De oorlog tegen drugs

Drugs hier, ellende daar

Overal in de wereld vallen niet-westerse landen ten prooi aan corruptie en geweld om te kunnen voorzien in de drugsbehoefte van het Westen. Misschien kan de Mexicaanse drugsoorlog voor een omslag zorgen. Verder in deze kleine special: een interview met Misha Glenny, schrijver van McMaffia, en een overzicht van het Nederlandse drugsbeleid.

TERWIJL HET NEDERLANDSE kabinet zich de afgelopen maanden boog over pasjes voor coffeeshops worstelde Mexico met zijn eigen drugsprobleem: het land vocht voor zijn voortbestaan als vrije democratie en rechtsstaat. Niet figuurlijk maar letterlijk, met inzet van het leger tegen een vijand die bijna evenveel mannen onder de wapens heeft, en die met een wassende stroom zwart geld de Mexicaanse instituties corrumpeert. Mexico lijkt aan de verliezende hand tegen drugskartels die soms aan de fantasie van een scriptschrijver lijken te zijn ontsproten: één kartel was voortgekomen uit een commando-eenheid van de politie die voor zichzelf was begonnen, een tweede ontstond uit een fusie die in een maximaal beveiligde gevangenis was gesmeed, een derde kartel bouwt een sociale basis op door buurtwerk te doen, leningen uit te schrijven, recht te spreken en krantenadvertenties te plaatsen. Naar schatting spekken hun Amerikaanse klanten hun kas met tien miljard dollar per jaar.
Het gaat hier niet om een vergeten achterwatertje: Mexico is zowel qua inwonertal als qua economie het elfde land ter wereld, behoort tot de rijkste en meest ontwikkelde landen van Latijns-Amerika en wordt tot de ‘opkomende machten’ van de 21ste eeuw gerekend. Toch loopt het land volgens een rapport van het Amerikaanse opperbevel samen met Pakistan het grootste risico om zich bij landen als Somalië te voegen als ‘mislukte staat’, omdat Mexico niet in staat is zijn grondgebied te controleren en zijn instituties te beschermen tegen de kartels.
Mexico loopt dit gevaar omdat er enorm veel geld te verdienen is met drugshandel. En dát komt weer doordat er in rijke landen een grote, niet te onderdrukken vraag naar drugs bestaat, terwijl drugshandel verboden is. De economische logica is simpel: grote vraag + beperkt aanbod = hoge prijs en dus een grote aanmoediging om die bedrijfstak in te gaan. Een andere economische wijsheid is dat waar vraag is, altijd aanbod komt, goedschiks of kwaadschiks.
Het verbod op drugs zou drugsgebruik moeten bestrijden, maar zelfs de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) concludeerde vorig jaar dat ‘landen met strenger beleid geen lager niveau van drugsgebruik hebben dan landen met liberaler beleid’. Wel zeker is dat het drugsverbod hoge kosten met zich meebrengt. Als de drugsproblematiek wordt besproken in de Verenigde Staten, Frankrijk of Nederland lijkt het alsof die kosten enkel daar worden betaald, in de vorm van verslaving van westerse burgers en misdaad die ‘narcostaten’ naar ons zouden exporteren. Maar de ellende-export voltrekt zich eerder andersom: van de diepe zakken van westerse consumenten naar landen die in het Westen vaak als onverbeterlijk corrupt en gewelddadig te boek staan.

DE INTERNATIONALE AANPAK van drugs is precies honderd jaar oud en niet toevallig was een Amerikaanse zendeling de drijvende kracht achter het eerste drugsverdrag. In 1909 beloofden dertien landen ‘steeds toenemende strengheid’ tegen drugsgebruik, al had Groot-Brittannië een halve eeuw ervoor nog twee Opiumoorlogen uitgevochten om toegang tot de Chinese drugsmarkt te krijgen. Drie jaar later besloten dezelfde landen in Den Haag tot een verbod op drugshandel, dat later in de Vrede van Versailles werd opgenomen. In 1961 werd dit vervangen door de Narcotica Conventie van de Verenigde Naties, die het drugsverbod tot internationale wet maakte.
