Druksels van het paradijs

Een echte ‘Werkman’ is de droom van iedere liefhebber van typografische kunst. De druksels van Hendrik Nicolaas Werkman beginnen nu ook tot het groter publiek door te dringen. Het wachten is op Werkman-theedoeken en -dekbedden. Brieven van H.N. Werkman. De Arbeiderspers, f40,-; A. Zuithoff, Hendrik Werkman en de Blauwe Schuit: Herinneringen van een schipper. Uitgeverij Andre Schwertz, f69,- De tentoonstelling in het Centrum Beeldende Kunst, aan de Trompsingel te Groningen is nog te zien t/m 7 mei.
IN 1968 VERSCHEEN bij De Arbeiderspers als tiende deel in de reeks Privedomein het boekje Brieven van H.N. Werkman 1940-1945. Onder de ruim honderdnegentig delen die volgden, zijn er weinig zo mooi en zo zuiver als de oorlogsbrieven van deze Groningse kunstenaar. Vol passie, vol hang naar schoonheid en vriendschap, vol humor - meer tongue in cheek dan dijenkletsend - vormt deze lucide correspondentie een soort dagboek van een kunstenaar die in een zeer donkere tijd zijn artistieke hoogtepunt bereikte. Vandaar dat het toe te juichen valt dat rond de vijftigste sterfdag van Werkman, te midden van reeksen publikaties, theaterprodukties en tentoonstellingen, de derde druk van deze brievenbundel is verschenen.

Hoewel er na 1945 altijd wel aandacht aan Werkman is geschonken en zijn Chassidische legenden in vele beschaafde huiskamers te vinden zijn, lijkt het wel of het grote publiek nu pas aan Werkman toe is. Eind vorig jaar liet een groot ingenieursbureau een prachtige Werkman-kalender vervaardigen, in een oplage van 14.000 exemplaren, en er werd om gevochten. Zullen binnenkort ook de eerste Werkman-stropdassen en -dekbedden in de winkels liggen?
HET VERHAAL van Werkman is inmiddels bekend. De aanvankelijk succesvolle handelsdrukker die door gebrek aan zakelijk inzicht failliet ging en zodoende tijd overhield om te experimenteren met zijn drukpers. Het wat stugge en vormelijke lid van de avantgardistische kunstenaarsvereniging De Ploeg die zijn geheel eigen weg ging en via expressionisme en typografische verkenningen tot een volstrekt eigen techniek en stijl kwam. De bedaarde huisvader die in alle rust aan zijn kunst wilde werken maar op 10 april 1945, enkele dagen voor de bevrijding van Groningen, door de SD werd vermoord. Uit zijn brieven komt hij naar voren als een door en door sympathiek man - wat beslist niet van iedere grote kunstenaar gezegd kan worden - en bovendien herkennen we in hem een echt literair talent.
De weg die Werkman, geboren in 1882, heeft afgelegd is een zeer lange geweest. Begonnen als journalist werd hij al spoedig een drukkerspatroon die in zijn vrije tijd tekende en schilderde. Niets bijzonders. Ook zijn schilderijen zijn niet echt opmerkelijk. Wie echter de negen nummers van The Next Call bekijkt, het tijdschrift dat Werkman tussen 1923 en 1926 maakte, kan zich nauwelijks voorstellen dat dit het werk is van een autodidact in een stoffige provincieplaats. Werkman legde door middel van ruilabonnementen contacten met andere avantgardekunstenaars, en nam in 1930 deel aan de expositie Cercle et carre in Parijs, maar hij bleef een vrij geisoleerde figuur wiens baanbrekende betekenis voor de moderne typografie pas na de oorlog algemeen werd erkend. De vrijheid waarmee Werkman met zijn materiaal omging, lijkt nu vanzelfsprekend - en is zelfs tot een maniertje van grafische vormgevers geworden - maar was in de jaren twintig nog ongehoord. Hij werd, evenals zijn Ploeg-genoten, door de meeste Groningers beschouwd als een ongevaarlijke gek, en ook het kunstminnende publiek wist niet goed wat men met zijn werk aan moest.
