Obama vs Romney: Essay - Wanneer komt de massa in beweging?

Droom vooral door

Voor Amerikanen die structurele veranderingen in hun politieke en economische systeem nastreven, maakt stemmen op Barack Obama of Mitt Romney weinig verschil. Voor hen is het nog steeds 1948 – en Amerika is een ‘uitzonderlijk’ land.

‘Waar bleven jullie toch zo lang?’ vroeg de Canadese schrijfster en activiste Naomi Klein toen ze op 6 oktober 2011, de negentiende dag van de bezetting van Zuccotti Park in Manhattan, de verzamelde activisten van Occupy Wall Street toesprak. De vraag was terecht, besefte ik, terwijl ik haar woorden samen met honderden andere aanwezigen herhaalde, niet bij wijze van geloofsbelijdenis, maar omdat Klein door de human mic sprak: elke uitgesproken zin werd door de omstanders luidkeels nagezegd, opdat ook de duizenden elders op het plein konden meeluisteren.

Waar bleven jullie toch zo lang? In mijn eigen werk heb ik me de afgelopen jaren door een vergelijkbare vraag laten leiden: hoeveel langer pikt het Amerikaanse volk dit nog? En met ‘dit’ bedoel ik nog niet eens de onwinbare oorlogen in Afghanistan en Irak, de bail out van Wall Street of de bijna tweeënhalf miljoen Amerikanen die in de gevangenis zitten, hoewel dat natuurlijk geen kleinigheden zijn. Amerika’s onvrede heeft een diepere oorzaak: Amerikanen worden dagelijks gekoeioneerd, gekleineerd en belazerd. Blijf in je hok, wordt ze verteld, en houd je koest. Kijk naar de absurditeiten, leugens, trivia en roddel die de televisie je 24 uur per dag voorschotelt. Steek je energie in populair vermaak. Voor het overige: consumeer. Haal het maximale uit je creditcard, maar betaal wel je schulden af, anders komen we achter je aan. Laat je in je spaarzame vrije tijd bedelven onder reclameboodschappen. Droom de Amerikaanse Droom. En bedruip je met de kruimels die de winnaars voor je achterlaten.

Ondertussen wordt wel van Amerikanen verwacht dat ze tot in den treure de leuzen van hun leiders over democratie, Amerikaans exceptionalisme en vrijheid scanderen – ‘Yes we can!’ Dat ze elke vier jaar komen stemmen in het politieke theater dat voor vertegenwoordigende democratie moet doorgaan. Dat ze hun jongvolwassen kinderen de wereld over sturen om voor ’s lands veiligheid te doden en te sterven, of, nog cynischer, ter bevordering van de democratie wereldwijd. Dat ze negeren dat bedrijven als Halliburton en Xi miljarden dollars verdienen aan diezelfde oorlogen. Dat ze apathisch toekijken hoe hun twee politieke partijen in naam van het terugdringen van het begrotingstekort de povere restanten van de welvaartsstaat om zeep helpen. Dat ze betalen voor het wangedrag van Wall Street, terwijl ze zelf hun huis uit worden gezet of failliet worden verklaard.

Het begint Amerikanen eindelijk te dagen dat er iets niet in de haak is in hun land, om het nog vriendelijk te zeggen. De activisten van de rechtse Tea Party-beweging trokken die conclusie begin 2009, in eerste instantie in reactie op de bail out van de financiële sector. Met groots kabaal lieten ze weten dat ze zich niet vertegenwoordigd voelden door Washington – niet door hun Republikeinse volksvertegenwoordigers in het Congres en al helemaal niet door de Democratische regering-Obama. Tijdens straatprotesten en town hall-bijeenkomsten maakten ze duidelijk wat voor hen belangrijk is: dat de staatsschuld wordt teruggedrongen en dat de overheid zich zo min mogelijk met hun levens bemoeit – dat laatste vooral niet met belastingverhogingen of zoiets socialistisch als universele gezondheidszorg. (Maar kom niet aan de bestaande gezondheidszorg voor ouderen.)

