Du Perron aristocratie van de geest

Kees Snoek

E. du Perron: Het leven van een smalle mens

Nijgh & Van Ditmar, 1246 blz., e 39,-

Omdat ik tijdens mijn studie bijzonder geboeid raakte door de politieke de batten die in de jaren dertig werden ge voerd, besloot ik onder meer de vierdelige briefwisseling tussen Menno ter Braak en Eddy du Perron te lezen. Onbevooroordeeld begon ik mijn lectuur niet. Du Perrons bejubelde roman Het land van herkomst vond ik niet om door te komen en zijn reputatie als rijkeluiszoontje en verliteratuurde dandy voorspelde niet veel goeds. Politiek gezien zou hij vast een warhoofd zijn en de brieven las ik in eerste instantie dan ook wegens Ter Braak. Dat was immers de scherpzinnige essayist die niet alleen in de literatuur talloze opgeklopte pretenties en geparfumeerde drogredenen had weten te fileren, maar die ook belangrijke politieke es says als Het nationaal-socialisme als rancuneleer en Van oude en nieuwe christenen had geschreven.

Al lezende begon mijn voorkeur te kantelen. Ondanks al zijn onredelijkheid, zijn romantische gedweep met «het genie» en zijn voorliefde voor grote woorden en dito gebaren, begon ik Du Perron sympathieker te vinden dan de hyperintellectualistische, zich in zijn eigen paradoxen verslikkende Ter Braak. Bovendien bleek Du Perrons politieke intuïtie veel beter ontwikkeld en was hij veel minder bevangen door elitaire vooroordelen. Niet dat hij die niet had, maar zodra hij met de werkelijkheid was geconfronteerd, was hij onmiddellijk bereid ze te erkennen als vooroordelen. Toen Ter Braak hem in juli 1935 Huizinga’s brochure Nederland’s geestesmerk opstuurde, dat hij «met duidelijke tekenen van walging» had gelezen en kenschetste als «fascisme van den geldzak», liet Du Perron zich weinig gelegen liggen aan dit oordeel. Hij schreef dat hij inderdaad «jammerlijk gelul» had verwacht en dat hij Huizinga’s standpunt niet deelde, maar dat het wel degelijk een «uitstekend» essay was.

Ook was hij, veel eerder dan Ter Braak, bereid om in de strijd tegen het oprukkende nationaal-socialisme samen te werken met mensen die wellicht niet voldeden aan de intellectuele en literaire maatstaven die de mannen van Forum gewoon waren aan te leggen. Waar veel andere intellectuelen en kunstenaars uit het interbellum zich lieten verblinden door het fascistische ge dweep met «elites» en hierin een aantrekkelijk alternatief voor de cultuurvijandigheid van de «domme massa» zagen, had Du Perron vrijwel onmiddellijk door dat de aristocratie van de geest zich niet liet verstaan met de hiërarchie van de macht. Vandaar dat hij anders dan de door hem bewonderde Drieu la Rochelle en Nederlandse vrienden als Jacques Bloem, Jan Greshoff en Henny Marsman zelfs niet voor korte tijd met het fascisme flirtte, en hij ook kotsmisselijk werd toen hij vernam dat een intelligent man als André Gide zich tot het communisme bekeerde.

Wat Du Perron had voordat hij Hui zinga ging lezen, en ik ook al had gehad bij de briefwisseling, overkwam mij opnieuw bij het lezen van de kolossale Du Perron-biografie van Kees Snoek. De recensies die ik had gelezen wisten allemaal te melden dat Snoek niet veel meer had gedaan dan het met bio grafisch ma teriaal ‘inkleuren’ van Het land van herkomst. De biograaf zou aan deze autobiografische roman niets an ders hebben toegevoegd dan de werkelijke na men van allerlei personen en locaties. Bovendien zou Snoek geen vi sie op Du Perron hebben gegeven en de lezer laten verzuipen in een eindeloze feitenbrij, terwijl hij evenmin voldoende aandacht zou hebben gehad voor de intellectuele milieus waarin zijn held verkeerde.

Over 'jammerlijk gelul’ gesproken. Toegegeven, met wat minder details over Du Perrons Indische jeugd was ik ook tevreden geweest, maar dit is ge woon een biografie in de Engelse traditie en dus heeft Snoek naar volledigheid gestreefd. Zo is het pertinent niet waar dat hij nauwelijks aandacht heeft besteed aan de literaire en politieke discussies van de jaren twintig en dertig (en als hij er nog meer over had geschreven, was het boek natuurlijk nog dikker geworden, terwijl de critici nu al zeurden). Wel is het zo dat Snoek een 'visie’ op Du Perron voor het grootste deel overlaat aan de lezer, die hij daarvoor de benodigde feiten aanlevert. Dit wil overigens niet zeggen dat Snoek nergens interpreteert en verklaringen zoekt, alleen heeft hij ervan afgezien om die samen te ballen tot één theorie over wie Du Perron nu eigenlijk is geweest. Hij legt Du Perron niet op het procrustesbed van een al dan niet van tevoren bedachte visie op zijn held, en is zodoende niet gedwongen allerlei aspecten die er niet op passen en over de rand hangen eraf te snijden.

Wie het nodig acht dat er een handzame, bijvoorbeeld drie- à vierhonderd bladzijden tellende biografie van Du Perron komt waarin zo veel mogelijk aspecten van zijn leven en werk vanuit één theorie worden geduid, kan met behulp van Snoeks monumentale boek – plus de zeven delen Verzameld werk, de negen delen Brieven en de vierdelige correspondentie met Ter Braak – zelf aan de slag.