De schilders van Tachtig

Druilerige straten

Eind negentiende eeuw is de grote stad volop in beweging. Nederlandse kunstenaars verbeelden de koffiepiksters, waspitten en bouwputten van Amsterdam. En leggen er een grijze sluier over.

Medium isaac israels   dienstmeisjes op de leidsegracht
Isaac Israëls, Dienstmeisjes op de Leidsegracht, olieverf op doek, 60 x 81 cm © Groninger Museum

Na een paar weken op het platteland kan de kakofonie van de grote stad zelfs de meest doorgewinterde stadsmens overvallen. Langs zoevende trams, gierende scooters, sirenes en vooral die mensen. Andere mensen, vreemden, die vanwege die stad heel dicht langs elkaar bewegen en, uitzonderingen daargelaten, hun best doen niemand te raken.

Precies negentig jaar geleden gingen er in Duitsland twee films in première over die grootstedelijke om en langs elkaar bewegende mensenkluwens: Metropolis van Fritz Lang en Berlin: Die Sinfonie der Großstadt van Walther Ruttmann. De tegenstellingen tussen de twee films zijn groot. De ene wordt gezien als de eerste sciencefictionfilm ooit, gesitueerd in 2026, met een toekomststad waarin de denkers boven en de werkers beneden leven en waarbij een robot dit wankele evenwicht verstoort. De andere bezingt juist het moderne leven van 1927 met de treinen, de trams en de vele wandelaars op straat. De ene is de doemdenker, de andere de romanticus.

Toch hebben de films los van hun premièrejaar nog een overeenkomst: ze zijn opgenomen zonder geluid, de geluidsfilm stond immers nog in de kinderschoenen. Voor beide is wel muziek gecomponeerd, en die is er in latere uitgaves ook bij te horen, maar de hectiek van de grote stad, die combinatie van geratel, geroep en geschreeuw, de tohu-bohu, de kakofonie, die moet je erbij denken. Wat dat betreft was de industrialisatie de kunsten een stapje voor: de grote stad bruiste en stoomde al terwijl de weergave daarvan nog lang een benadering zou blijven.

In het Haags Gemeentemuseum is een tentoonstelling gewijd aan de kunst van 1880 tot 1900 die voortkwam uit de interesse van Nederlandse kunstenaars voor het stadsleven. De titel, Rumoer in de stad, is op z’n zachtst gezegd onhandig gekozen. Zo hoop je op een groot schilderij van een dampende stoomlocomotief onder de stalen overkapping van het station, van het licht van elektrische straatlantaarns dat in de plassen op straat weerkaatst, een gezelschap dat juist de opera uit komt of een wilde danspartij in een cabaret – allemaal scènes uit ons beeld van de tweede helft van de negentiende eeuw, de tijd van de moderniteit, snelheid en vooruitgang. Die waren er wel in Parijs en Londen, in Brussel desnoods, en al in 1860, maar niet in Nederland. Zelfs niet in Amsterdam. Daar lagen in 1875 pas de eerste rails in de stad voor een paardentram van het Leidseplein naar Artis, in 1900 kwam daar de elektrische tram bij.

Het eerste grote warenhuis in Nederland was de Grand Bazar de la Paix en opende in 1906 in Den Haag. In 1887 opende Circus Oscar Carré aan de Amstel, een jaar later het Concertgebouw, nog een jaar later het Centraal Station. Aan het eind van de eeuw broeide er misschien iets in de Hollandse steden, knallen deed het in 1885 nog lang niet.

In het museum in Den Haag is die bedaagdheid ook het eerste wat opvalt. De tentoonstelling is een vervolg op Holland op z’n mooist van twee jaar eerder, waar de landschapsschilderijen van de Haagse School te zien waren. Nu dus een jongere generatie kunstenaars, aangevoerd door George Hendrik Breitner en Isaac Israëls, samen met het werk van Willem Witsen, Willem de Zwart en andere tijdgenoten. Veel werk uit de eigen collectie, een paar mooie (en één deplorabele) Breitner uit Antwerpen, hier en daar wat werk van particulieren, ver over de grens is de kunst niet gekomen.

Breitner wordt in 1880 wegens wangedrag van de Haagse kunstacademie gestuurd en neemt, nog steeds in Den Haag, lessen bij Willem Maris. In 1882 ontmoet hij daar Vincent van Gogh, met wie hij de afkeer van de gepolijste Haagse chic deelt. Samen struinen ze de Haagse achterbuurten af, om, zoals Van Gogh schrijft, ‘samen typen in de volksgaarkeuken of in de wachtkamer’ te tekenen. In 1884 trekt Breitner naar Parijs, waar hij een maand lessen volgt bij de docent van Toulouse-Lautrec en Emile Bernard. Hij is teleurgesteld, hij ziet er, naar eigen zeggen, alleen maar Millets en Corots, ‘soms heel leelijke’, precies de landschapsschilderkunst die hij probeert te vermijden.

En zo komt hij in 1886 in Amsterdam, waar hij samen met de acht jaar jongere Isaac Israëls de kern vormt van een los-vast-groep van kunstenaars die het stadsleven tot onderwerp kiezen, de groep die nu centraal staat in de Haagse tentoonstelling. Het is al een tijd geleden dat deze ‘schilders van Tachtig’ samen te zien waren (dat was in het Van Gogh Museum in 1991). Het is geen hechte club of beweging met gedeelde idealen, maar wél makkelijk in twee groepen te verdelen, blijkt na een rondgang door de sober opgezette tentoonstelling. De eerste groep is die uit de titel: de groep van de actie, de beweging op straat, de schilderijen van koetsen op de Dam, koffiepiksters, waspitten, bouwputten.

