Amerika besteedt alvast aan in Irak

Druk op de werkvloer

Amerikaanse ‹cowboys› en Britse ‹Tommies› houden er in Irak zo hun eigen werkwijze op na. Over en weer klinken steeds vaker geluiden van onbegrip. Dat is ook merkbaar wanneer het gaat om het naoorlogse Irak. De Amerikanen besteden alvast driftig aan.

«Dat zouden wij nooit toestaan», zei een Britse officier die net door Amerikaanse mariniers door Umm Qasr was geëscorteerd. In het voorbijgaan hadden de Amerikanen het vuur geopend op een huis van waaruit ze enkele dagen tevoren waren beschoten. Maar even later gaf hij toe dat soldaten hun angst soms moeilijk kunnen beheersen. «Je moet beseffen dat die jongens maar voor één ding getraind zijn: denk alleen aan jezelf en aan je maten. Je weet immers niet wie de vijand is.»

Het verschil in mentaliteit tussen Britse en Amerikaanse militairen werd afgelopen week nogal eens buiten proportie opgeblazen. Vooral na enige friendly fire-incidenten leken de Britse emoties flink op te lopen. Het verschil in perceptie is vooral ontstaan door de verwachting dat het Iraakse leger niet tot veel weerstand in staat was, zeker niet na een bombardement met alle kruisraketten, clusterbommen en bunker busters. De Britten, wier operatiegebied tot het Zuiden beperkt was, konden van begin af aan de bevolking zo veel mogelijk ontzien. Drie Britse militairen lieten zich zelfs naar huis sturen uit protest tegen de vele burgerdoden rond Basra.

De Amerikanen kampten daarentegen op weg naar Bagdad met onverwachte tegenstand, aanvoerproblemen en oververmoeidheid zodat ze het met het oorlogsrecht en de veiligheidsprocedures niet zo nauw namen. «Dat was geen piloot, het was een cowboy», klaagde een Britse korporaal wiens verkenningsvoertuig de volle laag had gekregen van een Amerikaanse jachtvlieger. «Hij gaf geen zier om een mensenleven. Eerlijk gezegd geloof ik dat die lui gewoon achterlijk zijn.» De Amerikanen lijken ook op de grond roekelozer. Terwijl hun pantsercolonnes rondjes reden over de boulevards van Bagdad puilden de ziekenhuizen uit van slachtoffers, merendeels burgers. Volgens de Iraakse Rode Halve Maan werden er honderd doden en gewonden per uur binnengebracht.

In de «bevrijde» steden Najaf en Nasiriyah spelen zich mensonterende taferelen af. De af tocht van het Iraakse gezag schept ruimte voor de gevreesde plunderingen en afrekeningen onder Irakezen. Daarentegen beschreef de verslag gever van de Sunday Times hoe Amerikaanse soldaten een hele nacht lang elk voertuig dat de brug van Nasiriyah over kwam «aan flarden schoten». Bij daglicht bleken de doden allemaal ongewapende burgers te zijn. De best geregisseerde tv-beelden kunnen niet verhullen dat sommige Amerikaanse eenheden bestaan uit melkmuilen uit de Great Plains, achterstandszwarten en functioneel ongeletterde Latino’s die de bevolking van Irak het liefst met een overmaat aan vuurkracht onder de grond schoffelen.

Als de Iraakse guerrilla voortduurt, gaat dat laatste misschien letterlijk gebeuren. De Amerikanen hebben zich afgelopen jaar verdiept in de Israëlische tactiek in bezet gebied. Terwijl Amerikaanse mariniers oefenden in namaakdorpen in de Negevwoestijn bogen beleidsmakers in het Pentagon zich over instructievideo’s van het Israëlische leger, met name de beelden van de bloedige belegering van Jenin begin vorig jaar. In januari begeleidden Amerikaanse officieren incognito hun Israëlische collega’s bij huiszoekingen en straatgevechten. Weer een andere groep vergezelde Israëlische tankbrigades in bezet gebied. Volgens experts maken de Amerikanen momenteel in de steden langs de Eufraat gebruik van onbemande verkenningsvliegtuigjes, «drones», van Israëlisch fabrikaat.

«Vergeet de helikopters», was de raad van de Israëlische polemoloog Martin van Creveld aan de mariniers. «Investeer in gepantserde bulldozers. Er zijn drie belangrijke vraagstukken. Ten eerste: hoe kun je straten huis voor huis schoonvegen, in het bijzonder door middel van bulldozers, want die zijn erg geschikt om huizen open te breken. Twee: hoe en wanneer zet je helikopters in om sluipschutters uit te schakelen, en wanneer niet, waarbij ik denk dat Bagdad zo’n situatie is. En drie: hoe vermijd je burgerslachtoffers.»

