Kort verhaal van Abdelkader Benali

Dromen van sabotage

«Geluk was zo’n idee dat rond de eeuwwisseling, met de gestegen olieprijzen, de verschuivende verhoudingen in de wereldpolitiek en de intrede van het virus dat de mensheid in een tijdsbestek van vijftig jaar met een derde decimeerde, een rouwrandje had gekregen. Was het woord rond 2006 nog in elke krant, damestijdschrift en sociologische verhandeling over de verheffing van de onderworpen volkeren te vinden, snel daarna begon het dramatisch af te kabbelen toen de mens, ook de best beschermde, de intrede van de nieuwe ziekten en energietekorten aan den lijve begon te voelen. Veiligheid werd het woord waarvoor geluk plaats moest maken. Veiligheid tout court. Veiligheid omhelsde veel meer en benoemde beter in wat voor situatie de mens was verzeild: een toestand van afgewogen onzekerheid. Over die onzekerheid die sindsdien een onlosmakelijk deel van ons leven en opvoeding is geworden, een volgende week», zei de professor en hij sloot zijn betoog af. Ik had drie kwartier ademloos naar hem geluisterd. Hij leek zich de hele tijd op niemand in het bijzonder te focussen. De professor schreef op het bord de vijftig pagina’s op die we moesten lezen voor het aanstaande college over geluk en welbehagen in een postmoderne samenleving, sloeg zijn notitieboekje dicht en verliet snel de zaal. Ik volgde hem onmiddellijk.

Binnen de muren van de universiteit waren we relatief veilig voor de razernij van buiten. De televisie meldde dat de regeringstroepen rebellennesten hadden uitgekamd zonder iets aan te treffen, maar niemand keek ernaar. Dit was onze definitie van veiligheid: de televisie niet serieus hoeven te nemen.

Het was lente. Een poort naar rust met uitzicht op het laatste semester waar de puntjes op de i konden worden gezet, diende zich aan en ik was verliefd geworden op de jongste professor moderne antropologie (en wat er van over was) in de geschiedenis van de universiteit. Ignatius Cornell was zijn naam. De mijne, Carolina Kat, had hij aan het begin van het semester opgenoemd in de presentielijst. Zijn bijnaam was het Fantoom, omdat hij vaker afwezig dan aanwezig was. Zijn stem leek de ruimte ternauwernood te vullen en hij had moeite met namen onthouden of zag je soms aan voor de verkeerde. Deze minpunten, charmante minpunten in mijn ogen, werden gecompenseerd door zijn ideeën en het gevoel dat over je kwam als je zijn colleges bezocht: deze man had iets te melden. Hij was voor mij een genie en een man met een mysterie. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik een man het predikaat onweerstaanbaar gaf.

Zijn idee kwam hierop neer. We leefden in de eeuw van de veiligheidsvraagstukken waarin we als individuen kwetsbaar waren geworden en waarin de medische industrie in een halsbrekende strijd was verwikkeld om elke keer weer serums te ontwikkelen tegen de nieuwe virussen die als slangen uit de oerwouden van Afrika leken te ontsnappen. Maar dat betekende niet dat we in een wanhopige of redeloze situatie verwikkeld waren. Er was vrijheid in dat dwingende bewustzijn, alleen moest je er wel naar zoeken. We zochten veiligheid in een onveilige wereld waarin je de ene dag nog fris en vrolijk rond kon stappen, maar de volgende dag aan je bed gekluisterd kon liggen, een stuk vermagerd en hopeloos. Toch was er nog zoiets als een besef van zin en voldoening. Dit allemaal zonder dat hij het woord geluk ook maar één keer noemde. En geloof speelde ook geen rol.

Het geloof was bij mijn geboorte al een tijdje begraven. De laatste monotheïstische geloven waren getransformeerd tot industrieën van geloofsbelijdenis toen men besefte dat hoe minder vaak de naam des heren werd genoemd, hoe beter de portemonnee gediend werd. Ook Allah, een mythische figuur, was gesneuveld toen de grote oliestaten door hun petroleum heen raakten en hun eigen god niet meer konden financieren maar dit voortaan door de burgers zelf moesten laten opbrengen. Hoewel er nog met goede moed in de naam van Allah werd gepredikt, waren zijn hoogtijdagen voorbij. Zelfs de moslims waren daarvan doordrongen geraakt, gezien de stroom literatuur die op gang was gekomen waarin de ene auteur na de andere met zijn god afrekende. Allah was onderdeel van een autobiografie geworden. Ook in de astronomie was het heelal volledig verkend. Aan de uitdijende randen ervan was geen godskind gevonden dat op het punt stond in huilen uit te barsten. Het universum was afgedekt en er was geen moer aan.