Dit verbod was geen dode letter: het werd de hoeksteen van internationale politiesamenwerking, waar de opsporing van oorlogsmisdadigers en terroristen later bij aanhaakte. De hele eeuw bestookten de VS internationale fora met hun visie op het probleem: drugsgebruik is een moreel en crimineel probleem (geen medische of sociale kwestie); de beste aanpak is de productie bestrijden. Dezelfde benadering hanteerde Amerika ten aanzien van alcohol, en dat pakte rampzalig uit toen dat in de jaren twintig leidde tot de Drooglegging. Die stopte het alcoholgebruik niet maar baarde wel georganiseerde misdaad op een ongekende schaal. De les werd niet doorgetrokken naar drugs.
‘Het internationale drugsregime wordt zowel gedreven door macht als door moraliteit – de macht en moraliteit van de VS. Zij hebben als grootste voorstander van het verbodsregime hun visie op het probleem tot de internationale norm gemaakt’, zegt Peter Andreas in een telefonisch gesprek. Andreas is hoofd van de school voor internationale betrekkingen aan Brown University in Providence, Rhode Island en co-auteur van Policing the Globe: Criminalization and Crime Control in International Relations. ‘De basis van dit internationale drugsregime is dat het drugs criminaliseert. Het is altijd nuttig eraan te herinneren dat dit een keuze is, niet een voor zichzelf sprekend feit. Criminaliseren van een bepaalde praktijk heeft namelijk grote implicaties, voor mensen, economieën en staten. Zeker in het geval van de War on Drugs: de collateral damage is de afgelopen decennia enorm geweest.’
De War on Drugs werd in 1969 uitgeroepen door Richard Nixon, die drugsgebruik beschreef als een plaag van bijbelse proporties die Amerika’s binnensteden onleefbaar maakte. Zijn opvolgers konden prima met die insteek overweg – Ronald Reagan, wiens minimumstraffen voor drugsmisdrijven in Amerikaanse gevangenissen tot grote rassenongelijkheid leidden; George Bush senior, die drugssmokkel gebruikte als aanleiding voor de invasie van Panama; Bill Clinton, die de mensenrechteneisen wegstreepte uit Plan Colombia.
De War on Drugs leidde in de VS tot een explosie van de gevangenispopulatie – het aantal drugsgerelateerde arrestaties bedraagt jaarlijks anderhalf miljoen, en een kwart van alle gevangenen ter wereld zit in Amerika vast –, tot een toename van het Amerikaanse ‘oorlogsbudget’ tot tientallen miljarden dollars per jaar, en tot grote bureaucratische belangen bij een reeks agentschappen en ministeries in Washington, een stad waar immense drugsproblemen het falen van de War on Drugs dagelijks onderstrepen. Al die tijd bleven de VS veruit de grootste drugsmarkt ter wereld en de drugshandel breidde zich alleen maar uit. Vooral de economische mondialisering maakte de handel internationaler en grootschaliger. Schommelde het aantal gerapporteerde drugsonderscheppingen lang rond de driehonderdduizend per jaar, in de jaren negentig nam dat toe tot bijna anderhalf miljoen.
‘Het aantal inbeslagnames blijft een belangrijke indicator van het drugsprobleem in de wereld’, analyseert het UNODC, het VN-bureau voor drugs en een van de vele organisaties die met cijfers schermen om beurtelings het succes of de urgentie van de drugsoorlog te onderstrepen. Onafhankelijke experts vinden het vaak maar een slag in de lucht over een verboden praktijk waarover per definitie geen harde cijfers bestaan. Maar zelfs het UNODC stelt niet meer dat het aantal drugsgebruikers daalt. Het claimt nu als succes dat hun aantal ‘gestabiliseerd’ is op zo’n tweehonderd miljoen, oftewel vijf procent van de volwassen wereldbevolking. Maar waar cijfers geen uitsluitsel geven, suggereert indirect bewijsmateriaal dat de drugsproblemen in de wereld groeien. In verschillende delen van de wereld bestaan nu drugsproblemen die tien, twintig jaar geleden nog niet bestonden. In de traditionele ‘drugsregio’s’ van de wereld, maar ook in doorvoerlanden. En vanwege de mondialisering worden dat er steeds meer.

