Drugs en ander filmgif

VAN DE DRIE filmproducenten die een optie namen op Gimmick! liet er één weten dat hij mijn boek wilde verfilmen op voorwaarde dat de ‘BOP'tjes’ uit het verhaal zouden worden verwijderd. Ik wist niet wat ‘BOP'tjes’ waren, dus ook niet dat ze in Gimmick! zaten. ‘BOP’ bleek te staan voor Box Office Poison, ‘giftige’ ingrediënten die het bioscooppubliek afschrikken en waar bij scenarioschrijvers, regisseurs en producenten een gebruiksverbod op staat. De BOP'tjes in Gimmick! waren ‘kunst’ en ‘drugs’, liet de producent weten. Kom nooit aanzetten met een film waarin de hoofdfiguur een kunstenaar is, bezwoer hij, daar wil het Nederlandse publiek niets van weten. De bioscoopbezoeker wil ‘echte mensen’. Je kunt veel van kunstenaars zeggen, maar niet dat het echte mensen zijn.

Ook drugs waren volgens hem BOP en dus niet wenselijk, van de diep-onschuldige joint tot en met heroïne en opium. Nederland heeft wereldwijd het imago van een narcostaat, en de Nederlandse bioscoopbezoeker, over het algemeen een goedwillende niet-gebruiker, wil op zijn avondje uit niet worden geconfronteerd met een filmverhaal over de halflegale middelen die ons land over de grens zo'n slechte naam hebben bezorgd.
Gedurende zijn uiteenzetting begreep ik steeds minder waarom de producent belangstelling had voor Gimmick!, want zo te horen was mijn roman een duidelijk geval van BOP. Hij gaat over kunstenaars die nogal eens trek in drugs hebben, met een trouwe voorkeur voor cocaïne. Op mijn bescheiden tegenwerping dat Turks fruit en Brandende liefde - twee films met als hoofdpersoon een kunstenaar - toch niet de slechtste Nederlandse films waren en bovendien kassuccessen zijn geworden, had de producent direct een antwoord. In Turks fruit en Brandende liefde werd de Box Office Poison geneutraliseerd door het ingrediënt dat in potentie van iedere Nederlandse film een kassucces kan maken: seks. De Nederlandse film lijdt slechts in schijn onder het stigma van de onvermijdelijke expliciete seks. In werkelijkheid is en blijft een neukscène van anderhalve minuut hét lokkertje voor het Nederlandse publiek, dat niets liever wil dan zich vergewissen van die ene scène waarover men steevast na afloop gaat klagen. Beter na afloop gezanikt dan op voorhand geaarzeld, luidde de filosofie van de producent, want in het eerste geval was de recette binnen. Daarom wilde hij Gimmick! gráág verfilmen, zij het op twee voorwaarden: alle kunst en drugs eruit en meer seks erin.
HET ONDERHOUD WAS zes jaar geleden. Het is misschien overbodig te zeggen dat schrijver en producent niet tot overeenstemming kwamen. Wel heb ik er de tic aan overgehouden dat ik sindsdien ben gaan letten op BOP'tjes in speelfilms. Ik ben er heel wat tegengekomen, de afgelopen jaren: New York Stories, Surviving Picasso, Basquiat, (beeldende kunst); My Own Private Idaho, Sid and Nancy, Pulp Fiction (drugs). Aan de hand van de eerste drie voorbeeldfilms valt het ‘gifgehalte’ van beeldend kunstenaars als personages kennelijk wel mee, terwijl over druggebruik in speelfilms al helemaal niet meer is vol te houden dat het het publiek wegjaagt. Sterker nog; mits met enige suggestie van authenticiteit en zonder moraliseren in beeld gebracht, zijn drugs, en vooral harddrugs, eerder parfum dan gif voor de bioscoopbezoeker.