«Zo wordt de enige manier om je eigen handelen, gericht op vervulling van je potentieel, iets van rechtvaardiging te geven, niet meer opgevuld door een metafysische god of overdreven geloof in de vooruitgang van de mens. Die hele vooruitgang heeft zijn grenzen bereikt in het jaar 2039, niet toevallig het jaar dat de eerste moderne pest uitbrak. Op dat moment werden we met ons onvermogen geconfronteerd. Vanaf dat moment houden ook schrijvers en dichters op het woord geluk nog te laten terugkomen in hun vaak tenenkrommende werk.» Hij moest lachen alsof hij een schrijver in gedachten had. «Veiligheid is vanaf dat moment het parool.» Hij trof me precies daar waar ik een zwak voor hem had: intellect gekoppeld aan bescheidenheid, snelheid van redeneren in combinatie met een illusieloze kijk op de dingen.

En hij ging snel, ook in zijn tred, waardoor ik moeite had hem bij te houden. Hij liep over de brug, ging de steeg door en kwam uit op het plein, dat hij diagonaal overstak, waarna hij de tram liet passeren en tussen twee cafés verdween in de straat. Zo maakte het Fantoom zichzelf onzichtbaar. Steeds was hij me ontsnapt, maar deze keer liet ik hem niet los. Daar liep hij weer over een brug, waarna hij de broodjeszaak recht tegenover de chocolaterie inliep. De aanwezigheid van een broodjeszaak was aan mijn aandacht ontsnapt.

Daar was hij en daar moest ik hem maar confronteren met mijn aanwezigheid. Wat had de lente voor zin als die niet werd opgevuld met ontmoetingen? Ik wist niet of hij homo was. Althans, ik had van niemand gehoord dat hij dat was. Ik zou naar binnen gaan, een broodje oude kaas bestellen en met hem in gesprek raken. De rest had ik maar aan het lot over te laten.

«Er is geen oude kaas meer», hoorde ik hem zeggen vanuit de hoek waar hij zat. Voordat ik had kunnen vragen hoe hij wist dat ik oude kaas wilde, had hij me een alternatief aan de hand gedaan. «Neem de rosbief. Die is uitstekend. Biologisch vlees.»

Ik bestelde de rosbief en draalde. «Als je van plan bent hem hier op te gaan eten, kun je net zo goed naast me komen zitten. Het broodje wordt gebracht.»

«Dit was een goed college», zei ik.

«Het is mijn laatste.» Hij kauwde, slikte door en keek me vol in het gezicht aan.

«Waarom?»

«Ik laat de volgende colleges overnemen door een post-doc. Ik ben uitgesproken over dit onderwerp.»

«Het leek alsof u nog veel te zeggen had.»

«Een paar jaar geleden wel. De fase van veranderingen die we nu ingaan, vraagt om een andere benadering.»

«Het veiligheidsvraagstuk blijft nog wel even opgeld doen», zei ik.

«Ik ben bang van niet. Ik denk dat de mens het zat is om elke keer weer onderdeel te zijn van het veiligheidsvraagstuk. Ik denk dat hij veiligheid zal opgeven voor meer vrijheid.»

«Dus meer risico’s», zei ik.

«En dus meer geluk. In een gevangenis is het geluksgevoel ver weg.» Of misschien juist niet, dacht ik, maar ik had al een tijdje geleerd mijn al te gemakzuchtige dialectiek snel door te prikken. «In een vrije wereld is de dood een constante. De enige constante.»

«Ik denk dat de mens rekent op de aanwezigheid van de dood en zich toch gelukkig wil voelen. En er zal een nieuwe balans gevonden worden.»

«Maar dan houdt de mens het niet lang meer uit?»

«Het is sowieso een aflopende zaak. Wie kan de eer van de mens nog redden, als de mens zelf hem een tijdje terug al verkwanseld heeft.»

«Maar het laatste wat de mens zal doen is zichzelf moedwillig opheffen.»

«Als hem dat gelukkig maakt, dan zij het zo.»