DE DRIE TRADITIONELE drugsregio’s zijn de Gouden Driehoek in Oost-Azië, de Gouden Sikkel in West-Azië en de noordelijke Andes in Zuid-Amerika. Dat in deze regio’s wetteloze gebieden zijn waar drugsbazen of afscheidingsbewegingen drugs telen, is bij een breed publiek wel bekend. Minder bekend is welke problemen dat lokaal veroorzaakt, en vooral welke problemen er de afgelopen vijftien jaar bij zijn gekomen.
In de Gouden Driehoek is een wereldwijd patroon te zien: in landen waar drugs worden geteeld of doorgevoerd, zijn ze gemakkelijk verkrijgbaar voor de lokale bevolking. Kleine handelaren betalen elkaar in drugs, omdat dit gemakkelijker en veiliger is dan geld. Zij zoeken vervolgens lokale markten om die drugs in geld om te zetten. Langs aanvoerroutes naar het Westen bestaan dan ook overal verslavingsproblemen – in Thailand, Laos, Vietnam – en nieuwe, oorspronkelijk voor de export bedoelde drugs zijn op sommige plaatsen enorm aangeslagen. Zo kreeg Thailand binnen een paar jaar een enorm amfetamineprobleem. Dat zette de inmiddels verdreven president Thaksin Shinawatra aan tot de beruchte drugsoorlog in 2003, waarbij leger en politie honderden executies uitvoerden in de achterafsteegjes van Thaise drugswijken.
Een ander wereldwijd patroon dat in de Gouden Driehoek is terug te vinden, is dat hiv-verspreiding de smokkelroutes van heroïne volgt, vanwege het gebruik van besmette naalden. In Zuidoost-Azië komen veel hiv-infecties voor, met opnieuw Thailand boven aan de lijst. Ook landen in de regio die hun drugsproblemen ontkenden, zoals Vietnam, geven schoorvoetend toe dat ze hulp nodig hebben bij de hiv-bestrijding. Niet toevallig begon de Chinese opmars van hiv in Yunnan, een Zuid-Chinese provincie, grenzend aan Birma, die op de opiumroute ligt. De verslavingsproblemen zijn hier zo uit de hand gelopen dat in de ergste wijken tieners seks aanbieden voor minder dan een euro.
De Gouden Sikkel, die van Zuid-Turkije via Iran en Afghanistan naar Pakistan loopt, illustreert een derde bijeffect van de drugsvraag: omdat landen geen drugs mogen telen, trekken rebellengroepen en krijgsheren die vaak naar zich toe om zo hun oorlogen te bekostigen. Sinds het begin van de oorlog in Afghanistan, dertig jaar geleden, is opiumproductie er een van de motors van het geweld. De escalatie van de oorlog ging gepaard met een verdrievoudiging van de Afghaanse opiumteelt in de afgelopen tien jaar. Negentig procent van ’s werelds opium groeit nu hier.
‘Het verhaal van opium in Afghanistan is simpelweg een absolute ramp’, zegt journaliste Gretchen Peters vanuit India in een telefonisch gesprek. Peters schrijft al tien jaar reportages uit Zuid-Azië en publiceerde dit jaar Seeds of Terror: How Heroin is Bankrolling the Taliban and Al Qaeda. ‘Langs de hele smokkelroute vanuit Afghanistan zijn de laatste tien jaar de verslavingsproblemen de pan uit gerezen, zelfs in landen waar drugsgebruik nauwelijks bestond, zoals Kazachstan en Tadzjikistan. In Iran is heroïnegebruik het hoogste ter wereld, met vijf miljoen drugsgebruikers op zeventig miljoen mensen. Ook in Pakistan en Afghanistan neemt het toe, vanwege de smokkel maar ook omdat de medische ngo’s uit Afghanistan zijn gevlucht. Mensen gebruiken opium als pijnstiller, soms zelfs voor kinderen. In Afghanistan is de corruptie overal, en als je kijkt welke bedragen er gemoeid zijn met opium is dat ook niet gek. In Afghanistan, maar ook in Pakistan en Iran, perverteert drugsgeld de politiek tot op de hoogste niveaus.’ Volgens Peters wordt zelfs de broer van president Karzai genoemd in onderzoeken naar drugshandel. ‘Maar mijn grootste zorg is de Taliban, die met opiuminkomsten de oorlogskansen hebben gekeerd. Volgens mijn berekeningen verdienen de Taliban jaarlijks een half miljard aan drugs en andere misdaad en dat geld gaat niet op aan een patserige levensstijl van de commandanten: het gaat naar salarissen, bommen, smeergeld, munitie. Elke keer dat een Navo-soldaat wordt opgeblazen, heeft drugsgeld daaraan bijgedragen.’