Tegenwoordig is het bezit van een echte Werkman de droom van iedere liefhebber van typografische kunst. En toch kan men Werkman nauwelijks groter onrecht aandoen dan door hem te zien als een maker van ‘bibliofiele boekjes’. Niet alleen die uitdrukking is al belachelijk - een boek dat van boeken houdt! - maar het werk van Werkman heeft eenvoudig niets te maken met de oververzorgde uitgaven van literaire marginalia die in kleine oplagen en tegen hoge prijzen op de markt komen. Zelf schreef Werkman in 1941 enigszins misprijzend over de bibliofiele publikaties van Stols en anderen als over 'al dat onberispelijk gedrukte drukwerk dat in al zijn aestetiseerende pretenties aan karakter inboet. Prima letter, prima inkt en prima papier in de handen van eerste klas vaklui op de allerbeste persen is toch ook niet je ware. Wij hebben een heel andere basis.’
Later schreef hij over de clandestiene uitgaven van de 5 Ponden Pers dat hij ze 'veel te mooi’ vond. 'Wil je wel geloven dat ik nooit zooiets voor mijn pleizier zou maken? Dat is gewoon gesublimeerd vakmans-drukkers-werk zonder een grein artisticiteit of zelfs van persoonlijkheid.’ Hielden Stols c.s. de oplage klein omwille van de exclusiviteit, bij Werkman was de oplage klein omdat zijn techniek zo arbeidsintensief was. Bibliofiele uitgeverijtjes leveren vaak eerste klas vakwerk, Werkman maakte kunst.
DE TYPOGRAFIE VAN Werkman is zo uniek omdat hij niet de grafische vormgever was die met teksten en beelden van anderen aan de slag ging. Om te beginnen maakte hij geen illustraties bij een tekst, maar creeerde hij zelfstandige kunstwerken waarin de tekst geintegreerd was. Ook maakte hij composities met losse letters. Bovendien schreef hij bijna alle teksten voor The Next Call zelf. Dat nogal wat van die teksten in het Duits waren gesteld, moeten we niet psychologisch duiden als een soort voorafschaduwing van zijn gewelddadige dood, maar zal waarschijnlijk te maken hebben met het feit dat het de taal was van de avant-garde (expressionisme, Dada, Bauhaus et cetera). Soms zitten daar prachtige gedichten tussen, zoals 'damals als die erde noch nicht rund war…’ Ook maakte hij klankgedichten a la Kurt Schwitters - 'Hoopvol begin 1936’ begint bijvoorbeeld zo: 'verecte a selecte/ ne more ne pandecte/ se vaste vaste vekte/o laste lasto lecte.’
Evenmin ontbraken typisch modernistische 'manifesten’, zoals de tekst die begint met: 'het dogma van de traditie heeft zijn afscheidsbezoek nog niet aangekondigd wegens een surplus aan handschoentjes.’ De schitterende biografie van Hans van Straten (Meulenhoff 1980), die vermoedelijk dit jaar nog wordt herdrukt, bevat reeds een keur aan dergelijke teksten, maar het Grafisch Museum te Groningen heeft de publikatie aangekondigd van een ruime keuze aan Werkman-teksten, verzorgd door Poul ter Hofstede.
EIND JAREN DERTIG leek aan het isolement van Werkman langzaam een einde te komen. Hij was 'ontdekt’ door Sandberg, toen conservator van het Stedelijk Museum van Amsterdam, en kreeg in 1939 zelfs een kleine expositie in de hoofdstad. Toch kwam de doorbraak pas tijdens de oorlog, toen hij al tegen de zestig liep. Niet alleen kwam er toen meer belangstelling voor zijn eerdere werk, ook maakte hij in die jaren zijn beste werk.
