Tussen windstreek en werkelijkheid

Dromen van het noorden

Hoe kijkt het zuiden naar het noorden? En hoe is dat beeld door de geschiedenis heen ontstaan? Een oeroud beeld van de noorderling is dat van de ongemanierde barbaar, de ‘goede wilde’.

Heinrich Bünting, 1582 © Rare Maps

‘En wat vindt onze barbaar hiervan?’ Het is een vraag waaraan ik in de loop van de jaren zo gewend ben geraakt dat hij me niet eens meer opvalt. Ik antwoord gewoon, alsof er niets geks wordt gezegd. Maar gek is het natuurlijk wel. Want waarom zou ik, Nederlander, door mijn Spaanse vrienden als barbaar worden omschreven – niet één, twee of honderd keer maar standaard? Omdat ik een barbaar ben?

Op het eerste gezicht is er tussen ons, behalve wellicht in lichaamslengte, niet zoveel verschil. De verklaring moet dus een andere zijn – en is dat vanzelfsprekend ook: beeldvorming. Oeroude, ja zelfs voorchristelijke beeldvorming, die bovendien ooit een grond aan waarheid bevatte. Tegenwoordig, en sinds lang, liggen de verhoudingen eerder omgekeerd. Dat is tot mijn Spaanse vrienden blijkbaar niet doorgedrongen, terwijl ik te ‘beschaafd’ ben om ze daarop te wijzen. We laten het daarom maar zo, dit spelletje klassieke cultuurpolitiek.

Maar goed, een jaar of twee-, drieduizend of langer geleden was het inderdaad zo dat in onze contreien vooral vissen leefden, terwijl rond de Middellandse Zee al behoorlijk wat beschaving te vinden was. Binnen die beschaving wist men niets van ‘het noorden’. Men kwam er niet, men kon er niet komen en men wilde er ook helemaal niet komen. Vandaar dat op dat noorden beelden werden geprojecteerd die vooral iets zeggen over het zuiden. Grappig genoeg zijn de oudste van die beelden niet negatief maar positief, idealiserend zelfs.

Het bekendste voorbeeld hiervan is de legende van de zogenoemde Hyperboreeërs of Hyperboreanen, letterlijk mensen die ‘aan de andere kant van het noorden’ wonen. Zij zouden leven in volstrekte gelukzaligheid, onder een zon die nooit ondergaat (middernachtzon?) en te midden van onvoorstelbare schatten die bewaakt worden door onoverwinnelijke griffioenen.

Het opmerkelijkst aan deze fantasie is dat zij nooit helemaal uit het collectief geheugen is verdwenen. Zo had Groenland volgens de negentiende-eeuwse theosofie van Helena Blavatsky (De geheime leer) ooit een tropisch klimaat en stond het vol schitterende flora. Ook speelde de term een rol in ariosofische en nazi-mystieke speculaties die in de loop van de twintigste eeuw in allerlei extreemrechtse en racistische beweginkjes doordrongen. En tot slot: ook het in afgelopen jaren in het Nederlandse debat gefnuikte begrip ‘boreaal’ heeft met deze mythologie van doen.

Vanaf het moment dat zuiderlingen en noorderlingen met elkaar in contact kwamen – dit gaat voorlopig alleen nog over Europa en omstreken – en eerstgenoemden dus daadwerkelijk zagen hoe onze voorouders leefden, zeg sinds de Romeinen, slaat het beeld om en worden noorderlingen steevast als barbaren gezien. Dat betekende (nog) niet dat ze uitsluitend negatief beoordeeld werden. Belangrijkste bron hierbij is Tacitus (De Germania, 98 na Chr.) die op basis van verschillende teksten, waaronder Ceasars verhaal over de Gallische oorlogen, een dubbelzinnig beeld schetst. Inderdaad zijn Germanen volgens hem barbaars in de zin van ongemanierd en verslaafd aan spel en drank maar, zo stelt Tacitus nadrukkelijk, zij zijn ook toegewijd, vervuld van vrijheidszin, sober wat betreft materie en wars van ijdel vertoon.