Het meest evidente voorbeeld is natuurlijk Pulp Fiction, waarin veel ellende (shock, bewusteloosheid, bijna-dood door verkeerde dosis, moord, paranoia) is toe te schrijven aan fervent druggebruik. Echter zonder dat er hypocriet wordt gedaan over de reden waarom de personages zijn gaan gebruiken; niet zozeer om ongeluk en tegenspoed te vergeten, maar omdat de personages het stoer, interessant en smakelijk vinden. Dat mag vanzelfsprekend klinken, maar is het niet in Amerikaanse films. Pulp Fiction brak in die zin met de BOP'tjes van Hollywood. Wie Uma Thurman als 'gangstermeisje’ Mia in Pulp Fiction heeft zien flauwvallen en daarna catatonisch heeft zien liggen trillen na per ongeluk heroïne in plaats van cocaïne te hebben genomen, zal er nauwelijks voor voelen om ook eens 'zoiets’ te proberen. Zolang Mia zich beperkt tot cocaïne van goede kwaliteit, gebruikt zij echter zonder twijfel con gusto. In een van de berucht geworden scènes van Pulp Fiction neemt Uma Thurman voor een spiegel in de toiletten van een discotheek een inhaalstreepdikke lijn cocaïne. Zelden is de verlossende en flashachtige eerste uitwerking van een snuif zo aanstekelijk uitgebeeld als door de orgastisch in de spiegel starende Thurman.
In Nederland heeft Ian Kerkhof vorig jaar een moedige poging gedaan om een tot de proporties van het poldermodel teruggebrachte variant op Pulp Fiction te maken. Naar de klote! is een in zuurstokkleuren gehulde odyssea door de wereld van de house. In Naar de klote! wordt iedere suggestie van belering vermeden - op het vermoeiende af, mag ik wel zeggen. Naar de klote! wil uitdrukkelijk een publieksfilm maar ook politiek incorrect zijn, net als, indertijd, Spetters. Maar waar Verhoeven zich niet schaamde voor de proleterige gedragingen van zijn personages, portretteert Kerkhof soortgelijk gedrag met een air alsof het gaat om verfrissende provocatie. Naar de klote! is bij vlagen overtuigend in het tonen van het - alledaagse - gebruik van xtc en speed, in housekringen de meest gewilde drugs. Helaas tuimelt Naar de klote! in de kuil van de Hollandse kneuterigheid zodra een archetypisch stoere dealer zijn entree maakt. De puntig bebakkebaarde J.P. (Hugo Metsers(III) en zijn home boy zwaaien te pas en te onpas met grote guns, wat in één klap veel van de geloofwaardigheid van de in beeld gebrachte drugscultuur tenietdoet.
Politie, boeven en pistolen, dat lijken mij de échte BOP'tjes voor de Nederlandse film. De Nederlandse samenleving mag hunkeren naar meer blauw op straat, zodra deze blauwe uniformen opduiken in een Nederlandse film treedt nog steeds onvermijdelijk het Bromsnor-effect in werking. Wordt een agent in een Nederlandse film (of in een tv-serie als Unit 13) ineens opgevoerd als actieheld-in-uniform, dan is dat al snel potsierlijk. Wat voor de agent geldt, gaat ook op voor de Nederlandse crimineel. Vandaar dat Naar de klote! alle street credibility verspeelt zodra Hugo Metsers(III zijn op Amerikaanse leest geschoeide karikatuur van een dealer neerzet. Zelfs wanneer Metsers de Derde in zijn clausen overgaat op het Engels en letterlijk citerend uit Pulp Fiction een rivaal de hersens uit zijn hoofd knalt, hebben de rondvliegende kogels, die ongetwijfeld hard boiled zijn bedoeld, op de Nederlandse bioscoopbezoeker maar één uitwerking: daar komt de achterneef van Swiebertje, met Ray Ban-bril en house-outfit…
DE SCHOTSE MAKERS van Trainspotting hebben beter begrepen dat een jongerenfilm waar drugs in voorkomen zich moet houden aan de 'lokale’ zeden en wetten onder gebruikers. Terwijl Naar de klote! sneuvelt aan een klein maar essentieel tekort aan geloofwaardigheid, is Trainspotting, naar de overrompelende roman van Irvine Welsh, zowel authentiek als avontuurlijk, zonder te vervallen in valse romantiek aan de ene en verhuld moralisme aan de andere kant. De meest gebruikte drug in Trainspotting is geen xtc, maar heroïne. De stad is niet Amsterdam maar Edinburgh. De verslaving is honderd keer zo vernietigend als het gedoe met pillen in Naar de klote!. Er wordt in beide films gevochten en gescholden, maar een pistool krijg je niet te zien in Trainspotting, waarschijnlijk omdat een vuurwapen in handen van een van de antihelden net zo misplaatst zou zijn als een joint tussen de vingers van Arnold Schwarzenegger in een all American actiefilm.
