Dromend Duitsland

FRITS BOTERMAN
DUITSE DICHTERS EN DENKERS: HET BELANG VAN CULTUUR IN DE MODERNE DUITSE GESCHIEDENIS
De Arbeiderspers, 368 blz., € 19,95

De vraag is tot vervelens toe herhaald: hoe kon Duitsland, het land van de Dichter und Denker, plotsklaps veranderen in het land van de Richter und Henker? Hoe kon een cultureel zo hoogstaand land schijnbaar van de ene op de andere dag in barbarij vervallen? Als antwoord kwam men vaak met varianten op de zogenoemde Sonderweg-these. Terwijl andere Europese landen globaal dezelfde weg aflegden en zich ontwikkelden tot liberale democratieën, nam Duitsland ergens een andere afslag. Hoewel het land in de negentiende eeuw begon aan een stormachtige economische modernisering bleef de maatschappelijke modernisering en de daarbijbehorende democratisering achterwege. Uit frustratie hierover vluchtte de ontwikkelde burgerij in de ivoren toren van de cultuur en ontwikkelde zo’n afkeer van de politiek dat men, toen het erop aankwam, toen er eindelijk een democratie was en die van alle kanten werd bedreigd, geen poot uitstak.
Hoewel deze visie op het Duitse verleden niet helemaal onzinnig is, is zij wel veel te schematisch en doet zij onvoldoende recht aan complexe, vaak tegenstrijdige ontwikkelingen op politiek, sociaal en cultureel gebied. Volgens Frits Boterman is het opmerkelijk dat, hoewel iedereen het erover eens is dat Duitsland zich vanaf de achttiende eeuw had ontwikkeld tot een belangrijke cultuurnatie, de rol van de cultuur in de Duitse geschiedenis nog altijd onderbelicht is.
Uit de opgenomen essays blijkt telkens weer hoe gecompliceerd in Duitsland de relatie tussen Geist en Macht was. Uiteraard ontkent Boterman niet dat een groot deel van de culturele elite een abgrundtiefe minachting koesterde jegens de politiek in het algemeen en de parlementaire democratie in het bijzonder. Zijn stukken over Oswald Spengler, Ernst Jünger en de kring rond Stefan George spreken boekdelen. En ook is duidelijk dat bijvoorbeeld het schaamteloze elitisme en de Führer-cultus van George en diens paladijnen, die zich vertegenwoordigers van een ‘geheim Duitsland’ waanden, stevig hebben bijgedragen aan de ondergang van de Republiek van Weimar.
Boterman besteedt echter ook aandacht aan ‘het andere Duitsland’, dat droomde van een open, liberale samenleving. Vandaar dat ook essays over Albert Einstein, Max Weber en Kurt Tucholsky zijn opgenomen. Bovendien laat hij zien hoe na de oorlog een literaire kring als Gruppe 47 – waartoe onder anderen Heinrich Böll, Martin Walser, Ingeborg Bachmann, Günter Grass en Hans Magnus Enzensberger behoorden – het ‘intellectuele voorwerk’ voor het democratiseringsproces van de Bondsrepubliek verrichtte. Deze schrijvers sloten zich niet langer op in de ivoren toren van de Geist, maar namen hun verantwoordelijkheid als mondige staatsburgers.