Aanvankelijk was Werkman door het uitbreken van de oorlog enigszins uit het lood geslagen. Hij was somber en had weinig werklust. Hierin kwam verandering toen hij eind 1940 in contact kwam met een aantal mensen dat onder de naam De Blauwe Schuit bemoedigende teksten wilde verspreiden. Als eerste werd Nijhoffs gedicht 'Het jaar 1572’ uitgegeven. Deze rijmprent, waarvan er honderd werden gedrukt, was verlucht met een houtsnede van Jan Wiegers. Al spoedig zou Werkman zelf illustraties, vignetten of zelfstandige bladen maken. In samenwerking met de predikant August Henkels en de chemicus Ate Zuithof, die veelal de ideeen aandroegen en de distributie voor hun rekening namen, zou Werkman veertig Blauwe Schuit- uitgaven vervaardigen.
In het Groningse Centrum Beeldende Kunst is op dit moment nog een tentoonstelling te zien met werk dat Werkman in deze periode maakte. In deze Blauwe Schuit-publikaties blijven de teksten vaak ver achter bij de vormgeving. Neem bijvoorbeeld 'Paul Robeson zingt’, met een fenomenale negerkop op het omslag en een zeer ingenieus gebruik van het hartsymbool in de tekst. Het gedicht van Marsman en de typografie van Werkman lijken een onlosmakelijke eenheid, maar wie de tekst van Marsman, geschreven in zijn katholiserende periode en onder de titel 'Hart zonder land’ in 1929 gepubliceerd in De Gemeenschap, nog eens naleest, komt tot de conclusie dat we hier te maken hebben met een regelrechte draak. En naar ik vrees zullen ook de meeste gedichten van Nijhoff, Vestdijk en Henkels de concurrentie met Werkmans drukwerk verliezen. Zo is ook de expressionistische bombast van Georg Trakl nauwelijks meer te verteren, maar heeft Werkman van zijn gedicht 'Menschheit’ een weergaloos mooie uitgave gemaakt, met een zeer indrukwekkende, bruinrode 'apostelkop’ op het voorblad.
Hoogtepunt van de expositie, en van Werkmans gehele oeuvre, vormen uiteraard de Chassidische legenden. Deze twee portefeuilles van elk tien prenten zijn gebaseerd op het boekje Die Legende des Baalschem van Martin Buber. Deze verhalen over de 'wonderrebbe’ Israel ben Elizer, bijgenaamd Bal Sjem Tov ('Hij die Gods naam op de goede wijze gebruikt’) maakten diepe indruk op Werkman. 'Men moet ze lezen zoals men perziken eet. Want wie het anders doet ondergaat ze niet’, schreef hij aan Henkels. Werkman las de verhalen inderdaad zeer behoedzaam, nam ze in zich op en liet geen druppel verloren gaan. Met groot enthousiasme begon hij aan de enorme klus, die pas na twee jaar voltooid zou zijn. De twintig prenten werden gedrukt in een oplage van twintig exemplaren, terwijl elk afzonderlijk blad ettelijke tientallen handelingen vergde.
Wie Werkmans Chassidische legenden bekijkt, wordt iedere keer weer getroffen door de verpletterende eenvoud van de druksels. Met simpele sjablonen en ingerolde kleurvlakken wist Werkman de sfeer van de verhalen volledig te treffen. De eenvoud, het ontbreken van vrijwel ieder detail, past perfect bij de legende van de achttiende- eeuwse Poolse rabbi. De beweging van het chassidisme was onder meer een mystieke reactie geweest op de gortdroge, puur intellectualistische wijze waarop veel talmoedisten inhoud gaven aan het joodse geloof. De chassid zocht zijn God in vreugde, in opgewekte meditatie, in extase. De Baalschem leerde zijn geplaagde, onder het lot gebukt gaande volgelingen weer rechtop te staan en de toekomst onder ogen te zien. In de ijle, transparante bladen van Werkman komt dit heel sterk naar voren. Ook hier geldt dat de teksten van Henkels volstrekt verbleken bij de beelden van Werkman.