In de nazomer van 2011 volgden de activisten van Occupy Wall Street. Ook zij voelen zich gemarginaliseerd, getuige hun in zekere zin vergelijkbare boodschap: de politiek zit in de zak van de één procent rijkste Amerikanen, terwijl het volk, ‘the 99 percent’, wordt genaaid. De grieven van de meer links georiënteerde Occupiers betreffen echter vooral inkomens­ongelijkheid en ander sociaal onrecht, kwesties waarover je de Tea Partiers niet snel zult horen. Bovendien zien de Occupiers maar wat graag dat de overheid iets aan genoemde klachten gaat doen.

De Tea Partiers zijn inmiddels opgegaan in de Republikeinse Partij, die daarmee een verdere ruk naar rechts heeft gemaakt. Ook de Occupiers zijn met hun op termijn onhoudbare strategie van bezetting van openbare ruimtes minder zichtbaar geworden. Zij hergroeperen zich momenteel online. Maar voor beide groepen activisten geldt dat hun grieven nog even diepgevoeld zijn.

Andere activisten concentreren zich juist op een enkele kwestie, zoals de milieuactivisten van 350.org, die onder leiding van Bill McKibben en Naomi Klein de Amerikaanse overheid willen dwingen klimaatverandering hoog op de agenda te zetten. De activisten van Public Citizen zetten zich in voor het terugdraaien van de rechterlijke uitspraak ‘Citizens United’ (2010), waarin het Supreme Court de deur openzette voor bedrijven om zich met het verkiezingsproces te bemoeien. Weer anderen zoeken het op lokaler niveau, zoals de food movement, die bijvoorbeeld door de oprichting van voedselcoöperaties de macht van de voedselindustrie wil breken, of de mensen van het New Economics Institute die door de introductie van lokale valuta regionale economieën uit de greep van Wall Street en big business proberen te houden.

Ondertussen is in Washington een politiek debat gaande dat zo goed als niets te maken heeft met de pogingen van activisten om Amerika te veranderen. Het is een debat dat de media presenteren als een doorlopend conflict tussen links en rechts, tussen liberalisme en conservatisme – twee radicaal verschillende ideologieën waarvan de onderlinge verschillen niet langer overbrugbaar zouden zijn. Maar de verschillen tussen de Democraten en Republikeinen betreffen hoogstens de uitvoering. Beide partijen onderschrijven een economisch systeem dat het best te definiëren is als een _winner-takes-all-_kapitalisme: stimuleer de consumptie, de markt doet de rest. Moge de beste, of beter de invloedrijkste winnen.

Dat is niet het beeld dat de mediaconsument krijgt voorgeschoteld. Het verschil tussen beide partijen, zo luidt het 24 uur per dag geoffreerde narratief, zit ’m erin dat de Democraten een grotere rol zien weggelegd voor de overheid dan de Republikeinen, die tegen big government zijn en maximale keuze­vrijheid voor het individu voorstaan (ja, natuurlijk niet als het om abortus of homorechten gaat). Een blik op de naoorlogse geschiedenis leert echter dat de overheids­uitgaven – en begrotingstekorten – onder Republikeins bewind minstens net zo hard groeien als onder Democraten. De accenten zijn hoogstens verschillend. Republikeinen spenderen graag aan defensie, handhaving van de openbare orde en subsidies voor het bedrijfsleven. Democraten doen dat alles ook, maar zijn tevens geneigd geld te reserveren voor sociale voorzieningen, onderwijs, milieu en wetenschap. Maar als puntje bij paaltje komt, buigen ook de Democraten voor de belangen van het grote geld, dat door campagnedonaties, lobbyisten en gesponsorde denktanks zijn invloed doet gelden in Washington DC.

