Druppen, spatten

Als je denkt aan de sierlijke naakten van Picasso, destijds het summum van avontuurlijke kunst, wordt duidelijk hoe radicaal de schilderijen van Jackson Pollock waren.

IN DE BEROEMDE film van Hans Namuth zien we Jackson Pollock in zijn beste (om niet te zeggen heroïsche) tijd bezig in een atelier dat eruitziet als een kale schuur. Hij maakt een schilderij. Het doek ligt los op de grond uitgespreid en de schilder beweegt zich eromheen - wat voorover gebogen, draaiend en sluipend en loerend als een kat. In een hand houdt hij een blik met dunne verf waarin hij, met de andere hand, een penseel doopt om vervolgens de verf over het doek te smijten, in druppels en spatten. Soms gaat dat snel en impulsief, dan weer (terwijl hij kijkt hoe de zwaaiende lijnen en bogen van spattende verf terecht zijn gekomen) veel bedachtzamer. Af en toe laat hij met rustige bewegingen de verf direct uit het blik op het doek druipen. Nooit eerder had iemand zo intuïtief geschilderd. In de tijd dat de film werd gemaakt, begin jaren vijftig, waren de schilderijen van Pollock groot en vooral breed - als friezen, waarin hij figuratieve vormgeving zocht te vermijden en, door die typische manier van doen (dripping), ons een onpeilbare ruimte voor wilde toveren, een ruimte waarin onvoorstelbare bewegingen van vorm en ruimte zichtbaar werden.
Het schilderij Reflections of the Big Dipper, uit 1947, is veel kleiner en is wat formaat betreft veel traditioneler dan de latere drippings. Het staat aan het begin van zijn baanbrekende ontdekking, reden waarom er ook nog enige aarzeling te zien is in hoe het ding op gang komt. Voordat de dunne, soms ragfijne verfslierten verschenen was er, lijkt het, eerst een andere compositie - wolkig van karakter, met een vrij droog penseel gestempelde vlekken blauw en geel en roze, informeel en los in samenstelling. Het lijken kleuren op drift die op zoek zijn naar een steviger vormgeving. Het was misschien zoals je in een riviertje naar kronkelend water kijkt. Soms begint de stroming op een figuur of patroon te lijken maar blijkt dan toch wispelturiger. Het is het zien van suggestieve vormwording en ook zien hoe, op hetzelfde moment, vorm weer aan het zicht ontsnapt.
Dat was het effect dat ging optreden toen Pollock het rusteloze oppervlak van Big Dipper nog ongrijpbaarder liet worden door het zo te overdekken met een onnavolgbaar web van krullige slierten en vlekken. Misschien dat zich rond de blauwe vlek net onder het midden een soort zwaartepunt vormt waar de draaiende slierten zich omheen bewegen. Maar als je verder kijkt, naar de vlekken geel bijvoorbeeld, of naar het vluchtige gedraai zelf van de zwarte lijnen, dan blijkt dit schilderij toch vooral te gaan over het open en transparant houden van een oppervlak - en over hoe dat luchtige web overal een onnavolgbaar licht doorlaat. Die suggestie van abstract licht (misschien wel het onderwerp van het schilderij) werd groter naarmate rond 1950 de drippings groter en ruimtelijker werden. In dezelfde jaren golden de wulpse, sierlijke naakten van Picasso als het summum van avontuurlijke moderne kunst.
Als je daaraan denkt, wordt duidelijk hoe radicaal de schilderijen van Pollock waren.Een programmatisch Abstraktes Bild uit 1977 van Gerhard Richter is er, in zekere zin, een gevolg van. Er is echter ook een verschil. In de zwevende passages vorm en kleur in dat schilderij bespeur je de aanwezigheid van een soort staketsel dat, anders dan bij Pollock, de ruimtelijkheid een bijna architectonische vorm geeft, bizar als in een inventie van Piranesi. Dat komt door de manier van maken. Eerst had Richter met kwast en verf op een klein doekje de constructie ontworpen: een constructie van verfstreken over en tegen elkaar. Vervolgens heeft hij zorgvuldig op groot formaat in een gladde factuur nageschilderd. Het schilderij heeft daardoor iets uitgekiends. Zoals de conceptuele kunstenaar Sol Lewitt, koel en afstandelijk, seriële combinaties van kubussen maakte, zo ontwierp Richter abstract-conceptuele schilderijen.
Pollock was, als gezegd, ouderwets impulsief, maar wat hij gedaan heeft is van fundamentele betekenis geweest. Er zit ook een puur fysiek aspect aan wat we ervaren als de diepe transparantie van zijn werk. De oppervlaktes zijn niet geschilderd (met streken en vegen verf als bij Picasso) maar daadwerkelijk gedruppeld. Terwijl het oppervlak dus vorm lijkt te krijgen, spat het ook weer in druppels uit elkaar. Dat was net een stap verder dan het vreemd losse oppervlak van de Victory Boogie Woogie van Mondriaan. Er wordt gezegd dat de jonge Pollock in 1943-44 misschien bij Mondriaan in zijn atelier geweest is.