Germanen zijn, zeg maar, ‘goede wilden’. Opnieuw zegt dit beeld vooral iets over de beeldvormer – en veel minder over degenen die het betreft. Tacitus, overtuigd republikein en daarmee tegenstander van het decadente keizerrijk, hield met zijn noorderbeeld de tijdgenoot een spiegel voor: Rome zou van die barbaren nog iets kunnen leren. Bovendien, als men niet oppaste, konden ze nog wel ‘s gevaarlijk worden ook.

Tot diep in de zestiende eeuw, zo niet langer, was de Middellandse Zee het middelpunt van Europa. Dit bracht met zich mee dat gebieden die buiten dit centrum lagen standaard met een zeker dedain werden bezien. De verbijstering van de Spanjaarden bijvoorbeeld toen een zestienjarige Vlaamse knaap, de latere Karel V, tot koning van hun land werd gekroond. Door die vreemde (Habsburgse) kaken kon hij zijn mond niet eens goed gesloten houden, grapte men. ‘Pas op hoor, de Spaanse vliegen duiken er zo in!’ De verwondering ook waarmee Italiaanse schilders uit de Renaissance de later zogenoemde ‘primitieve’ schilderkunst van hun Vlaamse tijdgenoten beschouwden: van orde, perspectief en regelmaat hadden die noorderlingen geen kaas gegeten; ze rommelden maar wat!

Veelzeggender wellicht nog zijn de oudste kaarten van Europa. Neem die uit het zeer invloedrijke werk van encyclopedist en hebraïst Sebastian Münster, de Cosmographia van 1544 en later: het noorden van het continent ziet eruit als een groot wit vlak. In een begeleidend schrijven bij zijn oudste Europese kaart stelt Münster dat ook met zoveel woorden: dat alle belangrijke delen van Europa erop staan, ‘met uitzondering van grote gebieden in het noorden [hij doelt naast Scandinavië ook op Engeland en Schotland]. Iedereen rekent ze wel tot Europa maar ze zijn tot nu toe onvoldoende verkend en worden bovendien niet altijd door mensen bewoond.’ Oord van barbarij dus.

Eenzelfde gedachte ligt ten grondslag aan het feit dat op tal van vroege Europese kaarten het zuiden boven ligt – en dat terwijl die kaarten toch veelal in het noorden, in of rondom Straatsburg, werden gemaakt. Het fraaiste en meest veelzeggende voorbeeld hiervan is de kaart van Europa van Heinrich Bünting, uit 1581: Europa als gekroonde maagd. Het hoofd van die maagd wordt gevormd door Spanje (daarop staat ook de kroon), het hart tikt in het stamland van de Habsburgers (Duitsland, Bohemen), Frankrijk is de borst en Italië de rechterhand. De Scandinavische landen, Engeland en Schotland daarentegen hangen er maar zo’n beetje bij, verloren in een onbestemd waterige massa. De Nederlanden worden niet eens genoemd.

Maar ongeveer in dezelfde jaren dat dominee Bünting zijn kaart maakt, verandert het beeld en verplaatst het zwaartepunt van Europa zich naar het noorden. Daarmee verandert ook het perspectief. Opnieuw toont de verschuiving zich het beste in de cartografie. De tot op de dag van vandaag dominante kaartprojecties van Gerard Mercator en Abraham Ortelius uit de laatste decennia van de zestiende eeuw tonen niet alleen een wereld waarin de klemtoon op het noordelijk halfrond ligt, maar ook een Europa waarvan het relatief noordelijk gelegen Duitsland het hart vormt. Ieder kind weet intussen dat deze ‘projecties’ van een bol in het platte vlak een keuze zijn en vol ‘fouten’ staan. Het waren echter wel deze keuzes en deze fouten die gedurende honderden jaren en eigenlijk tot de dag van vandaag het wereldbeeld, letterlijk én figuurlijk, bepaalden. Over de inhoud van dat wereldbeeld bestaat weinig twijfel. Het verkondigt dat ‘het’ zowel op wereldschaal als binnen Europa in het noorden gebeurt. Dat is waar ‘de actie’ is. In het noorden moet je zijn!