Centraal in het winner-takes-all-­kapitalisme staat een koppig streven naar economische groei, gemeten als percentage van het bruto nationaal product – een ongewenste en wellicht zelfs onmogelijke missie nu de aarde opwarmt en het einde van de voorraad fossiele brandstoffen in zicht komt. Het is tevens een streven dat blind is voor de groeiende inkomensongelijkheid. Tussen 1979 en 2007 zijn de inkomens van de één procent rijkste Amerikanen met 275 procent gestegen, zo berichtte de Congressional Budget Office in oktober 2011. In diezelfde periode stegen de inkomens van de onderste twintig procent slechts met achttien procent; gecorrigeerd naar inflatie stagneerden die lonen zelfs, een verschijnsel dat ook wel The Great Stagnation wordt genoemd. De ongelijkheid wordt versterkt door het stugge streven naar meer economische groei. De econoom Emmanuel Saez heeft berekend dat na de financiële crisis 93 procent van de inkomensgroei als gevolg van de economische stimulus van president Obama bij de rijkste één procent Amerikanen is terechtgekomen.

Terwijl de rijken rijker worden, worden de armen armer. Volgens het Census Bureau leefden 46,2 miljoen Amerikanen, oftewel 15,1 procent, in 2010 onder de armoedegrens, die voor een gezin van vier op een jaar­inkomen van 22.162 dollar ligt. Nog eens 97,3 miljoen Amerikanen zaten dat jaar in de categorie ‘lager inkomen’, oftewel tussen honderd en 199 procent van de armoedegrens. Dat betekent dat 143,5 miljoen Amerikanen, bijna de helft van de bevolking, arm of bijna arm zijn. De middenklasse zakt weg. Dat is met de beste wil ter wereld geen goede ontwikkeling te noemen – wat je politieke gezindte ook is.

Geen wonder dat de waarderingscijfers voor het Amerikaanse Congres inmiddels, op een schaal van honderd, onder de tien liggen. Zo laatdunkend dachten Amerikanen nog niet eerder over hun volksvertegenwoordigers sinds onderzoeksbureau Gallup in 1974 dit sentiment begon te peilen. Ook is het niet verbazingwekkend dat Amerikanen nauwelijks nog te porren zijn om te stemmen: wie geen verwachtingen koestert van een systeem voelt zich niet geroepen op een kandidaat te stemmen die uit datzelfde systeem voortkomt. Politici proberen hierop in te spelen door zich te positioneren als de anti-Washington-kandidaat. Tijdens de presidentsverkiezingen van 2008 presenteerden de senatoren John McCain en Barack Obama zich respectievelijk als non-conformist (maverick) en lokaal activist (community organizer). Het electoraat werd er nauwelijks warm van. Ondanks de ongeëvenaard grote media-aandacht, de duurste campagnes aller tijden en het enthousiasme ter linkerzijde voor een kandidaat die grote veranderingen beloofde, bracht uiteindelijk slechts 61,6 procent van het electoraat zijn stem uit. In 2010, voor de tussentijdse parlementsverkiezingen, kwam nog maar 40,9 procent opdagen – en dat was nog vooral te danken aan het enthousiasme van de Tea Party-activisten.

In 2012 probeert de Republikeinse presidentskandidaat Mitt Romney iets vergelijkbaars door zich te presenteren als een zakenman uit de private sector – alsof hij niet vier jaar lang gouverneur was van de staat Massachusetts. Dit jaar zal het met de opkomst ongetwijfeld net zo droevig gesteld zijn. Als we de nieuwsmedia mogen geloven, zien we nu met Obama en Romney een ideologisch gevecht op het scherp van de snede. Maar het soms bijna kinderachtig aandoende gekissebis over de hoogte van de corporate tax rate of wie nou schuldig is aan de aanhoudend hoge werkloosheid (nu 7,8 procent) – Obama met zijn misplaatste stimulusplan of de Republikeinen die Obama in alles tegenwerken? – heeft weinig van doen met de depressieve toekomstperspectieven van miljoenen Amerikanen. Veelzeggend zijn de onderwerpen die in de presidentiële debatten niet aan de orde komen: klimaatverandering, de vele gevangenen, het aantal doden door schietwapens, de krankzinnige war on drugs, het groeiend aantal armen, het winstbeginsel in de zorg waardoor de kosten daarvan maar blijven stijgen, de niet te stuiten uitbreiding van het militaire en veiligheidsapparaat.

