Geert Wilders bepaalt de agenda

Dubbel denken

Sinds de beëdiging van het nieuwe kabinet worstelen de regeringspartijen met de dubbele nationaliteit. Geert Wilders legt pijnlijk hun onmacht in het debat bloot.

Nog geen maand geleden, vlak nadat hij was gekozen tot pvda-fractievoorzitter, zei Jacques Tichelaar dat het regeerakkoord vier tot vijf weken fris zou blijven en dat daarna de politieke actualiteit weer zou gaan spelen. Tichelaar heeft zich vergist: zelfs die vier tot vijf weken rust hebben de regeringspartijen niet gekregen. Daar zorgt Geert Wilders van de Partij voor de Vrijheid (pvv) wel voor. Was het tot voor kort vvd-bewindsvrouw Rita Verdonk die het debat over immigratie en integratie gijzelde en keer op keer haar eigen partij en andere partijen in het defensief dwong, Wilders heeft die hoofdrol onmiddellijk overgenomen. Maar waar Verdonk de afgelopen jaren nog werd afgedaan als een politieke brokkenpiloot en opportunist die, hoewel met veel moeite, nog enigszins in de klauwen werd gehouden door haar partij, de vvd, daar zal het niet lukken Wilders zo af te doen. Hij heeft zijn eigen partij en zit met een negen man sterke fractie in de Kamer. Een fractie die hij bovendien vooralsnog goed leidt, zodat ook elke vergelijking met wijlen Pim Fortuyn en de ruziënde lpf mank gaat.

Wilders sprong twee weken geleden, op het moment van de beëdiging van het nieuwe kabinet van cda, pvda en ChristenUnie, direct vol in het gat dat de toen naar de kamerbankjes verwezen Verdonk achterliet. Dat gat wordt wel omschreven als de door angst voor vreemdelingen en de islam gevoede onderbuik van Nederland. Die typering is echter weinig behulpzaam. De aanvechting om over naar buiten barstende onderbuikgevoelens schande te roepen is groot, de neiging om er daadwerkelijk en open over te discussiëren juist klein.

Als we opiniepeiler Maurice de Hond mogen geloven, zijn de gevoelens die Wilders aanboort goed voor vijftien kamerzetels als er nu landelijke verkiezingen zouden zijn. Alleen al uit welbegrepen eigenbelang zouden de andere politieke partijen er goed aan doen de emoties die er leven onder ogen te zien. Het zou de politieke partijen echter sieren niet het mogelijke electorale gewin hierbij de doorslag te laten geven, maar het begrip voor de vele Nederlanders die zich onzeker voelen, niet bekend zijn met alle wetten en regels of juridisch redeneren.

Als het nieuw is dat een bewindspersoon twee nationaliteiten heeft, is het niet vreemd wanneer gewone mensen zich van alles gaan afvragen. Kan zo’n staatssecretaris hierna ook minister in Marokko worden? Staat er eigenlijk ergens in een wet iets expliciets over dubbele nationaliteit en het zitting hebben in het kabinet? Voldoet artikel 3 van de grondwet, waarin staat dat alle Nederlanders op gelijke voet benoembaar zijn? Hoe zal zo’n staatssecretaris het ervaren als Nederland negatief beslist over de toetreding van Turkije tot Europa? Is het moeilijk om nee te zeggen tegen een immigratieverzoek van landgenoten uit je andere vaderland?

Het eerlijke antwoord is dat ook menig kamerlid dat niet in één adem met Wilders genoemd wil worden, zich een of meer van deze vragen stelde, toen vorige week het debat over de regeringsverklaring plaatsvond. Maar Wilders had deze vragen hardop gesteld. Hij had er bovendien een antwoord op gegeven en daar in een interview met NRC Handelsblad nog bij gezegd dat er te veel islam is in Nederland en daarom naar een Nederland te streven waarin ‘de kans klein is dat er weer twee in het kabinet komen’. Daardoor ligt het gesprek over de dubbele nationaliteit niet open, maar is het vermengd geraakt met godsdienst, mogelijke invloeden van andere mogendheden op Nederlandse politici en de angst dat veel buitenlanders hier de cultuur en de macht gaan overnemen.

Foei roepen tegen Wilders heeft echter geen zin. Daar spint hij slechts garen bij.

Wat pvda-fractievoorzitter Tichelaar binnenkort ook beslist over de nevenfunctie van het pvda-kamerlid Khadija Arib in een Raad voor de Mensenrechten die de Marokkaanse koning bijstaat als het over migratievraagstukken gaat, hij zal altijd de schijn tegen hebben. Mag Arib de nevenfunctie houden, dan heeft Tichelaar niet willen zwichten voor Wilders. Moet ze hem neerleggen, dan is hij voor Wilders gezwicht. Tichelaar had deze discussie vóór kunnen zijn door zich beter te oriënteren op deze nevenfunctie van Arib, zodat Wilders niet de kans had gekregen deze aan de kaak te stellen. De vorig jaar opgestelde gedragscode van de pvda geeft Tichelaar die ruimte: kamerleden moeten met het fractiebestuur overleggen over nevenfuncties, het fractiebestuur spreekt zich daar vervolgens over uit. Nu gaat Tichelaar dit onder druk van Wilders alsnog doen, maar het beeld is al gezet.