Trainspotting is ongetwijfeld de definitieve afrekening met het idee van drugs als Box Office Poison. Het heroïnegebruik wordt in de film verketterd noch bejubeld. Van de vijf antihelden - Mark, Spud, Tommy, Sick Boy en Begbie - zijn of gaan er vier aan de heroïne. Alleen Begbie, de oudste van het stel, beperkt zich tot alcohol. Niet toevallig is hij de meest agressieve van de vijf. De vier anderen zijn onbetrouwbaar, onverschillig, egoïstisch en maniakaal verknocht aan hun vaste dosis, maar gewelddadig zijn ze in beginsel niet. Regisseur Danny Boyle benadrukt vanaf het begin dat de jonge addicts uit de laagste klasse van Edinburgh komen en nauwelijks een 'toekomst’ hebben, maar nergens in de film wordt gesuggereerd dat ze heroïne gebruiken omdat ze kansarm zijn. Hoofdfiguur Mark Renton, bijnaam Rent Boy (gespeeld door Ewan McGregor), houdt van heroïne omdat er naar zijn overtuiging eenvoudig niets mooiers en beters en verleidelijkers bestaat. Dat hij voor zijn verslaving een boel moet inleveren - liefde, seks, geld - neemt hij op de koop toe. Heroïnegebruik is in Trainspotting geen vlucht maar een statement, precies zoals William Burroughs het al poneerde in zijn korte roman Junky (1953): 'Junk is niet (…) een middel om de levensvreugde te vergroten. Junk is geen kick. Het is een manier van leven.’
Anders dan in Europa trok Trainspotting in Amerika nauwelijks publiek. Trainspotting overtrad natuurlijk de in Amerika geldende BOP'tjes. Om te beginnen wordt Mark niet voor zijn druggebruik 'gestraft’. Ten tweede zijn Marks pogingen om af te kicken halfslachtig. Het opvallende is dat het hem niettemin lukt - voor een tijdje. In Londen gaat hij aan de slag als makelaar in spe, maar hij valt terug in zijn heroïnegewoonte als hij opnieuw met zijn oude vrienden in contact komt. Onderling verlinken en bedriegen de vrienden elkaar, Mark Renton voorop. Na een hilarische drugsdeal, die ondanks alle stunteligheid goed afloopt voor de jongens, gaat Mark ervandoor met de zak geld die hij had moeten delen met zijn vrienden. Trainspotting eindigt met een close-up van de triomfantelijk over straat dravende Mark. Der Taugenichts als overwinnaar (zij het weinig eerzaam en zeer eenzaam): van die frappe over een junkiebestaan moet men in Hollywood natuurlijk niets hebben. Het is het dictaat van het 'junkieverdriet’ dat een Amerikaanse film over drugs bepaalt.
Trainspotting maakt korte metten met dat dictaat, en toch is de film niet een aanbeveling voor de 'manier van leven’ van Mark en de anderen. De waanzin en hallucinaties tijdens en na het afkicken zijn origineel maar allesbehalve 'wervend’ in beeld gebracht. Boyle laat zien wat er zich afspeelt in het geteisterde brein van Mark. Hij doet dat met een gepast gevoel voor stijlcitaten: Mark beleeft zijn angst en walging als het ware in de beeldtaal van griezelscènes uit Stanley Kubricks The Shining. Het is niet het enige moment in Trainspotting waarop het realisme uitwaaiert tot een groteske; eerder in het verhaal daalt Mark af in een verstopte en tot aan de rand volgescheten en -gekotste plee op zoek naar twee verloren morfinepillen. Het zijn deze burleske en groteske 'uitstapjes’ in de film waardoor Trainspotting paradoxaal gezien zo'n authentieke en realistische indruk maakt: zo far out moet de wereld zijn als er heroïne in je bloedbaan golft.
TRAINSPOTTING MAG het Amerikaanse publiek dan niet hebben bekoord, binnen de Amerikaanse filmindustrie herkende men onmiddellijk het talent van de makers, het driemanschap Danny Boyle, John Hodge (scenarist) en Andrew MacDonald (producent). Aanvankelijk bleken de drie bestand tegen de (financiële) verlokkingen van Hollywood. Zo sloeg Boyle een aanbod af om met een duizelingwekkend groot budget Alien(IV te maken. Boyle en de zijnen wilden wel degelijk de Amerikaanse markt veroveren, zij het, naar eigen zeggen, met behoud van de eigen artistieke criteria. Het resultaat is A Life Less Ordinary, gemaakt met een voor Amerikaanse begrippen minimaal budget van twaalf miljoen dollar. Twee weken geleden ging de film in Nederland in première.