HET INTENSIEVE contact met Zuithoff en Henkels leverde niet alleen de prachtige Blauwe Schuit-uitgaven op, maar tevens een uitgebreide correspondentie, die het leeuwedeel vormt van Werkmans brieven uit de oorlogsjaren. Uit die brieven komen we veel te weten over zijn werkwijze. Zo zien we hem in juni 1941 ploeteren op de Legenden. Als hij denkt dat een bladzijde helemaal mislukt is, zet hij er een lijst voor, om dan onmiddellijk te zien dat het een volmaakt werk is. Ook beschrijft hij hoe zijn druksels hun vorm krijgen door de kleur, die er als het ware een 'stempel’ op drukt.
Hoewel hij altijd bleef schilderen, besefte hij dat zijn kracht in het drukwerk lag. 'Als schilder op het doek heb ik nog aarzelingen, bij het werken met drukinkt en papier nooit. Dat gaat zo lustigjes vanzelf - als het goed gaat - en de volgende zet volgt zoo logisch uit de voorgaande dat het nooit die zorgen geeft die een schilderij wel kan geven.’ Als een koper om een beschrijving van zijn 'geheimzinnige’ werkwijze vraagt, schrijft hij aan Henkels dat hij niet zo'n zin heeft 'om al die menschen aan de neus te hangen hoe simpel en eenvoudig dat allemaal is’. Enige koketterie zal hier niet vreemd aan zijn, maar Werkman zag zich toch in de eerste plaats als een creatieve arbeidsman. Van kunstenaarspretenties ontbreekt bij hem elk spoor. 'Das Werk soll den Meister loben.’
Ook zijn leven komt aan de orde in de oorlogsbrieven. In zijn beschrijvingen van fietstochten, gesprekken met mensen, en gevoelens is hij al even trefzeker en efficient als in zijn druksels. Net als in zijn grafisch werk lijkt het allemaal zo eenvoudig, zo gewoontjes, maar juist daardoor blijft het de lezer/toeschouwer zo goed bij. Zo schreef hij over zijn vrouw, die zwaar verregend in de drukkerij komt met het verzoek een brief voor haar te typen: 'Nadat ik met de zakdoek een klein plaatsje op haar gezicht droog gemaakt heb om daar een zoen te plaatsen heb ik dat karweitje ook maar aangenomen in de hoop op een lekker bordje soep.’ Dat is volgens mij wat Pasternak bedoelde met 'de poezie van het triviale huwelijksleven’.
In zijn brieven is Werkman vaak kritisch over zijn medemens, maar daar was het ook wel de tijd naar. Hij had weinig op met 'de doorsnee- mensch, die eigenlijk het heele leven zelf maar van horen zeggen heeft en wiens grootste zorg is dat hij ongeschonden door de tijd komt en veilig in de buurt blijft van een pensioentje en dergelijke dingen.’ Werkman, die meermalen joodse onderduikers in huis had, constateerde bitter: 'Wat malen dergelijke lui om een overtuiging, ze hebben liever principes. En dan natuurlijk de meest conventionele die er in omloop zijn.’ Toch bleef hij vooral ironisch en werd hij zelden sarcastisch, laat staan cynisch. Op haast tedere wijze spotte hij bijvoorbeeld met iemand die hem vroeg waarom de 'sociale kwestie’ geen rol speelde in zijn werk, of met het echtpaar dat een 'Werkman’ kwam uitzoeken voor boven het dressoir.
