Herman Brinkman, Liefde, leven en devotie

Du coors die doot

Aloeette, vogel clein,
dijn nature es zoet ende rein,
so es dijn edel zanc.
Daer dienstu met den here allein
te love om sinen danc.

Leeuwerik boven de wei,
lief en zuiver, dat ben jij,
net als je melodie.
Daar dien je God mee,
hoog en blij,
je weet dat hij het ziet.

Wat is de beste manier om van poëzie te genieten? Hoogopgeleide liefhebbers zullen zonder aarzeling stellen dat gedichten pas goed tot hun recht komen wanneer men ze in stilte en concentratie leest en herleest. Gedichten zijn immers compacte betekenismachines, die hun potentieel alleen ­vrijmaken wanneer je er de tijd voor neemt. Deze vorm van lezen is historisch gezien echter een betrekkelijke noviteit, en volgens sommigen is ze ook allang weer op haar retour. Eeuwenlang was poëzie een orale aangelegenheid, waarbij zangers of voordrachtskunstenaars werk van henzelf of van anderen uitvoerden voor een al dan niet aandachtig publiek, maar ook tegenwoordig zijn er meer mensen die poëziefestivals bezoeken dan lezers, laat staan kopers, van dichtbundels. Voor menigeen komt poëzie het beste tot haar recht wanneer het ondergaan van de voordracht een collectieve ervaring is, zoals ook het geval is bij muziek.

Omstreeks 1400 moet er in Brugge, destijds een van de rijkste en meest bruisende steden van heel Europa, een groep zijn geweest van gelijkgestemden die periodiek samenkwamen om gedichten en liederen te schrijven en aan elkaar te laten horen. We kennen weliswaar de namen van enkele betrokkenen, maar in hoeverre er sprake was van een georganiseerd verband is niet duidelijk. Hun werk is opgetekend in een beroemd handschrift, dat halverwege de vijftiende eeuw in het bezit kwam van de Brugse patriciër Lodewijk van Gruuthuse. In 2007 werd het opgekocht door de Koninklijke Bibliotheek in De Haag, waar intussen gewerkt wordt aan een wetenschappelijke editie. Dit voorjaar is er in het Gruuthusemuseum te Brugge een tentoonstelling waarbij het handschrift centraal staat. Ter gelegenheid daarvan heeft Herman Brinkman, die de editie voor zijn rekening neemt, een aantal teksten geselecteerd, die door Maria van Daalen werden vertaald. Het ensemble Fala Música brengt op een daarbij behorende cd zes van de liederen ten gehore.

Het omvangrijke manuscript kent drie afdelingen: gebeden, liederen en gedichten. Was in Italië de Renaissance inmiddels op gang gekomen, met als eerste poëtische hoogtepunt de intieme liefdessonnetten van Petrarca, het Brugse gezelschap staat nog helemaal in een middeleeuwse traditie. Je hoeft echter maar even in de teksten te grasduinen om getroffen te worden door de enorme inventiviteit van de dichters, want het plezier waarmee ze met taal spelen spat van de bladzijden af, of het nu ­gebeden van pelgrims betreft, moralistische preken of erotische liedjes. Hier is een groep virtuoze liefhebbers aan het werk geweest die vermoedelijk de gewoonte hadden elkaars werk grondig van commentaar te voorzien.

Het handschrift als geheel is van onschatbare waarde voor de geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie, maar het is vooral bekend geworden om drie liederen die elke poëzielezer kent. Geestig en politiek incorrect is het zogenaamde Kerelslied, waarin de goed geschoolde dichters afstand nemen van het gepeupel:

Wi willen van den kerels zinghen,

Si sijn van quader aert.

Si willen de ruters dwinghen,

Si draghen enen langhen baert.

In het boekje van Brinkman en Van Daalen is dit lied niet opgenomen, de twee andere highlights gelukkig wel. Aloeette, voghel clein begint als een lofzang op de leeuwerik, die hoog in de lucht met zijn zuiver lied God vereert. Halverwege lijkt de dichter echter een persoonlijke agenda te hebben, wanneer hij zijn gram spuit aan het adres van een ‘nider’, een kwaadspreker, en de oprechtheid van de ware liefde aanprijst.

Als het topstuk uit de collectie geldt terecht een van de twee liederen die geschreven werden bij de dood van een zekere Egidius, blijkbaar een gerenommeerd zanger. Wie kent het niet?

Egidius, waer bestu bleven?

Mi lanct na di, gheselle mijn.

Du coors die doot, du liets mi tleven.

Dat was gheselscap goet ende fijn,

het sceen ten moeste ghestorven sijn.

Van Daalen heeft in haar vertalingen gepoogd het ritme en de rijmklanken van de originelen getrouw te handhaven. Dat is, gezien de technische souplesse van de Brugse dichters, een bijna onmogelijke opgave. In dit geval doet ze het zo:

Egidius, waar mag je wezen?

Ik wil je zo graag aan m’n zij.

Jij ging maar dood, jij liet mij leven.

Zo goed toen, tussen jou en mij,

als kwam de dood nooit meer voorbij.

Uit dit korte fragment blijkt al dat Van Daalen gekozen heeft voor een modern, bijna populair idioom. Vaak werkt dat goed, maar er zijn ook gedichten waarbij ze zo doorslaat dat het afbreuk doet aan de geserreerde ambachtelijkheid van het Middelnederlands. Neem nu een lied waarin een dienstmeid er geen zin in heeft besprongen te worden door een oudere heer, bij wiens potentie ze haar twijfels heeft:

Her Wouter, ghi sijt al te stout

van uwen fellen daden.

Ghi sijt out ende ghi sijt cout.

Ic souds u wel verzaden.

Ik vrees dat Van Daalens versie, hoe ingenieus ook, even snel zal verouderen als Wouters daadkracht:

Meneer Wouter, wat een verhaal,

pochen hoe goed je fuck is.

Jij bent oud en koud en kaal.

Maar ik ben een overdosis.

Dat neemt niet weg dat dit fraai uitgegeven boek een aantrekkelijke introductie vormt tot de eerste grote bloemlezing uit onze literatuur­geschiedenis.


Herman Brinkman
Liefde, leven en devotie: Poezië uit het Gruuthusehandschrift
Vertaling Maria van Daalen, Bekking Blitz, 104 blz., €14,95