Droogkloot in een oorlog

‘Martin was veranderd. Dat viel me meteen op toen hij in de deuropening verscheen en opgewonden verkondigde dat het oorlog was. Het was woensdagochtend 5 augustus 1914. Ik zat te lezen in Paradise Lost. Zijn komst verraste me meer dan zijn woorden. Ik wist niet wat te zeggen.’
Klassiek begin van een klassieke ik-roman. Je wilt als schrijver uiteraard zo snel mogelijk de situatie neerzetten, de sfeer en toon van het geheel, en niet te veel uitleggen, dat kan altijd nog. En het lukt: Brijs’ intro geeft vooral een scherp beeld van de ik-figuur. De opwinding over het begin van de oorlog is bij Martin wél groot maar de ik-figuur leest een boek (en wat voor een!), alsof er niks aan de hand is, hij houdt afstand. Let ook op de merkwaardig plechtige taal: Martin 'verschijnt’ in de deuropening en hij 'verkondigt’ dat het oorlog was, hij roept of schreeuwt het niet. Die plechtstatigheid van stijl en woordkeus kleurt de hele roman, ze geeft er iets ouderwets aan, maar creëert ook distantie. Brijs wilde zijn ik-figuur, de nogal dromerige en onpraktische literatuurstudent John Patterson, niet in het opgewonden jargon laten praten van de Engelse oorlogspropaganda uit 1914-1918. Dat legt hij in de mond van anderen. Deze stilistische aanpak gaf hem ook de mogelijkheid zich niet te verliezen in al te opgewonden beschrijvingen van oorlogshandelingen.
Misschien probeerde Brijs met deze stijl bij lezers de sfeer en illusie van het verleden op te roepen, geen postpostmoderne flauwekul, geen al te opzichtige trukendoos. Ouderwets schrijven. Hij houdt het in ieder geval de hele roman vol, zie de volgende scène op het slagveld: 'Luitenant Ashwell ploeterde naast me voort. Hij hield zijn blik wel strak voor zich gericht, als een paard met oogkleppen, maar ook dan kon hij onmogelijk elk lichaam uit zijn gezichtsveld bannen, zeker niet toen we de versperringen van prikkeldraad bereikten vol lijken van mannen die er tijdens nachtelijke patrouilles in verstrikt waren geraakt en er weken en maanden later nog altijd in hingen, als boksers in de touwen.’
Niet wat je noemt geschreven in een gejaagde reportagestijl om ons aan het gruwen te krijgen, geen verschrikte innerlijke monoloog vol verwarring en waanzin. Eerder een bedachtzame en overigens zeer precieze stijl van iemand die er eens rustig voor is gaan zitten en geen heil ziet in al te opgewonden gedoe. Misschien zit ik te veel vast in het idee dat oorlog in romans opgewonden moet zijn, oorlog is pats, boem, knal, zoiets. Ik moet er maar eens voor behandeld worden, in ieder geval aarzelde ik steeds over de bedaarde stijl van deze roman.
Wat wilde Brijs precies met dit boek en deze stijl bereiken? Ons inpeperen dat oorlog waanzin is en zeker de Eerste Wereldoorlog? Maar dat wisten we al uit de steeds maar aanzwellende stroom fictie en non-fictie rondom die tijd waarin de schandelijkheden van juist deze oorlog steeds opnieuw worden benadrukt. Dus daar moet het hem niet om gegaan zijn. Maar waarom zag hij dan geen heil in surrealistische of dadaïstische verslaggeving van de waanzin? Al was het maar in een paar onbehoorlijk krachtige en bloederige gevechtsscènes die alle andere oorlogsscènes in alle andere oorlogsboeken zouden doen verbleken? Zoiets zou je toch als schrijver moeten willen, denk ik, iets toevoegen, een rare of gemene of angstaanjagende tour de force in beschrijvingskunst waarmee je in één klap alle oorlogsscènes van alle voorgangers, Remarque, Robert Graves of Hemingway of wie dan ook probeert te overtreffen in krankzinnigheid, nuchterheid of raar opgewonden vertoon.
Brijs liet zijn keuze voor deze stijl uiteraard leiden door het voorzichtige karakter van de ik-figuur. Dat is nu eenmaal een wat bleke figuur, geen held, geen pacifist, ergens ertussenin, een jongen die in literatuur vlucht, zelfs als de druk om zich vrijwillig in het Engelse leger aan te melden steeds maar toeneemt. Ik kon me dus bij de keuze voor deze plechtige schrijfstijl wel iets voorstellen maar het bleef tijdens lezing aan me knagen. Waarom precies zinnen als 'Velen onder ons hadden nog nooit een lijk gezien’, of 'ook al schreeuwde alles in me om aan Chapmans raad gehoor te geven’, of 'de gedachte aan de vele slachtoffers liet me niet los’. En de rest.
Wat is die John Patterson toch een rare droogkloot als je dat allemaal leest, kon hij niet eens een keer flink uit zijn bol gaan? Of gewoon een boerenlul zijn? Maar dat is te veel gevraagd. Hij blijft maar peinzend, afstandelijk, alles in het nette, moeizaam formulerend en vertellend, zelfs onder de meest barre omstandigheden. En ook nog bijna katholiek worden. Terwijl het verhaal dat Brijs te vertellen heeft toch allerlei morbide kanten heeft. De postbode die de doodsberichten aan de ouders van de soldaten niet bezorgt, de leugenachtige kletspraatjes in die doodsberichten van meerderen over de 'heldhaftige dood’ van de zonen en geliefden terwijl die gewoon opgeblazen werden bij een of andere zinloze actie.
Pas tegen het einde komt er wel enige zelfkennis bij John omhoog, maar ook dan is het allemaal keurig geformuleerd. 'Ik had al jaren een leven van steen geleid. (…) Ik keek om me heen, naar de barak vol lege bedden, het puin dat op de vloer lag, de geknakte balken van het dak, en dacht, dit ben ik, dit is mijn lichaam, mijn ziel, een ruimte waarin iedereen altijd slechts op doortocht is geweest, waar niemand wilde of kon blijven, waar wind en regen vrij spel hadden.’
Het was raar: ik werd bij lezing van de roman steeds rustiger, er kwam iets over me van ja, het was best moeilijk in die tijd, je kunt beter niet aan oorlog beginnen, vrede blijft beter, laat dat een les zijn voor de politiek, goed overleg moet toch altijd een uitweg bieden. Zou dat de bedoeling van deze roman geweest zijn? Of zit ik vast in een veel te banale opvatting over wat een goede oorlogsroman is?

STEFAN BRIJS
POST VOOR MEVROUW BROMLEY
Atlas, 506 blz., € 19,95