WAS WERKMAN dus ook een literator? Nee. Hij kon goed schrijven maar hij heeft zich er niet op toegelegd. Iemand die uit liefhebberij een verdienstelijk stukje piano speelt is immers ook nog geen musicus. Werkman had een zeker literair talent, maar heeft eigenlijk alleen zijn beeldend talent tot ontwikkeling gebracht. Toch was literatuur voor hem wel belangrijk. Niet dat hij hele bibliotheken uitlas, maar als hij las, deed hij dat zeer intens. Evenals muziek - hij was gek op jazz - was literatuur voor hem een belangrijke inspiratiebron. Zijn voorkeur ging uit naar dichters die in hun gedichten 'schilderden’ met woorden. Hij wilde beelden zien als hij las, en muziek horen als hij kunst bekeek. In zijn jeugd was hij een liefhebber van Kloos, later hield hij ook veel van Slauerhoff en Marsman, maar zijn favoriet was Leopold. In diens 'koele peluw van mijn eenzaamheid’ herkende hij veel. Ondanks zijn huwelijken en vriendschappen was Werkman vaak eenzaam, omdat natuurlijk elke grote kunstenaar in feite een eenling is.
Werkmans druksels werden niet alleen gevoed door poezie, ze hebben zelf ook een uitgesproken poetisch karakter. Beschouwde hij een schilderij van Klee als een 'heele roman of novelle in een kwart vierkante meter’, Werkmans druksels hebben veel weg van gedichten. Goede poezie geeft geen uitputtende beschrijvingen van emoties, sensaties of gedachten; ze verwijst er slechts naar, zet in ons hoofd luikjes open waardoor het onverwachte naar binnen kan vallen. Als een roman vergeleken kan worden met een auto, waarin we een verre, al dan niet opwindende reis kunnen maken, dan is een gedicht niet meer dan de startmotor die onze verbeeldingskracht in beweging zet.
Werkmans druksels bestaan uit eenvoudige, om niet te zeggen simpele vormen, vaak niet meer dan pictogrammen, aanduidingen van vormen. Ook in het gedicht gaat het vaak niet om de exacte betekenis van een woord, maar om de kleur ervan, om de associaties die het oproept. Hetzelfde zien we in de druksels van Werkman. De kracht ligt vooral in de heldere, transparante kleuren die de ogenschijnlijk vlak-decoratieve voorstelling een enorme diepte geven. Het is alsof we de voorstelling worden ingezogen en terecht komen in een schaduwloos eilandenrijk waarin alles licht en zuiver is. Werkman had het zelf over 'de druksels van het paradijs’.
LEENT EEN dergelijke kunst zich voor massale bewondering en de daarmee onlosmakelijk verbonden merchandising? Het valt te betwijfelen. In een artikel in Trouw over de Chassidische legenden vroeg Herman Verbeek zich eind 1993 af of Werkman en zijn Ploeg-vrienden in de, toen nog in aanbouw zijnde, oostelijke vleugel van het Groninger Museum niet volledig onder de voet zouden worden gelopen door de 'spetter-cultuur’. Wie deze indrukwekkende constructie van stalen scheepswanden heeft bezocht, moet concluderen dat Verbeeks angst niet geheel ongegrond was. Niet alleen is veel werk, zoals bijvoorbeeld Jan Wiegers’ prachtige portret van Anton Constandse, zo hoog opgehangen dat je in het museumwinkeltje een kaart moet kopen om te zien hoe het schilderij er ongeveer uitziet, ook het werk van Werkman is met weinig respect behandeld. De Legenden hangen in een benauwde gang waarin het niet mogelijk is de nodige afstand te nemen. Bovendien waren nogal wat prenten half uit hun passe-partout gezakt.
Als dit de omgeving is waarin men straks, in november, de overzichtstentoonstelling inricht, dan ziet het er somber uit. Het zal wel hogelijk ouderwets zijn, maar de druksels van Werkman vragen om rust, ruimte en toewijding. Geconfronteerd met postmodern geschetter en architectonisch exhibitionisme zullen ze zich vermoedelijk terugtrekken en hun pracht verborgen houden.