Dromend met de ogen open

Sinds 1989 kan Ivan Klíma weer in eigen land publiceren. Van dat recente werk werd in 1994 de verhalenbundel Eiland van de dode koningen vertaald, fantastische verhalen waarvoor in Nederland dan prompt het mistige begrip ‘magisch realisme’ van stal wordt gehaald. Was dit het genre dat Klíma altijd al had willen beoefenen en was hij tot dan toe door omstandigheden gedwongen zich aan de werkelijkheid te houden? Ik kan alleen maar zeggen dat ik de vroegere verhalen liever had. Daarvan is nu misschien wel de beste bundel alsnog vertaald, in 1985 eerst in Zweden verschenen, dan in 1986 in Engeland onder de titel My First Loves. De Nederlandse titel is wat misleidend. In het titelverhaal ‘De koorddansers’ komt geen verliefde koorddanser voor, maar een jongeman die op een koorddanseres verliefd raakt; bovendien staat het woord in het meervoud. Dat is geen onbelangrijk verschil.

Het verhaal begint ermee dat een wat eenzame jongeman bij zichzelf vaststelt dat hij, vermoedelijk ten gevolge van zijn oorlogservaringen, nooit meer echt van iets kan genieten; hij is zich bij alles bewust van de diepte onder zich. Het meervoud duidt erop dat er meer van zijn soort zijn, hij hoort tot een generatie die door de oorlog - en in zijn geval het kamp - niet jong heeft mogen zijn; koorddansers zijn ook degenen die met niet minder dan het hoogste genoegen nemen, met alle risico’s vandien. De vergelijking in het begin roept de herinnering op aan een optreden, vlak na de oorlog, van een circusgezelschap waarvan een acrobate grote indruk op hem maakte. Met enige moeite kun je de hoofdpersoon een verliefde koorddanser noemen; hijzelf krijgt vooral de hoogte wanneer hij, als het meisje van een vriend haar oog op hém laat vallen, in vervoering een sprookjesachtig verhaal schrijft. Misschien ervaart hij voor het eerst dat het schrijven hem eenzelfde tinteling bezorgt als de liefde, die hij tot een bepaald moment ook alleen maar uit wensdromen kent.
Uitgevers brengen tegenwoordig liever geen verhalenbundels op de markt. Dit boek heeft weliswaar geen genre-aanduiding, maar de vier verhalen zouden met recht een roman mogen heten. Het gaat om een en dezelfde jongeman wiens liefdegevoelens per moment danig veranderen, eerst in het getto tijdens de oorlog, dan erna. Ondertussen begint hij echt te schrijven. In één verhaal gaat dat gelijk op met het dichterbij komen van het object van zijn verlangens, zij het dat hij het dan nog voortdurend vergelijkt met wat grootmeesters in de literatuur erover mee te delen hadden. In die zin is het een ontwikkelingsroman. Even subtiel als Klíma de ontwikkeling van de gevoelens van zijn hoofdpersoon volgt, zo voorzichtig is hij met de historische achtergrond van zijn liefdesverhalen. Oorlog, kamp, stalinisme - door kieren krijgt men er iets van te zien, net genoeg om te beseffen dat alles wat de jongen voelt zich afspeelt op het dunne ijs van een vrede die elk ogenblik hardhandig verbroken kan worden. Hoe hooggestemd hij door zijn amoureuze of literaire gevoelens ook is, steeds is er de vraag: wie en wat kan hij nog geloven? Het is niet het slechtste antwoord dat hij zich daarom maar aan zijn eigen gevoelens houdt; hoewel het slot weer volop in het teken van de twijfel staat.