Denk echter niet dat politici uit zichzelf het politieke en economische systeem gaan hervormen, alle mooie woorden van vermeend linkse presidenten als Barack Obama en Bill Clinton ten spijt. Ze varen er simpelweg te wel bij. Het is aan de mensen om hun vertegenwoordigers te dwingen tot daadwerkelijke verandering, in het uiterste geval door te besluiten ze op straat te zetten en zelf het heft in handen te nemen.

In Anatomy of a Revolution (1938) beschreef de historicus Crane Brinton de omstandigheden die in de regel tot succesvolle revoluties leiden: onvrede onder bijna alle sociale klassen; wijdverspreide gevoelens van wanhoop en moedeloosheid; onvervulde verwachtingen; een solidaire oppositie tegen een machtselite; een academische wereld die weigert nog langer de heersende doctrines te verdedigen; een overheid die niet meer in staat is om in de basisbehoeften van haar burgers te voldoen en, uiteindelijk, een financiële crisis.

Amerika is nog niet zo ver. De academische wereld is bijvoorbeeld maar wat bereid om het winner-takes-all-kapitalisme te blijven verdedigen. En mocht de politiek daarmee instemmen, dan kan de overheid prima voorzien in de basisbehoeften van al haar burgers. Maar de onvrede is wel degelijk in alle lagen van de bevolking voelbaar. Op de publieke tv-zender pbs vatte de politiek commentator John Heilemann de sentimenten van het Amerikaanse volk onlangs als volgt samen: ‘75 procent van de mensen is het met elkaar eens dat de kaarten tegen hen geschud zijn; dat de allerrijksten zich in een dusdanig bevoordeelde positie bevinden dat ze altijd en op oneerlijke wijze van de rest van ons winnen; dat de macht van banken en bedrijven moet worden ingeperkt. Dat is een onvoorstelbaar grote meerderheid die weet: hier klopt iets niet.’

Kortom, revolutie is wellicht een wat groot woord voor de sociale onrust die Amerika de komende jaren te wachten staat, maar dat het onrustig blijft, lijkt ongeacht de verkiezingsuitslag een uitgemaakte zaak.

Hier in New York, waar ik sinds december 2004 woon, zal ik me overigens niet snel aan een klaagzang als hierboven overgeven – althans, niet in gezelschap van mijn New Yorkse vrienden. En niet alleen omdat die doorgaans ‘linkse sympathieën’ koesteren: zij ervaren zelf dagelijks de misstanden van het Amerikaanse leven. Ze weten hoe het is om een baan die je haat aan te houden vanwege de ziektekostenverzekering. Iedereen kent wel iemand die zonder opgaaf van redenen ontslagen is, of iemand die failliet is gegaan vanwege creditcardschulden of een ziekenhuisrekening, of het is hun zelf overkomen. En net als ik weten ze dat elke avond een leger sloebers door de straten trekt om flessen te verzamelen waarop statiegeld zit. De 35 dollar die zo’n nachtelijke strooptocht ongeveer oplevert, is een broodnodige aanvulling op hun bijstandsuitkering, die sinds de hervormingen van het sociale stelsel door president Clinton zo’n tweehonderd dollar per maand is – exclusief voedselbonnen en huursubsidie, dat wel.

