Dronken van etnische paranoia

Ernest Gellner, Naties en nationalisme. Vertaling Magna van Soest, uitgeverij Wereldbibliotheek, 195 blz., f32,50. Michiel Ignatieff, Waar het bloed kruipt. Vertaling Eric van Domburg Scipio, uitgeverij Contact, 224 blz., f39,90
‘WE MOETEN HET erfdeel van onze voorvaderen in ere houden’, mopperde Tomas Masaryk, de eerste president van Tsjechoslowakije, aan het begin van de jaren dertig, ‘maar welk erfdeel?’ Oppervlakkig gezien had hij de culturele erfstukken natuurlijk voor het uitkiezen, maar dat was nu juist het dilemma. Een Tsjechische traditie bij uitstek bestond niet.

Er bestonden wel talloze tradities in Tsjechoslowakije, maar die lieten zich niet op bevel bundelen. Praag was van oorsprong een Oostenrijks-Hongaarse veelvolkerenstad. Pas aan het eind van de negentiende eeuw waren de Duitsers en Duitssprekende Polen en joden de ‘rechtgeaarde’ Tsjechen een doorn in het oog geworden. In 1892 verwijderden Tsjechische nationalisten de tweetalige straatnaamborden. De intellectuele kruisbestuiving maakte plaats voor het taalgetto. 'Nooit stak een Duitser meer zijn sigaret aan met een lucifer van de Tsjechische schoolvereniging, evenmin als een Tsjech de zijne aanstak met een lucifer van de Duitse schoolvereniging’, schreef de journalist Egon Kisch. 'Geen Duitser liet nog zijn gezicht zien in de Tsjechische societeit, geen Tsjech in het Duitse casino.’
De Duitstalige politici namen venijnig en - in het licht van de latere gebeurtenissen - gruwelijk wraak door alle Duitsers in Tsjechoslowakije te benoemen tot 'Sudetenduitsers’ en een aparte status voor hen op te eisen. De Polen moesten Tsjechisch leren en de joden heetten voortaan 'kosmopolieten’. De tragedie van Masaryk is dat hij, toen de langverbeide nationale onafhankelijkheid eenmaal was bereikt, presideerde over een gescheiden boedel.
De geschiedenis van het nationalisme wemelt van zulke ontluisterende momenten, die de intellectuele aanspraken van zijn aanhangers ontkrachten en zijn leiders tonen in hun ware gedaante: gemankeerde kunstenaars, machtsdronken folkloristen en generaals op toneelhakken. Hun geschiedschrijving is vals, hun kunst is kitsch en het 'volkskarakter’ waarop ze hun politiek baseren is een halffabrikaat van de negentiende-eeuwse romantiek.
Volgens de Britse historicus Eric Hobsbawm blonk de vorige eeuw uit door een 'massaproduktie’ van zulke fictieve tradities. Een voorbeeld is de Schotse nationale dracht: de kilt en tartan zijn geen overlevering uit de vroege middeleeuwen, toen Scoten en Picten barrevoets door de Hooglanden trokken op jacht naar prooi en huwbare maagden, maar de uitvinding van een chauvinistische negentiende eeuw die graag met heidense parafernalia pronkte.
Nationalistische propagandisten zijn dan ook nauwelijks de moeite van het bestuderen waard, ware het niet dat hun onvermoeibaar ijveren voor een of ander Groot-Imbecilie telkens weer uitloopt op moord en doodslag. Zoals de Joegoslavische dichter in Amerikaanse ballingschap Charles Simic vorig jaar in Die Zeit schreef: 'Te moeten toezien hoe Joegoslavie zich van zijn bestanddelen ontdoet, is alsof je moet toezien hoe een man zichzelf in het openbaar verminkt. Hij is er al in geslaagd zijn benen, zijn armen en zijn ogen uit te rukken, en nu probeert hij in zijn waanzin om met zijn tanden zijn hart uit te scheuren. Tussen twee beten door roept hij ons toe dat hij een martelaar voor een heilige zaak is, maar wij weten dat hij krankzinnig, dat hij abnormaal dom is.’