Ook de uitlating van pvda-vicepremier Wouter Bos, na het kamerdebat, dat hij problemen heeft met landen, zoals Marokko, die hun onderdanen nooit toestaan hun nationaliteit af te leggen, komt door Wilders’ interventie in een vreemd licht te staan. Zegt Bos het om Wilders de wind uit de zeilen te nemen? Zegt Bos hiermee eigenlijk dat hij ook liever geen bewindspersonen met een dubbele nationaliteit heeft? En waarom staat dan in het pvda-verkiezingsprogramma juist dat succesvolle integratie niet wordt bepaald door het hebben van één paspoort? Voor menig Nederlander die geen tijd heeft voor een minutieuze exegese van alle opmerkingen en standpunten over dit onderwerp, is het moeilijk te volgen.

Bos’ uitlating, of hij dat nu beoogde of niet, past in de gedachtegang dat de integratie van Marokkanen moeizaam zou verlopen, omdat zowel autochtone Nederlanders als Marokkaanse Nederlanders zich als het ware kunnen verschuilen achter het tweede paspoort. Dat andere paspoort geeft de autochtone Nederlanders de gelegenheid lastige jongeren als lastige Marokkanen en dus niet als één van hen te beschouwen. De Marokkaanse Nederlanders op hun beurt kunnen het tweede paspoort aangrijpen om te zeggen dat ze gediscrimineerd worden om de enkele reden dat ze Marokkaan zijn.

Deze gedachtegang leeft sterk in het debat over dubbele nationaliteit. Ze is precies tegenovergesteld aan de idee achter de wet van cda-minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin uit begin jaren negentig waarmee de dubbele nationaliteit juist wel werd toegestaan. De gedachte daarachter was toen dat het goed zou zijn voor de integratie als Marokkaanse en Turkse immigranten zich ook Nederlander zouden voelen en volop mee zouden doen, ook in de Tweede Kamer.

Die wet van Hirsch Ballin werd overigens een paar jaar later alweer veranderd, waardoor er juist een rem kwam op de dubbele nationaliteit. Toen zat er een kabinet van pvda, vvd en d66. Vlak voor haar vertrek, nog geen maand geleden, wilde vvd-minister Rita Verdonk die wet nog aanscherpen. Coalitiegenoot cda had haar daar in 2003 zelfs in een motie om gevraagd.

Die zwabberkoers is symbolisch voor de worsteling van de politieke partijen met dit onderwerp. Het verklaart ook waarom minister-president Jan Peter Balkenende vorige week aanvankelijk een eenregelig antwoord had op de interventie van Wilders over de dubbele nationaliteit en hij ook daarna niet veel verder kwam dan de mededeling dat de coalitie hierover verdeeld is, maar dat hij niet twijfelde aan de loyaliteit van de staatssecretarissen Ahmed Aboutaleb en Nebahat Albayrak. Ook het cda is er niet uit. Evenmin als de vvd overigens, want al riep Rutte staatssecretaris Albayrak op haar Turkse paspoort vrijwillig op te geven, hij diende hierover geen motie in. Hij was bang alleen Wilders mee te krijgen en daarmee voor xenofoob te worden uitgemaakt.

Wilders heeft een feilloos gevoel voor de hiaten en de controverses in het denken binnen andere partijen en hun worsteling dat niet te vermengen met angst voor een godsdienst en vreemdelingen. Bovendien maakt hij het zich in deze ingewikkelde materie gemakkelijk. Hij kiest voor het ‘eenvoudige’ antwoord. Dat antwoord bekt lekker en vergt niet veel uitleg. Voor een eventuele uitzondering voelt hij niet, ook niet als een ander land zijn onderdanen niet toestaat het paspoort, lees de nationaliteit, af te staan. Een onderdaan van zo’n land, in dit geval Aboutaleb, moet volgens Wilders dan maar in dat andere land staatssecretaris worden.

Maar de werkelijkheid is niet de gemakkelijke wereld van Wilders met de eenvoudige antwoorden. Het genuanceerde antwoord op de vraag of iemand twee of meer paspoorten kan hebben, is het antwoord dat is meegegaan met de tijd en dus in ogenschouw neemt dat mensen zelf migreren dan wel door hun ouders zijn meegenomen vanuit een ander land. Dat antwoord weegt ook de ingewikkelde buitenwereld mee, waarin andere landen met andere wetten er anders over kunnen denken dan de Nederlandse politici en de Nederlandse wet. Dat antwoord ziet dat loyaliteit aan een land en nationaliteit van een land niet hetzelfde hoeven te zijn en het eerste vooral wordt bepaald door inzet, gedrag en het beloven dan wel zweren de grondwet trouw te zijn.

Wat ook de uitkomst is van de zoektocht naar een antwoord, die uitkomst zal wel consequent moeten zijn en goed juridisch doordacht in haar gevolgen. Het moet een bouwwerk zijn dat staat als een huis. Het mag geen gelegenheidsargumenten bevatten die voortkomen uit angst voor de islam, voor een grote groep van buitenlanders uit één specifiek land of voor infiltratie door buitenlandse mogendheden die ons minder liggen dan andere mogendheden, argumenten die weer overboord zouden worden geworpen als ineens een andere groep buitenlanders zich zou aandienen.

Dat antwoord moet dan ook keer op keer goed en met verve worden uitgelegd, zodat mensen snappen hoe een politieke partij tot juist dat standpunt is gekomen. Wilders legt echter pijnlijk bloot dat andere politieke partijen op die vraag dat consequente antwoord niet hebben, laat staan de huidige, nieuwe regeringscoalitie, omdat ze zelf met de gelegenheidsargumenten van Wilders worstelen.