Overigens zitten er wel een paar rare kronkels in ons taalgebruik van de windstreken. Om te beginnen bevatten de termen in politieke en culturele beschouwingen bijna altijd een waardeoordeel. Vandaar ook dat men het liefst in tweedelingen spreekt. Dat maakt zo’n waardeoordeel duidelijker en eenvoudiger. Dat geldt niet alleen de tegenstelling noord-zuid maar ook die van oost-west. Een vreemde kronkel zit ook in de verschuiving c.q. vermenging van de begrippen west en noord. Tot voor kort, en her en der nog altijd, sprak men liever van west dan van noord.

Wat dat betreft is er een beroemd gedicht van de achttiende-eeuwse filosoof en dominee George Berkeley over de veronderstelde verschuiving van de beschaving van oost naar west, de zogenoemde translatio imperii-gedachte. Berkeley schreef zijn ‘Verses on the Prospect of Planting Arts and Learning in America’ na een bezoek aan de nieuwe wereld en ‘voorspelde’ dat de beschaving uiteindelijk daar haar hoogtepunt zou bereiken. Er is iets voor te zeggen, althans als je een louter ‘westers’ perspectief hanteert en doet wat voor onze voorouders vanzelfsprekend was: geen rekening houden met Aziatische, Latijns-Amerikaanse en Afrikaanse culturen.

Want begonnen in Mesopotamië, verplaatste het centrum van ‘onze’ beschaving zich inderdaad langzaam in westelijke richting, eerst naar Griekenland, daarna Italië, vervolgens Spanje, de Nederlandse Republiek, Frankrijk, Engeland, om uiteindelijk de Oceaan over te steken en zich binnen de Verenigde Staten uit te breiden van de oost- naar de westkust. Zowel de aanleiding als deze laatste verplaatsing verklaart de enorme populariteit van Berkeley’s gedicht in de VS. Zie ter illustratie de enorme, naar een regel van Berkeley’s gedicht (Westward the Course of Empire Takes Its Way) genoemde muurschildering van Emanuel Leutze in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. Het is begrijpelijk dat dit oost-westpraatje ten tijde van de Koude Oorlog om nog andere redenen geliefd was. Pas door de Val van de Muur werd het langzaam vervangen door de tegenstelling noord-zuid. Verdwenen is het beeld niet. Tegenwoordig worden west en noord in cultuurpolitieke zin vaak als synoniemen gebruikt.

Het melkkoetje, anoniem, circa 1633 - circa 1639. Satirische voorstelling van de politieke positie van de Nederlanden: bereden door Filips I van Spanje, gevoerd door Elizabeth I van Engeland © Rijksmuseum Amsterdam

Het was in de achttiende eeuw dat het noord-zuidbeeld ook theoretisch verankerd werd, niet alleen met betrekking tot Europa maar ook als moreel principe. Zoals zuid ooit tegenover noord had gestaan als beschaafd tegenover onbeschaafd, zo kwam noord nu tegenover zuid te staan als modern tegenover ouderwets, rijk tegenover arm, progressief tegenover conservatief en dynamisch tegenover lethargisch. Noord-zuid betekende zoveel als goed-fout of, beter nog, sterk-zwak.

De armsten blijven veelal waar ze zijn. Internationale migranten zijn vaak degenen die het beter hebben. Waarom ze toch vertrekken? Beeldvorming

De bekendste ‘onderbouwing’ van deze theorie is te vinden in het zeer invloedrijke boek van de adellijke Verlichtingsfilosoof Charles de Montesquieu over wetgeving, De l’esprit des lois uit 1748. Het derde deel hiervan, de hoofdstukken 14 tot en met 19, gaat over de samenhang tussen klimaat en wet. ‘Mensen uit het noorden’, zo schrijft hij, ‘hebben weinig ondeugden, veel deugden, bovendien zijn ze eerlijk en transparant. Maar hoe verder je naar het zuiden gaat, hoe meer het moreel besef afneemt. Omdat de emoties daar [in het zuiden] sterk zijn, is de misdaad er groot.’