Het wordt in de toekomst alleen maar slechter, verwacht Peters: ‘Er zijn aanwijzingen dat de Taliban hun drugsinkomsten gebruiken om een sociale basis op te bouwen in Pakistan. Dat is een nucleaire staat, dus dit gaat de hele wereld aan. Verder lijken de Taliban zich ook in de smokkel en handel te begeven die ze voorheen aan drugssyndicaten overlieten. En in handel zit het grootste geld. Zuid-Azië kan nooit stabiel worden zolang veertig procent van alle economische activiteit in Afghanistan drugsgerelateerd is.’

DE DERDE GROTE drugsregio is Latijns-Amerika, traditioneel speerpunt van de Amerikaanse strategie. Hier illustreert Colombia hoe drugswinsten zelfs relatief dynamische en ontwikkelde landen kunnen corrumperen en gewelddadig maken. Toen de VS in de jaren tachtig een cocaïnerage beleefden, plantten Colombiaanse kartels de drugs op hun zonnige heuvels. Twintig jaar militaire assistentie en de miljarden dollars die de VS aan het probleem spendeerden, leverden af en toe succes op: cultheld Pablo Escobar en andere drugsbazen zijn dood of zitten achter de tralies. Maar elke keer stond een vervanger klaar, vaak nog gevaarlijker dan de rivalen die met Amerikaanse hulp waren opgeruimd. Zo betraden in de jaren negentig linkse guerrilla’s en rechtse strijdgroepen de Colombiaanse drugsmarkt. Ze zogen het land een wrede semi-burgeroorlog in met terroristische aanslagen en vergeldingen. Dankzij de drugswinsten groeide de Farc uit tot een serieuze bedreiging voor de Colombiaanse staat.
Ondertussen werden de mensenrechten in Colombia regelmatig verwaarloosd en liep de integriteit van de staat flinke deuken op. Wat de corruptie betreft is veelzeggend hoe Escobar aan zijn eind kwam: hij werd doodgeschoten door een elite-eenheid binnen een elite-eenheid van de politie die werd bekostigd, aangestuurd en van afgeluisterde informatie voorzien door het volledig in het staatsapparaat vertakte Cali-kartel. Offensieven zoals het op grote schaal besproeien en uittrekken van Colombiaanse coca hielpen nauwelijks.
Wel verplaatste de cocaïneproductie zich deels naar Peru, waar Lichtend Pad het voorbeeld van de Farc probeert te imiteren, en naar Bolivia, waar de War on Drugs de boerenbevolking vervreemdde van de zittende partijen en waar nu een cocaboer tot president is verkozen. Hij heeft voorspelbaar weinig zin in de drugsoorlog en hij is niet alleen. Eerder dit jaar verklaarden drie prominente oud-presidenten van Brazilië, Mexico en Colombia onomwonden dat de drugsoorlog ‘had gefaald’. Steeds meer politici en rechters zitten op die lijn: sinds vorige maand is het bezit van kleine hoeveelheden marihuana niet meer strafbaar in Argentinië en Mexico, en ook in Colombia, Bolivia en Ecuador worden de drugswetten milder.