Het nationalisme heeft onmiskenbaar een forensisch aspect, vergelijkbaar met de waan van een psychotische patient die op zichzelf betekenisloos, maar in het leven van die patient wel degelijk functioneel is, al is het maar omdat het in het uiterste geval tot moord of zelfmoord leidt. Een zuivere analyse moet radicaal afstand kunnen nemen van die waanzin en tegelijk de fatale verlokking, de zuigkracht ervan verklaren. Helaas is politicologie ook maar mensenwerk.
DE BRITSE antropoloog Ernest Gellner deed reeds in 1983 een poging in Nations and Nationalism, een boek dat in elk geval de vereiste afstand bewaart. Nationalisten streven ernaar om elke cultuur - of althans die van henzelf - een eigen politiek onderdak te geven, en niet meer dan een onderdak, zo vat Gellner hun standpunt samen. Maar hun cultuurbegrip is doorgaans zo vaag dat er geen staatsvorm of onbetwiste grenzen uit zijn af te leiden.
Wat betekent het bijvoorbeeld dat een natie een 'gemeenschappelijk verleden’ heeft? De Tachtigjarige Oorlog maakt deel uit van zowel de Spaanse als de Nederlandse geschiedenis, maar hebben wij daarom dezelfde cultuur of dezelfde nationale identiteit als de Spanjaarden? In de praktijk vernauwen nationalisten het begrip cultuur meestal tot een concreet begrip, bijvoorbeeld taal. En daarmee, aldus Gellner, hebben we meteen de eerste waan bij de kop. Volgens schattingen van linguisten zijn er in de wereld achtduizend talen en dus evenveel 'potentiele’ nationalismen. Van de achtduizend volken met een eigen taal zijn er in de moderne tijd maximaal achthonderd tot natievorming gekomen, een score van een op tien. Als we alle combinaties van taal, godsdienst en 'gemeenschappelijk verleden’ die nationalisten als basis voor natievorming aanvoeren in aanmerking nemen, ligt de score nog lager. De meeste naties wachten kennelijk niet het ogenblik af waarop ze worden 'gewekt’, maar eindigen roemloos op Clio’s schroothoop. Het nationalisme is dus een bijzonder zwakke kracht in de moderne geschiedenis. Voor wie zich nog niet door de slaapkamerogen van Karadzic heeft laten hypnotiseren is dat goed nieuws.
Slaagt een 'natie’ er eenmaal in om een staat te worden, dan blijkt die staat gebaseerd te zijn op het reeds genoemde amalgaam van geschiedvervalsing en kunstmatige tradities. Een gecentraliseerde staat met vastomlijnde grenzen is op zichzelf al vreemd aan de agrarische culturen waaraan de meeste nationalisten hun inspiratie ontlenen, en het eerste wat geslaagde nationalisten doorgaans doen is grote schoonmaak houden onder overgeleverde instellingen en lokale tradities, teneinde hun land in hoog tempo te moderniseren.
Tegenover de claim dat elke natie de draagster van een eeuwenoude belofte is, stelt Gellner dan ook dat natievorming een bij uitstek modern verschijnsel is: 'Het nationalisme is dus niet het ontwaken en zich doen gelden van deze mythische, zogenaamd natuurlijke en gegeven eenheden. Het is integendeel het uitkristalliseren van nieuwe eenheden, geschikt voor de nu heersende omstandigheden, hoewel ze wel gebruik maken van de culturele, historische en andere nalatenschappen uit de prenationalistische wereld, als ruwe grondstoffen.’
In plaats van de nationalistische ideologie verder uit te diepen, tracht Gellner aan te geven voor welke omstandigheden die eenheden zo geschikt zijn, anders gezegd: wat er functioneel is aan het nationalisme. En hij komt tot de slotsom dat de culturele homogeniteit die elk nationalisme nastreeft een antwoord is op de eisen van de industriele samenleving. Die samenleving verlangt van haar leden sociale mobiliteit, een hoge opleidingsgraad, het vermogen tot abstracte communicatie tussen individuen, groepen en instanties, een voortdurende economische groei en een gecentraliseerde overheid die de voor dit alles vereiste infrastructuur aanlegt. Alleen een cultuur die als vehikel voor al deze aanpassingen kan dienen - door Gellner 'hoge cultuur’ gedoopt - bereikt eventueel het stadium van natievorming.