En dit is nog New York, een stad waar zoveel rijkdom is dat er altijd genoeg kruimels overblijven voor de minder bedeelden. Maar ga eens in het diepe Zuiden kijken, in Alabama of Louisiana, of in de Appalachen, de langgerekte bergstreek in het Midden-Westen waar miljoenen Amerikanen al generaties lang op een houtje bijten. Nog triester is het gesteld met voorheen bruisende steden als Detroit, St. Louis of Cleveland.

Zelf deed ik in december 2010 het relatief onbekende Camden aan, Amerika’s armste en gevaarlijkste stad, gelegen in het zuiden van de staat New Jersey. Ziehier wat het winner-takes-all-kapitalisme doet met zijn verliezers: het ontdoet ze van alle waardigheid.

Als eerste bezocht ik het bedrijf Fanelle’s Sons, dat handelt in gebruikt metaal. Bij binnenkomst links ligt op het modderige terrein een puntvormige schroothoop van afvoerpijpen, wasmachinetrommels en ander schrootmateriaal dat de inwoners van Camden aanleveren in aftandse pick-uptrucks en winkelwagens. Achter de metaalberg staat een toren van pakketjes samengeperst metaal, klaar voor verscheping naar Azië en Zuid-Amerika. In het kantoor van Fanelle’s Sons, een houten keet, warmen Brian Rogalski en een vrouwelijke collega de handen aan hun koffiemokken. Tegen de wand staan honkbalknuppels, duidelijk zichtbaar voor binnenkomende klanten. ‘Het helpt’, zegt Rogalski. ‘Maar als dat niet genoeg is, heb ik meer.’ Hij wijst veelbetekenend naar een la in zijn bureau.

Het gaat nog altijd goed met de zaken, vertelt Rogalski, ‘maar op zeker moment is er gewoon geen gebruikt metaal meer in Camden. De leegstaande gebouwen zijn volledig gestript. Zelfs als een huis maar een paar dagen leegstaat, bijvoorbeeld tussen twee huurperiodes in, breken ze ’s nachts in en slopen kranen en leidingen uit het huis. Eens in de zoveel tijd gaat er eentje dood bij het doorknippen van de leidingen omdat er nog stroom op het huis staat.’ Zelf woont Rogalski niet in Camden. ‘Veel te gevaarlijk.’ Hij heeft een advies voor mij: ‘Blijf op de hoofdwegen: als je de verkeerde afslag neemt, word je beroofd. Ook bij daglicht.’

Ooit was Camden een industriële grootmacht, ideaal gelegen aan de Delaware River, recht tegenover grote broer Philadelphia. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkten 36.000 mensen op Camdens scheepswerven aan de bouw van Amerika’s oorlogsfregatten. RCA Victor zat er, de platenmaatschappij van onder meer Elvis Presley, evenals Campbell’s Soup, beroemd van de soepblikken op Andy Warhols schilderij Campbell’s Soup Cans (1962). Maar de werven hebben al jaren geen schepen meer voortgebracht en rca is inmiddels onderdeel van Sony Music, dat Love Me Tender elders laat persen. Ook de soep wordt al lang niet meer in Camden gemaakt: Campbell’s is er alleen nog aanwezig met een streng beveiligd hoofdkantoor.

Het Camden van vlak na de oorlog was exemplarisch voor een Amerika waar de rest van de wereld met bewondering en naijver naar keek. Een land van democratische waarden en the rule of law. Een land dat de internationaal-rechtelijke principes als geen ander respecteerde en New York aanbood als vestigingsplaats voor de Verenigde Naties. Een land dat zijn inwoners uitstekend openbaar onderwijs bood, dat een onafhankelijke pers had die alle lagen van de samenleving een stem gaf en er niet voor terugdeinsde de allermachtigsten tot de orde te roepen. Een land dat zijn arbeiders hoge lonen betaalde, met dank aan de vakbonden en hun pleitbezorgers in de Democratische Partij, die er ook voor zorgden dat diezelfde arbeiders een fatsoenlijke zorgverzekering en een goed pensioen kregen. Het land waar een krantenjongen miljonair kon worden.