Aldus kwam Montesquieu tot een tegenstelling die sindsdien ontelbare malen herhaald is, ook door een van de Amerikaanse Founding Fathers en latere president van de VS: Thomas Jefferson. In een vaak geciteerde brief van 2 september 1785 aan een van zijn (Franse) kompanen uit de Amerikaanse vrijheidsstrijd, François-Jean de Chastellux, stelt hij de mensen van het noorden en het zuiden diametraal tegenover elkaar. Eerstgenoemden zijn beheerst (cool), zuiderlingen vurig, noorderlingen zijn sober, hun tegenvoeters wellustig. Vervolgens noemt hij de zijnen ijverig, de anderen lui, plaatst hij volhardend tegenover slap, berekenend tegenover genereus en de noordelijke pietjes precies (chicaning) tegenover de kletskeutels van het zuiden.

Je zou denken: hoe komt een mens hierbij? Maar volgens mij is dat niet de goede vraag – en wel omdat er voor een tweedeling als deze best iets te zeggen valt. Maar er valt net zoveel tegen in te brengen, terwijl in de meeste gevallen evengoed het tegenovergestelde beweerd kan worden. In ieder geval is er nauwelijks of geen harde grond. En als er harde grond is, dan betreft die niet het veronderstelde antropologische of culturele feit (bijvoorbeeld dat noorderlingen harde werkers zijn) maar de context van dit ‘feit’, niet het gevolg maar de oorzaak dus. Armoede bijvoorbeeld, of temperatuur (bij vijftien graden beweegt een mens zich gemakkelijker dan bij veertig, dat is inderdaad een feit). Nee, de juiste vraag met betrekking tot dit soort beweringen betreft niet de inhoud maar het effect ervan en vervolgens, belangrijker, de vraag hoe dat effect ongedaan gemaakt kan worden. Want dat is het probleem van beeldvorming, ook van dit ‘spel’ met windstreken. Zij is meer dan spel; beeldvorming doet wat het woord zegt: beeld vormt werkelijkheid.

Een van de meest fascinerende illustraties hiervan, mij bekend, is het inmiddels oude maar regelmatig herhaalde poppenexperiment van het echtpaar Kenneth en Mamie Clark uit de jaren dertig van de twintigste eeuw: zowel witte als gekleurde kinderen van een jaar of vijf worden twee poppen getoond, zwart en wit. Gevraagd wordt welke pop de mooie is en welke de lelijke, welke de goede en welke de slechte, enzovoort. Het antwoord is veelal hetzelfde: ook zwarte kinderen vinden witte poppen mooier, beter, slimmer. Een vergelijkbaar resultaat, zo ziet het ernaar uit, heeft het sinds lang dominante beeld van noord-zuid (of om het even oost-west). Dat noorderlingen zichzelf op basis daarvan als superieur beschouwen, ligt wellicht nog voor de hand. Dat zuiderlingen dat beeld vervolgens overnemen, is pijnlijk. Maar dat die beeldvorming een rechtvaardiging biedt voor handelen en mishandelen (kolonisatie!) is ronduit shocking.

Toch is dat het geval. Het is weliswaar niet eenvoudig te bewijzen, het is gemakkelijk te illustreren. Laat ik beginnen met het onderwerp dat mij het best bekend is: Spanje. Het is waar dat mijn vrienden mij als barbaar zien. Maar dat is niet de volledige waarheid. Zij zien mij tegelijkertijd als vertegenwoordiger van een superieur type samenleving. Juist daarom beklemtonen zij hun innerlijke beschaving, uit trots of van de weeromstuit.

Je ziet dit minderwaardigheidscomplex misschien nog het beste in wat je de Spaanse Europa-obsessie zou kunnen noemen. Eeuwenlang en mede door de zogenoemde Zwarte legende werd het land zo’n beetje beschouwd als een blindedarm aan het lichaam van ons continent. De gevolgen daarvan waren dubbel. Aan de ene kant waren er degenen die van deze ‘nood’ een deugd maakten en bleven verkondigen wat ook in Spanjes grote tijd, de zestiende eeuw, verkondigd werd: dat land en cultuur superieur waren, een eiland van katholieke zuiverheid in een ketterse oceaan. Maar zeker na de dood van Franco raakte deze overtuiging in toenemende mate achterhaald en snakte de overgrote meerderheid van de Spanjaarden ernaar bij Europa, lees de vooruitgang en zeg het noorden, te horen. Voor hen waren de jaren dat Spanje tot de navo (1982), Schengen (1985), de EU (1986) en de Eurozone (1999) toetrad dan ook zoiets als de verwezenlijking van een oude droom.