Welke culturen de status van 'hoge cultuur’ verwerven, is volgens Gellner afhankelijk van allerlei historische omstandigheden die niet in wetmatigheden te vangen zijn. Doorslaggevend is dat de moderne mens zo'n homogene, hoge cultuur nodig heeft om maatschappelijk te overleven: 'De kans op werk, de waardigheid, de zekerheid en het zelfrespect van individuen hangen nu op typerende wijze en voor het overgrote deel van de mensen af van hun opleiding; en de beperkingen van de cultuur waarin ze werden opgeleid zijn ook de beperkingen van de wereld waarin ze, in moreel en beroepsmatig opzicht, kunnen ademen. Daardoor is een wereld ontstaan die in hoofdzaak, kleine uitzonderingen daargelaten, voldoet aan de nationalistische eis: het samenvallen van cultuur en bestuursvorm.’ Vandaar dat overal waar bevolkingsgroepen van een hoge cultuur worden uitgesloten, zodat de leden geen deel hebben aan de groeiende mobiliteit in de samenleving, de grootste problemen rijzen.
DIT VERSCHIJNSEL begeleidde de industrialisatie overal ter wereld. Om te beginnen bereikte de industrialisatie niet alle volken en bevolkingslagen tegelijkertijd en veroorzaakte ze ontwrichtingen die een uiterst taai ressentiment opriepen. Maar pas wanneer mensen zich achtergesteld voelden en ontdekten dat anderen met dezelfde taal, godsdienst of 'gemeenschappelijke geschiedenis’ eveneens werden achtergesteld, ontstond een natie. Met een knipoog naar Marx concludeert Gellner: 'Pas als een natie een klasse werd, een zichtbare en ongelijk verdeelde categorie in een in andere opzichten mobiel systeem, werd ze politiek bewust en activistisch. Pas als een klasse toevalligerwijs een “natie” was, veranderde ze van een klasse-in-zichzelf tot een klasse-voor-zichzelf, of een natie- voor-zichzelf. Naties noch klassen zijn blijkbaar politieke katalysatoren: alleen natieklassen of klassenaties zijn dat.’
In de optiek van Gellner is natievorming dus een spontaan proces, waarbij de uitleg van de nationalistische leiders er eigenlijk niet toe doet. Hun gloedvolle betogen sanctioneren het proces slechts. 'Naties als een natuurlijke, van God gegeven wijze om mensen te classificeren, als een inherente maar lang uitgestelde politieke bestemming zijn een mythe; het nationalisme, dat soms bestaande culturen omvormt tot naties, ze soms uitvindt en soms eerder bestaande culturen wegvaagt, dat is een realiteit, goed of slecht, en er valt meestal niet aan te ontkomen. De lieden die daar vorm aan geven, weten niet wat ze doen, maar dat is een andere kwestie.’
Voordat de mensheid een diffuse wereldcultuur heeft geschapen die niemand meer buitensluit, kunnen we volgens Gellners theorie nog heel wat nationalistische erupties verwachten. Zijn boek laat een zekere uitweg open naar een oplossing van de etnische conflicten in de moderne wereld, maar niet meer dan een smalle uitweg. Het is een impliciet pleidooi voor een wereldwijde erkenning van de rechten van nationale minderheden, van Kroatie tot Tibet, zodat het behoren tot een culturele minderheid geen sociaal of zelfs fysiek doodvonnis meer inhoudt.
Toch is Naties en nationalisme - dat werd geschreven voor het einde van de Koude Oorlog - hoofdzakelijk geent op het negentiende- eeuwse nationalisme, dat bij al zijn dwalingen tenminste naar modernisering en emancipatie streefde. Het mist de dimensie van de waanzin die het moderne nationalisme aankleeft: de mengeling van angst en fatalisme waarmee mensen elkaar op de drempel van het jaar 2000 uitmoorden, niet omdat ze niet kunnen samenleven, maar omdat ze dat niet willen.