Volgens Van Creveld is het Palestijnse verzet overigens niets vergeleken bij wat de Amerikanen te wachten staat, aangezien de Irakezen beter bewapend zijn dan de Palestijnen, en de Israëliërs doorgaans over betere inlichtingen omtrent hun tegenstanders beschikken. Hij erkent dat zijn derde regel — hoe vermijd ik burgerslachtoffers — zodoende nog moeilijker valt te handhaven.

De Britten gaan er prat op dat ze de belangrijkste stad in hun sector, Basra, voorzichtig wijk voor wijk innemen, waarbij ze Saddams volgelingen uitroken, hun gebouwen opblazen en de emblemen van zijn macht uit het straatbeeld verwijderen. BBC-verslaggevers benadrukken dat de Britse troepen ervaring hebben opgedaan met «clever tactics» in Noord-Ierland, Bosnië en Afghanistan.

Daarop valt wel wat af te dingen. Hun optreden in Noord-Ierland bijvoorbeeld staat sinds het uitbreken van de burgeroorlog (1968) en zeker sinds Bloody Sunday (1972) bloot aan felle kritiek. Niet alleen vanwege martelingen en geheime liquidaties van IRA-verdachten, maar ook om hun neerbuigende behandeling van de gewone Ierse burgers. Ze hebben er de harten en geesten van de Ieren in elk geval niet mee gewonnen.

De BBC toonde deze week enige voorproefjes van de «Ierse tactiek», bijvoorbeeld de inzet van commando’s die in helikopters boven een bepaalde zone patrouilleren. Ze kunnen op elk gewenst moment landen om gebouwen te inspecteren of roadblocks op te werpen. Zo betrappen ze soms Iraakse paramilitairen, maar intussen bouwen ze geen vertrouwensrelatie met de plaatselijke bevolking op.

Een ander voorbeeld is de razzia van afgelopen zaterdagmorgen in een buitenwijk van Basra. Tientallen mogelijke Saddam-aanhangers werden op aanwijzing van hun buren en Britse inlichtingenofficieren opgepakt, geblinddoekt en afgevoerd voor verhoor. Hopelijk hebben die buren en officieren het bij het rechte eind, anders creëren de Britten gaandeweg meer problemen dan ze oplossen en zullen ze eerder aan Belfast of Gorazde worden herinnerd dan hen lief is.

Ook de humanitaire situatie in het zuiden is niet rooskleurig, ondanks de aankomst van een Brits bevoorradingsschip aan de kade van Umm Qasr en de provisorische behandeling van Iraakse gewonden door goedbedoelende Britse hospikken. De chaotische verstrekking van noodrantsoenen vanuit vrachtwagens spreekt boekdelen. «De hulpverlening is een puinhoop», aldus medewerker Patrick Nicholson van de hulporganisatie Cafod. «Tot voor kort werkte ik in Angola. Ik had nooit verwacht dat ik precies dezelfde armoede zou aantreffen in Irak, een land dat zwemt in olie. De tv-beelden uit Umm Qasr gaven me de indruk dat de stad onder controle was, maar er is helemaal geen controle, het lijkt wel het Wilde Westen. Zelfs in de allereerste humanitaire behoefte, water, is niet voorzien.»

De tegenstelling tussen cowboys en Tommies verhult een ander twistpunt, namelijk de toekomst van Irak. De Britten, die Irak zo snel mogelijk zelfstandig willen maken, zijn in de haven van Umm Qasr begonnen met het aannemen van plaatselijke werkkrachten om de verbroedering van Britse soldaten en inwoners te bevorderen. Het was de bedoeling ook het havenbestuur op korte termijn in Iraakse handen te geven, zei de Britse luchtmaarschalk en opperbevelhebber Brian Burridge vorige week. Tot zijn verontwaardiging hebben de Amerikanen daar een stokje voor gestoken: ze «verkochten» de bedrijfsvoering in de haven voor vijf miljoen dollar aan Stevedoring Services of America (SSA), een stuwadoorsbedrijf uit Seattle dat bij vakbonden bekend staat als stakingsbreker.