In vergelijking met Trainspotting is A Life Less Ordinary een onthutsende film, zij het om andere redenen dan de makers hebben beoogd. Hij laat zien wat er gebeurt als filmmakers met een perfect gevoel voor cult zich gaan concentreren op camp: er is een halffabrikaat ontstaan dat het 'oude’ publiek van Boyle zal teleurstellen, terwijl de nieuwe doelgroep er vermoedelijk de schouders over zal ophalen.
In principe had A Life Less Ordinary een waardige opvolger van Trainspotting kunnen worden. Aan het verhaal heeft het in ieder geval niet gelegen. Een jongen met een baantje als schoonmaker droomt ervan een trash novel te schrijven over de dochter van Jack Kennedy en Marilyn Monroe, ooit in het geheim door Marilyn ter wereld gebracht en, eenmaal volwassen, zoekend naar de waarheid achter de onopgehelderde dood van zowel pa als ma. Iedereen aan wie de jongen dit verhaal vertelt krijgt acuut de geeuwhonger, maar wanneer hij de dochter van een grootindustrieel gijzelt, verandert zijn eigen leven ineens in het soort trash-roman waarvan hij altijd heeft gedroomd.
IN DE PUBLICITEIT rondom A Life Less Ordinary is vaak vermeld dat de club van Boyle zich heeft laten inspireren door het genre van de screwball comedy en dat men de cast ter voorbereiding onder meer heeft laten kijken naar Frank Capra’s komedie It Happened One Night (1934). A Life Less Ordinary is naar de vorm een klakkeloze adaptatie geworden van zo'n ouderwetse komedie, en het is de kennelijke bedoeling van de makers dat we ons deze proeve van imitatio gniffelend realiseren. Boyle en scenarist Hodge loodsen het verhaal van citaat naar filmcliché en weer terug, in de verwachting een vette knipoog te geven aan wie de verwijzingen oppikt en vakkundig amusement te bieden voor de rest. De kijker krijgt het in het gezicht gesmeten: deze film wil niet origineel zijn en is daar trots op. De gijzeling door de jongen (Ewan McGregor) van het meisje (Cameron Diaz) legt natuurlijk de kiem voor een romance, maar voor ze elkaar hun liefde durven opbiechten, is er een repertoire van bankovervallen, achtervolgingen, musical-uitstapjes en interventies door heuse engelen afgewerkt. Nergens mogen we vergeten dat hier geschmierd wordt. Wanneer Cameron Diaz eenmaal van gijzelaarster is veranderd in partner in crime en bezig is een bank te beroven, roept Ewan McGregor haar toe: 'Ik zei het je nog: geen clichés, alsjeblieft.’ Dat is schmieren in het kwadraat, aangezien Diaz in woord en daad inderdaad alle clichés van stal haalt als ze de baliemedewerkster een pistool onder de neus duwt.
A LIFE LESS Ordinary hinkt op twee gedachten; het is een feel good movie, echter met de toegevoegde pretentie dat de romantische komedie zich ontrolt in de beeldtaal van de postmoderne cultfilm. Maar in een context van ongevaarlijk amusement verschralen die cultgrapjes tot gewiekste retoriek. Want een snufje Wild at Heart, geluidseffecten à la Blue Velvet, een dialoogje dat ergens zweeft tussen Capra en Tarantino en ten slotte de hippe muziek van Beck, The Prodigy en Underworld, leveren niet de gewenste kruiden voor A Life Less Ordinary als het totaalgerecht 'voor alle smaken’ moet zijn. Dat is het onthutsende van A Life Less Ordinary: de drie Schotse jongens Boyle, Hodge en MacDonald hebben op grond van het energieke en eigenzinnige Trainspotting de Grote Oversteek gemaakt naar Hollywood, om vervolgens met een film te komen die tot in ieder detail gevrijwaard is gebleven van alle BOP'tjes die ze voorheen zo voortvarend en uitbundig hebben genegeerd.