ontwaken’ begon met Pim Fortuyn, die het verzet inluidde tegen ‘het neoliberale enthousiasme van de bestuurlijke elite’. Fortuyns politieke erfenis zou later worden overgenomen door Geert Wilders en Thierry Baudet. De neoliberale droom, zo wordt met grote stelligheid beweerd, ligt inmiddels ‘in duigen’.

Van den Brink ontpopt zich als populisme-versteher, die met de thermometer in de hand het nationale ongenoegen meet en in zijn analyses dicht tegen het rechts-populisme aanschuurt. Zijn diagnose zal menigeen bekend in de oren klinken. Het verhaal van de ontwortelde grachtengordelelite is immers een populair narratief, bijna een cliché. Het een en ander wordt nog eens bekrachtigd in een introductie van Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp). Hij prijst het boek als ‘een haarscherpe analyse van de oorzaken’ van de huidige onvrede. Het is alleszins opvallend, want er valt toch wel het een en ander op aan te merken.

Een van de felste pleitbezorgers van het neoliberalisme in Nederland was namelijk Pim Fortuyn. Zijn bekende pamflet Aan het volk van Nederland was één grote lofrede op de homo economicus, waar Gabriël van den Brink in zijn boek zo tegen ageert. Fortuyn wilde een hypermobiele arbeidsmarkt naar Amerikaans model: hij stelde voor om bindende cao’s af te schaffen, de ser te ontmantelen en vaste contracten te verbieden. De Nederlandse burger moest een ‘ondernemer van de eigen arbeid’ worden, een centraal motto in het neoliberale denken, bekend uit de analyses van Foucault. Fortuyn riep om een ‘Hollandse Margaret Thatcher’ die de vakbonden zou aanpakken, wilde de helft van alle ambtenaren ontslaan, marktwerking doorvoeren in de publieke sector en de verzorgingsstaat sterk inperken. ‘Leer de armen zichzelf te helpen’, stelde Fortuyn bij aanvang van zijn politieke campagne in 2001. ‘Bij het loket van de verzorgingsstaat krijg je geld, maar je levert je ziel ervoor in. Ik beschouw het als mijn taak om niet alleen te roepen dat de politiek waardeloos is, maar dat ook veel burgers dat zijn. Ze kijken te veel naar wat de overheid allemaal kan en moet doen, en veel te weinig naar wat ze zelf kunnen doen.’ Het verkiezingsprogramma van de lpf uit 2002 bepleitte dan ook marktwerking in de zorg, een slordige 8,6 miljard euro belastingverlaging, deregulering van onderwijs, drastische inperking van de wao en afschaffing van huurtoeslag en kinderbijstand.

Het indivdualiseringsproces is complex en zeker niet per definitie neoliberaal

Het grote misverstand hier is dat het rechts-populisme niet ontstond als verzet tegen het neoliberalisme. Het vormde juist een uitloper van de neoliberale golf die ons land in de jaren tachtig en negentig overspoelde. Pim Fortuyn keerde zich niet tegen het ‘neoliberale enthousiasme van de bestuurlijke elite’, integendeel, hij vond de Paarse kabinetten niet neoliberaal genoeg. Bij Forum voor Democratie, tevens genoemd door Gabriël van den Brink als blijk van het ‘ontwaken der verworpenen’, zien we eenzelfde neoliberaal profiel. In haar programma zet Forum in op reaganeske belastingverlagingen, deregulering en een ‘radicale sanering van de overheid’.