Tony Blair doet zijn best om de Amerikanen te overtuigen dat de VN een belangrijke rol moeten spelen in het naoorlogse Irak. Te oordelen naar de tegenstrijdige uitspraken van Amerikaanse ministers en adviseurs heeft Washington echter nog geen vastomlijnd plan. Die onduidelijkheid komt de regering-Bush misschien wel goed uit. De invasie verliep anders dan gepland en ook de vrede zal er anders uitzien dan gehoopt. De gevechten zijn niet zomaar voorbij na de ontmanteling van de laatste Iraakse eenheden. Groepen Irakezen kunnen zich militair of anderszins blijven verzetten, waarbij ze kunnen putten uit talloze geheime wapenvoorraden die ze in het hele land hebben aangelegd.

Het Britse militaire hoofdkwartier houdt er rekening mee dat veel van Saddams meest geharde soldaten zullen onderduiken als «slapers». Hun loyaliteit aan Saddam zal mogelijk plaats maken voor een godsdienstige inspiratie die aansluit bij het anti-Amerikaanse verzet in de rest van de islamitische wereld. De Britse politicoloog John Gray heeft erop gewezen dat de Arabische landen niet staan voor een keuze tussen seculiere dictatuur en seculiere democratie, maar seculiere dictatuur en islamitische democratie. «Wat de volken van het Midden-Oosten willen en wat de Amerikaanse regering zegt dat zij willen, zijn twee verschillende dingen», aldus Gray. «De Irakezen konden hun bevrijding wel eens gebruiken om een lang onderdrukt fundamen talisme te omarmen, en de VS zullen daarop wellicht reageren met een poging om het uit te roeien.»

De vergelijking met de Westbank dringt zich op. «De Amerikanen zullen ontdekken dat een bezetting bloedig en onhoudbaar is», schrijft The Guardian. «Hun soldaten zullen worden belaagd door sluipschutters en zelfmoordcommando’s, en door hun tegenmaatregelen zullen ze ook die mensen van zich vervreemden die dankbaar waren voor de verdrijving van Saddam. Het is waarschijnlijk dat de VS gauw de overwinning zullen uitroepen, een zwak regime installeren en zich terugtrekken voordat alles instort. En dan zouden de domino’s wel eens de andere kant op kunnen vallen, waarbij andere Arabische regimes in moeilijkheden komen door de bundeling van Arabisch nationalisme en islamitisch fundamentalisme die de VS met hun oorlog tot stand hebben gebracht.»

Het is een somber scenario, maar de eigen gereidheid waarmee de Amerikanen te werk gaan is ook een sombere voorbode. Nog voordat het land is bezet, buitelen Amerikaanse bedrijven over elkaar heen om de Iraakse markt te veroveren.

Het Republikeinse Congreslid Daryll Issa uit Californië diende een wetsvoorstel in om het Iraakse telecomnetwerk te onderwerpen aan de CDMA-standaard. Die verschilt radicaal van de GSM-standaard, zodat Iraakse mobiele bellers straks zijn afgesloten van Europa en de rest van het Midden-Oosten. In een brief aan minister Rumsfeld van Defensie onthult Issa zijn pointe: Franse, Duitse en andere Europese mobiele aanbieders hebben het nakijken. Toevallig is CDMA ontwikkeld door Qualcomm in San Diego, een van de grootste sponsors van Issa’s verkiezingscampagne.

Bouwbedrijven als Bechtel en Schlumberger halen orders binnen zonder rekening te hoeven houden met buitenlandse concurrentie. Het bouw- en energiebedrijf Halliburton, waarvan vice-president Cheney zes jaar directeur was, heeft echter een reeds toegezegd contract voor het blussen van brandende oliebronnen afgewezen. De precieze toedracht is onbekend, maar woordvoerders van de directie wekken de indruk dat hun deelname ten koste zou kunnen gaan van hun imago in de Arabische wereld.

Ronduit onbegrijpelijk lijkt de keuze voor luitenant-generaal b.d. Jay Garner als hoofd van het Office of Reconstruction and Humanitarian Assistance for Post-War Iraq dat het burger bestuur over Irak moet vormen. De laconieke Garner («Call me Jay») wordt geprezen om zijn aanpak van de politieke en humanitaire problemen in Noord-Irak waar hij in 1991 leiding gaf aan operatie Provide Comfort. Hij is echter ook een bewonderaar van Ariel Sharon en tekende in 2000 een open brief waarin de «terughoudendheid» van het Israëlische leger in de bezette gebieden werd geprezen. In Arabische kring is dat geen fijne binnenkomer. Bovendien heeft hij ook belangen in de wapenindustrie. Garner is president-directeur van SY Coleman, een onderaannemer die technische ondersteuning levert voor het Patriot-raketsysteem.