Nog altijd is Amerika het rijkste land ter wereld, althans gemeten naar het bruto nationaal product (bnp). Per inwoner ligt het bnp alleen in kleine landen als Luxemburg, Qatar en Singapore iets hoger. Maar zoals gezegd, deze rijkdom wordt verre van gelijk verdeeld. Bovendien, hoe rijk een land daadwerkelijk is, wordt vooral bepaald door wat het met die rijkdom doet. Terwijl een groot deel van de Amerikanen tegen of onder de armoedegrens leeft, besteden de Verenigde Staten een kleine twintig procent van de begroting aan defensie. Hoewel de infrastructuur hopeloos verouderd is en het land nauwelijks nog openbaar vervoer heeft, voert men liever een nieuwe ronde belastingverlagingen door dan in modernisering te investeren – dat is immers de taak van de markt, niet van de overheid.

Zo takelt Amerika inwendig af, en daar kan geen iPhone iets aan veranderen. Ook het internationale aanzien van Amerika brokkelt af. Het beeld van ‘Amerika als kracht voor het goede’ was al aangetast na Vietnam en de vele interventies in de jaren tachtig ten gunste van dubieuze regimes in landen als Grenada, Panama en Chili. Dat alles vond tenminste nog plaats tijdens de Koude Oorlog, toen Amerika ’s werelds beschermheer was tegen de duistere krachten van het communisme. De oorlogen tegen Afghanistan en Irak en rechtstreekse schendingen van de internationale rechtsorde hebben de wereld minder vergevingsgezind gemaakt. Elke keer dat een _drone-_vlucht per abuis Afghaanse of Pakistaanse burgers doodt, daalt het Amerikaanse aanzien verder.

In de retoriek van Amerikaanse politici, die van president Obama en Romney voorop, is het echter nog steeds 1948. Amerika heeft de beste beroepsbevolking, de beste universiteiten en de meest vrije markten. Amerika is ‘uitzonderlijk’, mag president Obama graag in zijn toespraken zeggen, vanwege zijn ongeëvenaarde militaire mogelijkheden, de omvang van zijn economie en zijn democratische waarden. Daarom is het gerechtvaardigd dat Amerika een ‘buitengewone rol houdt in het leiden van de wereld’.

Dat zal de inwoners van Camden allemaal worst wezen. De stad is een blauwdruk voor wat er gebeurt als je een permanente onderklasse van laagopgeleiden en werklozen aan haar lot overlaat en tegelijkertijd in de lokale begrotingen gaat snijden: omdat de belastinginkomsten maar blijven dalen, heeft het stadsbestuur de begroting begin 2011 met 28 miljoen dollar gekort, onder meer door een kwart van de openbare voorzieningen weg te snijden en de helft van de politiemacht te ontslaan.

Camden moet het voortaan doen met rioolwaterzuivering, afval­verbranding, een leger aan schroothandelaren en een gevangenis – het soort bedrijvigheid dat als regel bij de armste Amerikanen wordt gedumpt. Dus hangt er een rioollucht in de vervallen straten van Camden, aangevuld met de giftige walmen uit de schoorstenen van afvalverbranders. Fabrieksgebouwen zijn raamloze geraamtes geworden, winkelpuien zijn dichtgetimmerd, in de verlaten parken slingeren gebruikte drugsspuiten rond. Tussen deze kaalgeslagen bende, een paar blokken verwijderd van schroothandelaar Fanelle’s Sons, staat de Sacred Heart Catholic Church. Father Michael Doyle, een Ierse priester die de parochie sinds 1975 leidt, raakt nog altijd geëmotioneerd door wat hij de ‘cultuur van armoede en drugs’ noemt. Hij ziet de woede onder de bevolking groeien, een woede die, vooral onder jonge mannen, oncontroleerbaar en zelfdestructief is. ‘Hun vijanden zijn ongrijpbare grootheden als hebzucht, vooroordeel en onrechtvaardigheid’, zegt Doyle. ‘Daar kun je niet bij, dus botvieren ze hun razernij op hun buren. Het is verschrikkelijk wat mensen elkaar hier aandoen.’