Deze droom is in de Spaanse letteren uitvoerig geïllustreerd. Zo hebben tal van Spaanse reizigers sinds de achttiende eeuw met een behoorlijk gevoel van tekort door onze contreien gezworven. Steeds constateerden zij hetzelfde: dat men er in het noorden op vooruit was gegaan terwijl in eigen land alles hetzelfde bleef. Opmerkelijk genoeg verwezen die reizigers daarbij regelmatig, direct of indirect, bewust of onbewust, naar de theorie van Montesquieu. Om één voorbeeld te geven: het werk van de bij ons volstrekt onbekende maar fascinerende schrijver en diplomaat Ángel Ganivet, een van de voorlopers van de zogenoemde Generatie van (18)98. Deze naamgeving refereert aan de Spaans-Amerikaanse oorlog in dat jaar en aan het verlies van Spanjes laatste koloniën ten gevolge daarvan: niet alleen Cuba maar ook de Filippijnen en Puerto Rico. Sinds de verovering van het land door de islam halverwege de Middeleeuwen, aldus de toenmalige Spaanse publieke opinie, zou het land niet zo diep gezonken zijn. Een herleving was nodig. Maar dat betekende modernisering, europeanisering, kortom: de blik naar het noorden. Dat is ook wat Ganivet bepleitte – én in praktijk bracht.

Ganivet is een complex denker en een groot liefhebber van zijn eigen land maar raakte er, mede door zijn ervaring als consul in Helsinki, steeds meer van overtuigd dat Spanje uiteindelijk kapot was gegaan aan wat hij abulia noemde, aboelie in het Nederlands, gewoonlijk vertaald als lethargie of loomheid. Jefferson gebruikt hiervoor het woord indolentie terwijl Montesquieu aan het begin van zijn beschouwing over het klimaat met betrekking tot noorderlingen het antoniem vermeldt: vigueur, kracht – ‘on a donc plus de vigueur dans les climats froids’.

Volgens Ganivet was kracht precies dat waaraan het zijn landgenoten ontbrak. Vandaar ook dat hij tijdens zijn verblijf in het noorden een uitvoerige roman schreef over de grootse werken van een onvermoeibare creatieveling, Los trabajos del infatigable creador Pío Cid. Geïnspireerd door de nog veel grotere werken van de voor de Spaanse cultuur belangrijke mythologische krachtpatser Hercules, toont Ganivet een man zoals hij zich de ideale Spanjaard voorstelt. Helaas wist hijzelf niet naar zijn eigen voorstelling te leven. Nota bene in 1898, het jaar ook dat zijn roman verscheen, verdronk hij zich in de rivier die door de Letse hoofdstad Riga loopt. Een beter bewijs van de juistheid van zijn stelling dan wel van de persoonlijke mislukking van de door hem gewenste herleving is ondenkbaar.

Onder het huidige gesteggel over Europa tussen de zuidelijke en de noordelijke landen is het belangrijk rekening te houden met dit soort dieptebeelden. Het is onwaarschijnlijk dat iemand als Pedro Sánchez, de huidige Spaanse premier, gekweld wordt door frustraties als die van Ganivet en zijn intellectuele kompanen. Tegelijkertijd lijdt het geen twijfel, denk ik, dat dergelijke frustraties op de achtergrond meespelen. De sporen van het Noord-Europees superioriteitsgevoel en zijn keerzijde gaan diep.

Terwijl het effect van de noord-zuidbeeldvorming wat Europa betreft in afgelopen decennia minder sterk is geworden (maar blijft dat onder de huidige omstandigheden zo?), is op wereldschaal het tegenovergestelde gebeurd. Zoals gezegd bestaat de mondiale noord-zuidlijn als kaartbeeld al lang. Maar in de wetenschappelijke en politieke literatuur kreeg hij pas na de Tweede Wereldoorlog gestalte, het duidelijkst in wat veelal de Brandt-lijn wordt genoemd. Dit naar een spraakmakend rapport dat in 1980 werd opgesteld door een onafhankelijke commissie onder voorzitterschap van de voormalige Duitse premier Willy Brandt (North-South: A Programme for Survival; Jan Pronk maakte er ook deel van uit). In dat rapport staat een kaartje dat, vermoed ik, onbewust op ieders netvlies staat. Het toont onze wereld, verdeeld door een dikke lijn die ongeveer over de dertigste breedtegraad loopt, ten zuiden van Europa dus, ten zuiden ook van de Verenigde Staten, ten noorden van China en dan met een vreemde kronkel westelijk langs Japan en Australië. Deze lijn scheidt de haves van de have-nots, rijk van arm, ontwikkeld van onderontwikkeld, noord van zuid.

