Dronkemansgestommel

Gestommel in het donker. Gevloek, besmuikt gegrinnik. Je zou bijna denken dat het er niet bij hoort. Dat er iets misgaat tijdens de voorbereiding van de scene die we zo dadelijk zullen zien. En dat er niets meer aan de hand is als het licht aan gaat. Maar wie al eens een voorstelling heeft gezien van de Vlaamse Cie. de Koe moet beter weten. De scene begint: er wordt fluisterend gesproken. Maar het licht gaat voorlopig niet aan. De acteurs zijn in het donker aan een tafeltje gaan zitten, dat kunnen we zien omdat een van hen een sigaret opsteekt.

De andere twee volgen. Bij het aansteken van de sigaretten lichten de gezichten even op. Daarna is er alleen maar een choreografie van drie gloeiende puntjes. Het is een fascinerend beeld. Sfeervol: de lichtpuntjes zijn net vuurvliegjes op een zwoele zomeravond, en het gefluister in het donker heeft ook iets vakantie-achtigs. Je wordt als toeschouwer ingepakt door die sfeer, maar tegelijkertijd zie je hoe de acteurs die sfeer oproepen en manipuleren. De ‘achteloze’ gebaren die ze maken zodat de lichtpuntjes van de tafel wegvliegen en daar weer naar terugkeren.
Eigenlijk is dat de hele scene. Wat er precies wordt gezegd is onbelangrijk, je kunt het ook nauwelijks verstaan. De manier waarop er wordt gesproken vertelt genoeg. Er klinkt een zekere opwinding in de fluisterstemmen, en toch overheerst er een gemoedelijke rust. Alsof deze mensen voor de zoveelste keer in dezelfde discussie zijn beland. Het meningsverschil verloopt volgens een ritueel patroon. Er wordt niets werkelijk uitgevochten, daarvoor is het te laat, is er te veel gedronken of kennen deze drie elkaar te lang.
Tot zover de beginscene van De menagerie van de schamele drie, een voorstelling op basis van de verhalen van de Vlaamse cultschrijver J. M. H. Berckmans. Het is voor het eerst dat Cie. de Koe de teksten voor een voorstelling niet zelf heeft geschreven, maar voor het resultaat maakt dat niet zo veel verschil. De menagerie… maakt net zo'n grillige, chaotische indruk als de andere stukken die ik van deze groep ken. Ook hier zijn de dialogen vermalen met muziek, verwerkt in hilarische acts, is de tekst ingebed in een ruwe montage waarbij licht, sfeer, toon en energie net zo sterk spreken als de woorden. De wonderbaarlijke transformatie van tekst in puur theater.
Peter Van den Eede heeft bijvoorbeeld een geweldige act als would be-popzanger die tussen de schuifdeuren Deep Purples Child in Time meebrult: microfoon in de ene hand, de platenhoes met de tekst in de andere hand. Op deze manier introduceert hij zijn personage. Zo heftig stort hij zich bij deze act ter aarde dat zijn pruik bijna af valt. Maar dat gebeurt ook bij de andere spelers/makers van deze voorstelling. Niet voor niets dragen ze alledrie een zelfde slechtzittende pruik. Het is tekenend voor de afstand die de spelers houden tot hun personages, de verlopen typen uit het zelfkantuniversum dat Berckmans in zijn boeken schept. Hilde van Mieghem toont zelfs aan het begin van de voorstelling een boek van Berckmans en kondigt aan dat ze er wat uit zal voorlezen. En de acteurs praten soms scenes lang in de derde persoon over hun personages: ’…zegt Jean-Marie’ volgt er dan steevast na een uitspraak.
Toch zetten ze intussen haarscherpe beelden neer van personages zoals degenen waarover ze het hebben. En in de loop van de voorstelling verglijdt het tonen bijna onmerkbaar in spelen. Dat mondt uit in een lange, volledig uitgespeelde dronkemansscene. Ook daarbij vallen zo nu en dan de pruiken af, maar dat krijgt tegen het einde van de voorstelling een andere betekenis. Die pruiken wijzen niet meer op de afstand tussen speler en personage. Het zijn niet meer de pruiken van de spelers, maar de slechtzittende pruiken van de personages, die zo dronken worden dat ze niets meer op te houden hebben. Die dronkemansscene zelf vond ik het minst interessante van de hele voorstelling. Zo'n scene heb ik te vaak op het toneel gezien. Maar nog nooit ben ik op deze manier, samen met de spelers, stapje voor stapje in die dronkemanswereld meegenomen.