De Amerikaanse geschiedenis staat bol van de grote sociale bewegingen. Denk aan de anti-slavernijbeweging die tot de Burgeroorlog zou leiden (1861-1865), de Progressive Era (1890-1920) waarin activisten streden voor politieke hervorming, en de ‘Suffrages’, de activistes die bijna een eeuw lang streden voor het vrouwenkiesrecht. Je zou zelfs kunnen stellen dat de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783), het conflict waaruit de Verenigde Staten van Amerika geboren zouden worden, het gevolg was van een sociale beweging.

Maar geen beweging spreekt zo tot de verbeelding van de moderne Amerikaan als de Civil Rights Movement, waarvan grote gebeurtenissen als de marsen naar Washington DC (1963) en Selma (1965), evenals de speeches van Martin Luther King Jr – ‘I have a dream!’, ‘Let freedom ring!’ – zich dankzij de televisie in het nationale bewustzijn nestelden. Veel van de protestsongs uit die tijd worden nu nog geassocieerd met de strijd voor gerechtigheid en hoop op een betere toekomst – ‘We shall overcome’ en ‘This land is your land, this land is my land’.

Er zijn tekenen dat deze activistische traditie nog levend is. Naast de activisten die zich in de al tientallen jaren woedende culture wars mengen – zoals de homobeweging of de _pro-life-_beweging (en hun tegenhangers) – komen sinds kort mensen de straat op omdat ze de onveranderbaar lijkende gang van zaken in hun land niet langer accepteren. Intellectuelen als de mediatheoreticus Douglas Rush­koff, de schrijver-activisten Chris Hedges en Naomi Klein, de antropoloog David Graeber en de socioloog Juliet Schor voeden deze bewegingen met hun ideeën. Om met Hedges te spreken: ‘We gaan het milieu en ons land niet meer redden met electorale politiek. Wie denkt dat stemmen op een Republikein of Democraat nog enig verschil maakt, leeft in een illusie. Als kiezen zo effectief was, zou het wel verboden worden.’

De vraag is volgens Hedges niet: hoe krijgen we de goede mensen aan de macht? De vraag is: hoe zorgen we ervoor dat de machthebbers bang voor ons zijn? Daartoe hoeven we alleen maar naar succesvolle sociale bewegingen uit het verleden te kijken – de Liberty Party die tegen slavernij streed, de Burgerrechtenbeweging, de Vredesbeweging ten tijde van Vietnam: steeds boezemden ze de machthebbers angst in. Niet voor niets was Richard Nixon Amerika’s laatste, echt liberale president: hij was bang voor bewegingen. Dus verliet hij Vietnam en nam hij wetten aan die het milieu en de werkende klassen beschermden, zoals de Clean Air Act en de Mining Safety Act.

Bij het bouwen van een nieuwe sociale beweging mag het volgens Hedges nooit om macht gaan, maar louter om morele imperatieven die geen compromissen toestaan. ‘Het is aan ons om op te komen voor de onteigende onderklasse, zieke kinderen en de ongelukkigen die gemarteld en gedood worden in landen als Irak en Afghanistan.’ Dat gaat niet zomaar. ‘We zullen persoonlijke offers moeten brengen voor deze morele imperatieven – zelfs als dit betekent dat we eerst paria’s moeten worden. Alleen door rebellie en verzet kunnen we onze integriteit en individualiteit behouden. Als we weigeren dit te doen, als we passief en buigzaam blijven, dan is zowel onze natie als ons ecosysteem gedoemd.’