MICHAEL IGNATIEFF, schrijver, essayist en medewerker van de Late Show van de BBC, is vorig jaar door zijn broodheren vrijgesteld om juist de realiteit van het nieuwe nationalisme te onderzoeken. Hij reisde met een cameraploeg naar voormalig Joegoslavie, Duitsland, Oekraine, Quebec, Koerdistan en Noord-Ierland om die realiteit in zoveel mogelijk verschijningsvormen vast te leggen, en daarbij filmde en interviewde hij er lustig op los zonder zich al te zeer te laten leiden door theoretische uitgangspunten. Hetzelfde geldt voor zijn boek Waar het bloed kruipt, waarin hij verslag doet van zijn bevindingen.
Weliswaar maakt hij bij wijze van inleiding een onderscheid tussen burgerlijk en etnisch nationalisme, maar hij presenteert in een adem ook zijn echte visitekaartje: 'Ik wou dat ik meer talen sprak, ik wou dat ik in meer landen had gewoond, en ik wou dat meer mensen begrepen dat emigratie niet hetzelfde is als ballingschap: het is slechts de manier waarop diegenen die hun vaderland kiezen in plaats van het te erven, zich ergens thuisvoelen.’
Als zovelen dacht Ignatieff dat de val van de Berlijnse Muur een nieuw tijdperk zou inluiden, waarin het nationalisme en provincialisme plaats zouden maken voor een wereldwijde marktcultuur, democratie en de zegeningen van het kosmopolitisme. Het was een ruw ontwaken en de teleurstelling klinkt in ieder hoofdstuk door.
Als geen ander weet Ignatieff de sluimerende weerzin onder woorden te brengen van de liberale wereldburger bij de confrontatie met zijn natuurlijke vijand. Bij een grensovergang van Kroatie naar Servie wordt de BBC-ploeg aangehouden door een groepje dronken militieleden. Wanneer de proleet van dienst hen onder bedreiging met een pistool hun bestelbusje wil ontfutselen, worden ze gered door twee jeugdige Canadese soldaten uit een aanpalende VN-post. 'Dat was het ogenblik tijdens mijn zoektocht naar het nieuwe nationalisme waarop ik begon te begrijpen hoe de nieuwe wereldorde er feitelijk uitziet: paramilitairen die, dronken van de pruimenbrandewijn en de etnische paranoia, elkaar beschieten over een troosteloos niemandsland, met een controlepost tussen hen in die daar is neergezet door iets wat met een duur woord de internationale gemeenschap wordt genoemd, maar die in feite slechts wordt bemand door twee angstige adolescenten; en een filmploeg die zich een seconde of twee afvraagt of ze het er levend van af zal brengen.’
WAAR HET BLOED kruipt is echter meer dan het boek bij de serie. Het is een aaneenschakeling van observaties zoals alleen een geboren televisiemaker, die eerst kijkt en dan pas over de relevantie van de beelden oordeelt, die kan vastleggen. Bij enige voorbeelden van nationalistische kunst - zoals de propagandaposter waarop Hitler staat afgebeeld in Teutoons kostuum, gezeten op een strijdros - merkt hij op dat zij noodgedwongen kitsch is, omdat oprechte kunst altijd persoonlijk is en nationalistische kunst per definitie collectief: 'Hitler was geen kunstenaar van het politieke, maar gewoon een volleerd kenner van kitsch.’
Overal waar hij kwam werd Ignatieff getroffen door de kitsch, de goedkope sentimenten en de onwaarachtigheid van de nationalistische retoriek - in het welvarende en democratische Canada, waar de Franse separatisten zich heimelijk schamen voor hun idiote streven naar onafhankelijkheid, niet minder dan in de heuvels van Koerdistan of voormalig Joegoslavie. 'Serviers die je in een adem vertellen dat alle Kroaten Ustasa-beesten waren, om vervolgens herinneringen op te halen aan gelukkiger tijden toen ze in vrede met hen samenleefden.’ Het is alsof de mensen actief hun eigen ervaring censureren, bevangen door het verlangen ergens bij te horen. Bewijzen kan hij het niet, maar volgens Ignatieff is er een rechtstreeks verband met geweld: 'Het is onmogelijk dit intense gevoel van aanhorigheid te hebben zonder geweld, aangezien dit gevoel het individuele geweten vormt: als een natie mensen een reden geeft om zichzelf op te offeren, geeft ze hun ook een reden om te doden.’