Buiten begon het te regenen. Mensen schoten de cafés binnen of zochten beschutting onder de markiezen. Een regenbui in het voorjaar, een van de vele die zouden gaan volgen.

«Wanneer uw analyse klopt, zou u misschien dat college moeten geven?» Er was niets wat dit gesprek kon beschadigen, dacht ik. Het duurde maar één broodje en een kop koffie lang, maar ik zou de warmte ervan de rest van mijn leven meedragen.

«Jij zou je erop verheugen, maar de rest van het gehoor zal de verwarring ondraaglijk vinden.» Als hij daarmee bedoelde dat het merendeel van de studenten niet gewend was aan doorbreking van de status-quo, dan had hij gelijk.

«Maar er is geen enkele student die geen verrassende inzichten wil horen.»

«Het zou nochtans het einde van mijn carrière betekenen. Voor wetenschappelijke zelfmoord ben ik niet in de wieg gelegd.»

«Dat is misschien wel de hoogste vorm van moed.»

«Ik had nooit gedacht dat ik voor lef in de wieg was gelegd. Ik ga op avontuur.»

Hoe vreemd klonk dit woord uit zijn mond en hoe ontzettend op zijn plaats was het in deze broodjeswinkel.

«Buiten de universiteit is er niets wat me boeit, maar wie buiten de wereld wil verblijven moet rebel worden.»

«Zo een die medicijnfabrieken opblaast omdat ze de belangen van de bestaande orde dienen en niet daadwerkelijk de vooruitgang voor iedereen dienen? Een die de laatste energiebronnen probeert lam te leggen?»

«Iemand die het veiligheidsvraagstuk op de spits drijft.»

Hij keek me aan en ik zag dat hij me serieus nam. Hij was dit dus echt aan het overwegen.

«Ik drijf niets op de spits, we worden op de spits gedreven. Ik zou natuurlijk ook een boek kunnen schrijven», zei hij, «maar dat betekent dat ik ook een paria word. We leven niet in een tijd waarin mensen op een blauw oog zitten te wachten.»

«Waarom niet?»

«Stel je voor. Je wordt op klaarlichte dag verrast door een ontmoeting met een oude vriend die je lang niet hebt gezien. Wat hij te melden heeft, overrompelt je en maakt je vrolijk. Zou die oude vriend midden in de nacht aankloppen, toegang eisen in je kamer waar je ligt bij te komen van een griep, dan vervloek je hem. Zo is het met het schrijven van bepaalde boeken. Je weet wat er met de laatste auteur is gebeurd die zo’n boek uitbracht?»

«Nee.»

«Het boek werd een bestseller. Hij kreeg aanhang. Het publiek viel voor zijn charmes en dat was dat. Hij werd rijk. De kou was meteen uit de lucht.»

«U wilt niet rijk worden, u wilt geen invloed. Maar u droomt van sabotage.»

«We dromen allemaal van sabotage. Het is de enige droom die is overgebleven, de almaar terugkomende, verrukkelijke gedachte om de waarden die we onderhouden in vuur en vlam te zetten.»

We waren uitgegeten. De illusie koesteren dat we elkaar vaker zouden spreken, zat er niet in. Ik zag dat hij geïnteresseerd in me was. Homoseksuele tendensen waren hem vreemd, maar zijn echte aandacht was ergens anders. «Dat was het dan», zei ik, «ik zal uw colleges missen.»

«Waarom?»

«U gaf me het gevoel dat ook als je heel scherp kijkt en denkt, je niet in staat van wanhoop hoeft te verkeren.»

«Maakte dat je gelukkig?» We lachten.

«Nee. Het maakte me sterk.»

«Dan kan ik de universiteit met een gerust hart verlaten.»

We liepen naar buiten, dezelfde kant op. Toen het weer ging regenen, hield hij me vast onder een oranje markies. Hij kwam met zijn lippen dicht bij mijn haar en snoof mijn geur op. Het kon me niet schelen wat hij met me deed, die dag, want ik geloofde – tegen de tekenen in – dat deze herinnering hem zou weerhouden van de ultieme sabotage.

Een jaar later hoorde ik dat hij gesneuveld was bij een aanval van de regeringstroepen op een nieuwe cel rebellen die zich Operatie Geluk noemde. De rebellen hadden hun voorzichtige tactiek verlaten en alles op alles gezet. De kracht van onze ontmoeting had het een jaar volgehouden.