Veel zal afhangen van wat er gaat gebeuren met de Iraakse olie. Oorspronkelijk hadden de neoconservatieve «strategen» in het Pentagon de wildste plannen. Onderminister Wolfowitz van Defensie wilde de oliekranen in Basra, Mosul en Kirkuk wijd opendraaien zodat de wereldolieprijs onder de vijftien dollar zou zakken. Daardoor zou de gehate Opec in het hart worden geraakt en zouden de «schurkenstaten» Iran, Syrië en Libië in korte tijd failliet gaan.

Toen de Amerikaanse oliemaatschappijen hier in januari lucht van kregen, werd het plan ijlings afgevoerd. Wolfowitz had over het hoofd gezien dat ook de Amerikaanse olieproducenten in dat geval op de fles gaan aangezien zij relatief dure olie uit de grond halen in Noord-Amerika, Mexico en Indonesië. De productie van een vat Mexicaanse olie kost dertien dollar, tegen anderhalve dollar voor een vat Saoedische. En niet alleen de Amerikaanse olievelden zouden onrendabel worden, ook de Noorse, Canadese en Nigeriaanse.

Bovendien moet eerst iemand die kraan openzetten, en dat is geen sinecure. Volgens een studie die de Council on Foreign Relations heeft laten verrichten door het Baker Institute, de oliefaculteit van de Rice Universiteit in Houston, Texas, zal het herstel van de Iraakse productiecapaciteit vijf miljard dollar kosten en het herstel van het elektriciteitsnet — onontbeerlijk voor de olieproductie — nog eens twintig miljard. «Gezien het feit dat Iraks olieopbrengst nu rond de tien miljard ligt, zal een omvangrijke bijdrage van de buurlanden, multilaterale instellingen en andere westerse partners nodig zijn», concludeert het rapport.

Ook in The Wall Street Journal dempen olie-experts de overspannen verwachtingen. «Zolang er sprake is van sporadisch verzet en instabiliteit is de exploitatie een moeilijke opgave», zegt een van hen. «Net als in Nigeria waar de productie om de haverklap stagneert door aanslagen en andere moeilijkheden.»

Ook de hoop van het Pentagon dat de kosten van de invasie kunnen worden terugbetaald uit de Iraakse oliewinst berust op niets. Dat schrijft Yahya Sadowski, hoogleraar aan de Amerikaanse universiteit van Beiroet, in Le Monde Diplomatique. Hij noemt Bush, vice-president Cheney en andere «olieboeren» in de regering erbarmelijke amateurs en wijst er op dat Bush’ eigen oliemaatschappijtje Arbusto al jaren geleden over de kop is gegaan. Sadowski rekent voor dat het tientallen miljarden dollars kost om de Iraakse olieproductie terug te brengen op het oude niveau van drieënhalf miljoen vaten per dag. De jaarlijkse winst zal dan stijgen tot vijftien miljard dollar, waarvan de helft opgaat aan het afbetalen van Iraks nationale schuld van 110 miljard dollar aan Rusland, Frankrijk en enkele Arabische landen.

Na aftrek van een nog onbekend percentage, bestemd voor de wederopbouw van het land, blijft er voor de Amerikanen een fooi over. De kosten van de invasie bedragen nu al 75 miljard dollar. Het Congressional Budget Office heeft uitgerekend dat een militaire bezetting van Irak tussen de vijf en twaalf miljard dollar per jaar zal kosten. «De pacificatie van Irak wordt moeizamer en duurder dan gedacht», zegt Sadowski vanuit Beiroet. «Adviseurs als Condoleeza Rice kunnen wel zeggen dat alleen landen van de ‹coalitie van bereidwilligen› eraan mogen deelnemen en ook bedrijven die zaken doen met Iran zoals BP en Shell worden uitgesloten, maar vroeg of laat slaat de economische werkelijkheid terug. De kosten zullen moeten worden gedeeld met zo veel mogelijk anderen, en dat betekent dat verregaande internationale samenwerking, zowel met de VN als met multinationals, onontbeerlijk wordt.

Om er nog zo veel mogelijk uit te halen, doen de VS er goed aan de grote oliemaatschappijen met elkaar te laten concurreren. Het idee om alleen Amerikaanse maatschappijen als Exxon-Mobile en Chevron-Texaco toe te laten, hebben ze al opgegeven. Ook niet-Amerikaanse maatschappijen — zoals het Russische Loekoil, het Franse TotalFinaElf en British Petroleum — zullen een rol spelen. Alleen zo kan Bagdad zijn oliewinst maximaliseren en zijn wederopbouw financieren. De Iraakse oppositie in ballingschap heeft dat goed begrepen en onderhandelt al met niet-Amerikaanse oliemaatschappijen.»