Nu is de vraag waar dit misverstand vandaan komt. Het heeft denk ik alles te maken met de culturele bril waarmee Van den Brink naar de wereld kijkt. De centrale tegenstelling in Ruw ontwaken is die tussen individualisme en gemeenschapszin. Van den Brink bespreekt in het eerste deel van zijn boek een aantal liberale filosofen en economen: John Locke, Adam Smith, John Stuart Mill en Milton Friedman. Zijn conclusie is dat het kernstreven van het liberalisme zich richt op ‘maximale bewegingsvrijheid voor individuen’. Het neoliberalisme van Friedman is volgens Van den Brink een voortzetting van dit aloude liberale project, maar dan met modernere middelen. Het gaat niet langer om een nachtwakersstaat die het economische proces op zijn beloop laat, zoals bij Locke en Smith. Het neoliberalisme wil dat de overheid marktwerking (met bijbehorende individualisering) actief aanjaagt. Samenvattend wordt neoliberalisme op nogal simplistische wijze gelijkgesteld met individualisering. Logischerwijs wortelt het verzet daartegen dan in gemeenschapszin en nationalisme. Vandaar dat Pim Fortuyn, met zijn pleidooi voor versterking van de Nederlandse identiteit, tot leider van het verzet tegen het neoliberalisme wordt gebombardeerd.

Het hart van het boek gaat over de gemengde gevoelens die Nederlanders hebben ten opzichte van het proces van individualisering, secularisering en modernisering. Daar wordt vervolgens plompverloren het label neoliberalisme op geplakt. Het probleem is dat het individualiseringsproces complex is en zeker niet per definitie neoliberaal. Sterker nog, de sociaal-democratie heeft zich in Nederland altijd hard gemaakt voor toegankelijk onderwijs en een uitgebreide verzorgingsstaat, omdat dit de emancipatie mogelijk zou maken uit de knellende verbanden van de zuilen. Het proces van individualisering, modernisering en secularisering zoals zich dat in de jaren zestig en zeventig voltrok, was, voor alle duidelijkheid, geenszins een neoliberaal project.

Op vergelijkbare wijze is het idee dat het verzet tegen neoliberalisme wortelt in gemeenschapszin veel te simpel. Het is jammer dat Van den Brink de relevante historische literatuur over het neoliberalisme bijna geheel heeft genegeerd. Wie zich inleest in de vele boeken over de opkomst van Ronald Reagan en Margaret Thatcher komt er al snel achter dat neoliberalisme en conservatief gemeenschapsdenken elkaar geenszins hoeven uit te sluiten. Dat zien we eveneens in Nederland. In 1982 trad het eerste kabinet-Lubbers aan, dat een uitgebreid programma van bezuinigingen, loonmatiging, privatisering, deregulering en liberalisering inzette. ‘Meer markt, minder overheid’, was het officiële devies.

Deze omslag werd door de christen-democraten echter aan de man gebracht met een christelijk discours van zorgzaamheid en gemeenschapszin. In zijn regeringsverklaring uit 1982 verkondigde Ruud Lubbers dat Nederland zou ‘overgaan van een verzorgingsstaat, die onbetaalbaar en drukkend dreigt te worden, naar een zorgzame samenleving waarin mensen voor elkaar opkomen’. Ironisch genoeg was een van de belangrijke figuren achter dit verhaal Herman Wijffels, toenmalig topman van de Rabobank en tevens parttime cda-ideoloog. Wijffels was de drijvende kracht achter een reeks van cda-rapporten waarin marktwerking gekoppeld werd aan ‘de zorgzame samenleving’. Hij werd in de media ‘de filosoof achter Lubbers’ genoemd. ‘We hebben gezorgd voor een ideologische onderbouwing van het afbouwen van de verzorgingsstaat’, zou Wijffels later claimen.

De christen-democratische analyse was dat de verzorgingsstaat als een motor van individualisering had gefungeerd. Mensen waren onafhankelijker geworden van hun familie en van hun levensbeschouwelijke zuil. Hierdoor was het aloude christelijke maatschappelijk middenveld in de jaren zestig en zeventig weggevaagd. Het terugdringen van de verzorgingsstaat, zo hoopte men, zou het maatschappelijk middenveld weer versterken en de zorgzaamheid in de samenleving terugbrengen. We kennen dit verhaal vandaag de dag als ‘de participatiesamenleving’. Mark Rutte brengt het weliswaar met een minder conservatieve toonzetting, maar het gaat uit van eenzelfde koppeling tussen marktwerking en gemeenschapszin. Van den Brinks betoog zou overtuigender zijn als hij het reëel bestaande neoliberalisme op de korrel had genomen, in plaats van het abstracte droombeeld van het neoliberalisme.