Toen Brandt c.s. hun rapport opstelden, gebeurde dat onder grootse plannen. Er moest van alles en nog wat gebeuren. De verschillen tussen noord en zuid mochten groot zijn, het was in ieders belang hier iets aan te doen. ‘The fate of both [noord en zuid] is immediately connected’, schreven de opstellers van het rapport. ‘The search for solutions is not an act of benevolence but a condition of mutual survival.’

Veertig jaar later kunnen we niet anders dan constateren dat die plannen mislukt zijn. Dat is echter – en daar gaat het om – niet alleen het resultaat van de groeiende kloof tussen arm (zuid) en rijk (noord) maar ook van het groeiend besef van het bestaan van zo’n kloof. Beeldvorming dus. Die beeldvorming op haar beurt is het resultaat van een wereld waarin we dichter op elkaar zitten (mondialisering), voortdurend overspoeld worden met beelden (digitalisering) en ruimschoots de mogelijkheid hebben om ons te verplaatsen, niet alleen van noord naar zuid (toerisme) maar ook in omgekeerde richting (migratie). Anders gezegd: als verklaring voor migratie is beeldvorming veel belangrijker dan wij denken.

Armoede niet dan? Ja, armoede natuurlijk ook, maar toch anders dan veelal gedacht. Het fascinerende is immers dat het in het algemeen juist de meer ontwikkelden en ‘rijkeren’ uit de minder arme landen zijn die naar het noorden trekken. De armsten van de armsten, zo blijkt, blijven veelal waar ze zijn of migreren, aangetrokken door de mogelijkheden van seizoensarbeid, binnen de eigen regio. De internationale migranten zijn merendeels degenen die het beter hebben. Waarom ze dan toch vertrekken? Beeldvorming.

Over ons beeld van het zuiden bestaat een onvoorstelbare hoeveelheid onderzoek. Het is heel wat moeilijker informatie over het tegenovergestelde beeld te vinden. Dat geldt in zekere zin ook voor de Europese verhoudingen: er is veel meer bekend over het Europese Spanje-beeld dan over het Spaanse Europa-beeld. Je zou dit kunnen verklaren met het Afrikaanse spreekwoord dat zegt dat de hand die ontvangt (onderzocht wordt) altijd ligt onder de hand die geeft (onderzoekt). Aan het feit verandert het weinig.

Niettemin is er genoeg dat het belang van het noorderbeeld bij migranten uit het zuiden illustreert. Een goed en recent voorbeeld is een uitvoerig onderzoek van het VN-Ontwikkelingsprogramma, de undp, uit oktober van vorig jaar: The Scaling Fences: Voices of Irregular African Migrants to Europe. Voor dit onderzoek werd uitvoerig gesproken met 1970 individuen uit 39 Afrikaanse landen die illegaal naar Europa migreerden. Hoewel de uitkomst van dit onderzoek veelzijdig is, springen twee zaken eruit. Om te beginnen dat gebrek aan inkomen voor de meerderheid van de migranten inderdaad niet de belangrijkste reden was om te vertrekken. Een grotere rol speelde ontevredenheid met het heersende politieke systeem, dan wel het onvermogen daarop invloed uit te oefenen.

Maar doorslaggevend was toch iets anders: dromen, de Europese of, om het even, Amerikaanse droom. In de woorden van de belangrijkste opsteller van het rapport, de Afrikaanse programmacoördinator van de undp Mohamed Yahya: ‘What our report really picks out is the power of dreams. People feel that no fence is high enough for them to scale to achieve their dreams.’ Zo zie je maar: wat dromen betreft heeft de geschiedenis van de noord-zuidverhouding in drieduizend jaar een vreemde cirkel beschreven.