JAMMER GENOEG beperken drugsproblemen zich niet tot de drie grote drugsregio’s. De voornaamste ontwikkeling van de laatste vijftien jaar is juist het opduiken van drugsproblemen op nieuwe plekken, zoals Tadzjikistan en Yunnan. Op sommige plaatsen komt dat doordat nieuwe rijkdom een drugsmarkt heeft gecreëerd, zoals in Brazilië of Rusland. Op andere plaatsen is het een bijproduct van een grotere economische dynamiek. Want net als voor andere bedrijfstakken betekende mondialisering voor de drugshandel dat niet langer controle over de grondstof doorslaggevend was, maar toegang tot de afzetmarkt.
Een van de plekken waar dit vroeg duidelijk werd was de Balkan, die in de jaren negentig uitgroeide tot de toegangspoort voor Aziatische en Zuid-Amerikaanse drugs naar Europa. Weinig verrassend is corruptie in landen als Moldavië een centraal politiek probleem. En net als in andere regio’s van de wereld doken legers en strijdgroepen in de drugshandel om hun oorlogen te betalen. Mede door de verstrengeling van leger en politiek, zoals in Kosovo, hebben drugshandelaren tentakels tot ver in de nieuwe staten.
Een andere plek die vanuit het niets diep in de drugshandel doordrong, is West-Afrika. Tien jaar geleden ontdekten Colombiaanse kartels en Nigeriaanse bendes de regio als ideale doorvoerzone voor cocaïne naar Europa. Er gaan nu zoveel drugs oostwaarts dat de tiende breedtegraad, die Latijns-Amerika met Afrika verbindt, spottend de ‘Interstate 10’ wordt genoemd.
Canada is zo’n andere onwaarschijnlijke plek die plotseling met drugscriminaliteit kampt, enkel en alleen vanwege de gemakkelijke toegang tot de Amerikaanse markt. De export van B.C. Bud, de Canadese tegenhanger van nederwiet, naar de VS wordt geschat op ruim zeven miljard dollar per jaar.
Maar nergens zijn de problemen zo gevaarlijk uitgegroeid als in Mexico. De afgelopen vijftien jaar smokkelden Colombiaanse kartels cocaïne via Mexico naar de VS, maar die kartels werden er gemakkelijk uitgewerkt door bendes van Mexicaanse bodem. Zij doorliepen dezelfde stadia als hun Colombiaanse tegenhangers. Eerst waren daar de flamboyante opperbazen. Toen die dood of gevangen waren, begonnen de schimmige, gedecentraliseerde netwerken elkaar snoeihard te bestrijden. Het dodental ligt boven de zesduizend per jaar, met vaak gruwelijke moorden. Nog sterkere wapens dan de uit Amerika gesmokkelde, zijn de eindeloze fondsen die de sterkste knieën doen buigen. Zo kreeg een openbaar aanklager van Mexico’s ministerie van Justitie maandelijks 450.000 dollar van het Sinaloa-kartel in ruil voor informatie.
Mexico begon met zijn drugsoorlog in Michoacán, een relatief mild aangetaste provincie waarvan de regering dacht dat die in ieder geval wel terug te winnen was – een stilzwijgende bekentenis dat Tijuana, Ciudad Juarez en Culiacán in feite al verloren zijn. Maar tweeënhalf jaar later lijkt La Familia, Michoacáns sinistere drugssyndicaat, ondanks de inzet van duizenden militairen alleen maar te zijn gegroeid.
Toch zou de moeizame Mexicaanse drugsoorlog het begin van een omslag kunnen zijn, want behalve de ernst wordt in Washington nu ook de oorzaak onderkend. Eerder dit jaar zei Hillary Clinton, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, dat Amerika’s ‘onstilbare vraag naar illegale drugs de drugshandel voedt’ en dat ‘ons onvermogen om te voorkomen dat criminelen wapens de grens over smokkelen de dood van Mexicaanse agenten, soldaten en burgers veroorzaakt’. Het lijkt een alleszins redelijke erkenning van de misère die de westerse drugsbehoefte wereldwijd veroorzaakt.