‘Altijd diezelfde menschjes en alles zoo kleintjes – nooit groot zuiver mooi – ’t is niet om uit te houden’

Over die laatste: het centrum van Amsterdam zoals we dat nu kennen is grotendeels een negentiende-eeuwse stad. Het Paleis voor Volksvlijt (1864) mag dan in rook zijn opgegaan, de omliggende buurten, de Pijp en de Plantagebuurt, zijn er nog steeds, net als de Marnixstraat, de Linnaeusstraat, het Rijksmuseum, het Centraal Station, het Vondelpark en de omliggende buurten. En zelfs de straten tussen de grachtengordel kun je negentiende-eeuws noemen: grachten als de Nieuwezijds Voorburgwal, de Rozengracht en de Warmoesgracht (nu Raadhuisstraat) worden in die periode gedempt, om plaats te maken voor het nieuwe verkeer.

Breitner kijkt graag naar die bouwputten, woont een tijdje in de gloednieuwe Oosterparkbuurt, en schildert en fotografeert die transformatie. Toch gaat het hem daarbij vooral om de menselijke factor. In 1882 schrijft hij aan zijn mecenas A.P. van Stolk: ‘Ik zelf, ik zal de mensch schilderen op de straat en in de huizen, de straten en huizen die ze gebouwd hebben ’t leven vooral. Le peintre du peuple zal ik trachten te worden of liever ben ik al omdat ik ’t wil.’

Breitner bezoekt kelderwoningen en laat jonge volkse meisjes voor hem poseren. Hij ‘móet’ zich wel richten op typen uit de volksklasse, zoals hij ze noemt. Die zoektocht naar ‘realisme’, het ware leven, de om elkaar draaiende kluwen mensen, is geïnspireerd op het naturalisme van Émile Zola. Net als Zola kijken Breitner en Israëls naar de arme bevolking, proberen ze hun situatie zo natuurgetrouw en gevoelig weer te geven. De schetsboekjes van Israëls, nu voor het eerst te zien, geven een rake impressie van die zoektochten. Het zijn observaties zonder mededogen. De mensen in de kelderwoningen en als naaktmodel in hun atelier zijn, net als de heren met hoeden en dames in het bont, alleen esthetisch en zakelijk interessant.

Kritiek was er ook op die werkwijze. Op zijn weergave van de Singelbrug bij de Paleisstraat had Breitner een ‘straatmeid’ neergezet, zo mopperde een NRC-journalist in 1896. De kunstenaar heeft het schilderij even later, nadat ook een geïnteresseerde koper het geen gezicht vond, aangepast: nu staat er een dame in een bontmantel en erachter een heer.

De tweede groep werken in de tentoonstelling verbeeldt de stilte. Willem Witsen maakte vanuit Breitners oude atelier aan de Oude Schans prachtige verstilde stadsgezichten. We zien de bekende aquarellen, ook een opmerkelijk wintergezicht van het Oosterpark, rond 1900. Breitner zou de mensen op de voorgrond hebben gezet, bij Witsen zijn het de bomen die de diepte in het beeld veroorzaken. Je zou denken dat Witsen het niet heeft op de drukte, maar als hij in Haarlem terechtkomt, blijkt dat hij heimwee heeft naar de grandeur van de stad. Hij moppert: ‘Altijd die heldere huisjes en schoone straatjes en bovenal altijd diezelfde menschjes en alles zoo kleintjes, verbrokkeld – nooit groot zuiver mooi – ’t is niet om uit te houden.’

Ook verstild zijn de foto’s in de tentoonstelling, te zien in de kleinere kabinetten. Smalle straten, onbewoonbaar verklaarde krotten, kelderwoningen. Het zijn voor het grootste gedeelte foto’s die gemaakt werden om de situatie in de sloppenwijken te inventariseren, niet als kunst maar als surveillance, niet voor het grote publiek maar als informatiebron voor de gemeente. Ernaast hangen de frivole foto’s van Breitner die, zonder zijn tijdgenoten veel over deze methode te vertellen, de opnamen gebruikte bij het opzetten en uitwerken van zijn schilderijen.

De foto’s hangen zo vanzelfsprekend bij de schilderijen en tekeningen alsof ze dezelfde status hadden, of dan ten minste nu hebben gekregen. Niets is minder waar. Juist de tekeningen, snel neergezet op straat, getuigen van een aanwezigheid, een menselijkheid waar de fotografie, en de film iets later, nog lang op moest wachten. Was Charles Baudelaire, de bezinger van het moderne leven en goede vriend van meesterportretfotograaf Nadar, niet tegelijkertijd de verdediger van de schetsen van Constantin Guys?

Het ging de kunstenaars in de grote stad – Guys, Édouard Manet, Gustave Caillebotte – niet om het bevriezen van het moderne leven, maar juist om de weergave van de beweging, de stoom, de energie. De Nederlandse kunstenaars, zo toont deze tentoonstelling, deden dat op hun manier, met de eigen, nog iets minder moderne steden. Wat vooral opvalt is de grijze sluier die over het grootste deel van de schilderijen en tekeningen zit – en die heeft niet alleen te maken met het soort verf dat ze gebruikten. Breitner had een voorkeur voor regenachtig, treurig weer, bij anderen ligt er erg vaak sneeuw – de mooiste geluiddemper die er is. Het meest verrassend is de zaal na het eind van de tentoonstelling. Daar hangen de Franse tijdgenoten van dat moment. De sprankelende kleuren van Paul Signac en Vincent van Gogh, die de druilerige straten inmiddels had verruild voor zonnebloemen. De vooruitgang had zich in Nederland even stilgehouden en moest nog ontdooien, de instrumenten voor de symfonie nog gestemd.


Rumoer in de stad: De schilders van Tachtig, tot 5 november in het Gemeentemuseum Den Haag; gemeentemuseum.nl