Tweelingonderzoek geeft uitsluitsel

Dubbel en dwars

Hebben aandoeningen als ADHD en depressie een genetische basis? Het Nederlands Tweelingenregister, een van de grootste ter wereld, moet antwoord geven.

IN DE JAREN VIJFTIG werd het syndroom van Down nog toegeschreven aan stress tijdens de zwangerschap. Van al te koele moeders, ‘ijskastmoeders’ genoemd, werden kinderen autistisch. Ook werden moeders als schuldigen aangewezen bij minimal brain damage, zoals ADHD aanvankelijk werd genoemd, omdat ze hun kinderen te veel smarties lieten eten, en daarin zaten de kleurstoffen waar ze zo druk van zouden worden.
Tweelingonderzoek, vanaf 1955 langzaam op gang gekomen, heeft deze moeders vrijgepleit. Dat bij eeneiige tweelingen het syndroom van Down nooit bij maar één van de twee voorkomt, terwijl dat bij twee-eiige tweelingen wél het geval kan zijn, sluit stress tijdens de zwangerschap als determinerende factor uit. Hetzelfde bij moeders van een autistisch kind: hier heeft tweelingonderzoek uitgewezen dat oorzaak en gevolg veeleer moeten worden omgedraaid. Misschien maakte het hebben van een autistisch kind die 'ijskastmoeders’ wel zo koel?
Hét gezicht van het Nederlandse tweelingonderzoek is biologisch psycholoog Dorret Boomsma (54), verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Zij begon in 1987 met het opzetten van het Nederlandse Tweelingenregister, dat inmiddels gegevens bevat van honderdduizend deelnemers (tweelingen en hun familieleden), en geldt als een van de grootste en meest waardevolle ter wereld. Boomsma zelf is inmiddels (co-)auteur van meer dan vijfhonderd wetenschappelijke publicaties gebaseerd op tweelingonderzoek. Vorige maand werd de hoogleraar door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen onderscheiden met de Merianprijs, bedoeld voor excellente vrouwelijke wetenschappers.
Boomsma heeft studie verricht naar zulke uiteenlopende zaken als intelligentie, verslaving, het functioneren van het centraal zenuwstelsel, anorexia, transseksualiteit, of het verband tussen sporten en angstige en depressieve klachten. Daarbij is de vraag altijd weer: wat is de invloed van de genen? Tweelingen lenen zich hier uitstekend voor.
Boomsma was niet de eerste die het belang van tweelingen zag. Omstreeks 350 wees Augustinus daar al op, zij het impliciet. Het feit dat tweelingen, doorgaans op dezelfde dag geboren, toch heel verschillend konden zijn, bewees volgens de kerkvader dat astrologie onzin was. De eerste die systematisch onderzoek naar tweelingen begon te doen was de grondlegger van de eugenetica Francis Galton (1822-1911), een halve neef van de dertien jaar oudere Charles Darwin, al realiseerde Galton zich nog niet dat tweelingen zowel een- als twee-eiig konden zijn. Dat deed de Amerikaanse psycholoog Edward Lee Thorndike (1874-1949) wel, al besefte hij weer niet dat de crux van tweelingonderzoek gelegen lag in het vergelijken van een- en twee-eiige tweelingen. De eerste die dat inzag was de Duitse dermatoloog Hermann Werner Siemens (1891-1969), sinds 1929 aan de Universiteit van Leiden verbonden. Daarmee zorgde hij voor een doorbraak in het tweelingonderzoek.
Dat kwam hier te lande pas goed op gang toen de Nederlandse Vereniging van Tweelingen, opgericht in 1959, haar leden bij de wetenschap vrijwillig als onderzoeksobject aanbood. In de jaren tachtig begon Dorret Boomsma met het Nederlands Tweelingenregister. 'En dat was een goed moment’, zegt ze in haar werkkamer, 'want in 1976 was er een explosie van tweelingen geweest, bijna allemaal twee-eiig.’ Het aantal bleek sterk toegenomen omdat vrouwen steeds later kinderen kregen. Boomsma: 'Na het 34ste jaar is de kans op het krijgen van een tweeling aanzienlijk groter. IVF speelde ook een rol, maar veel marginaler. Bij de stijging van drie- en vierlingen is IVF wel de belangrijkste verklaring.’ In Nederland maakt ongeveer één op de veertig mensen deel uit van een twee- of meerling. Eenderde daarvan is eeneiig.
Overigens heeft Boomsma’s tweelingonderzoek ook uitgewezen dat het voor kinderen niet uitmaakt of ze hun bestaan al dan niet aan een IVF-behandeling te danken hebben. De hoogleraar: 'IVF-kinderen hebben niet meer of minder psychische, motorische of leerproblemen dan andere kinderen. Je kunt gerust zeggen dat een IVF-kind net als ieder ander kind is.’
Het onderzoek waarbij Boomsa betrokken was en is gaat doorgaans niet over tweelingen zelf. Uitzondering op deze regel is een onderzoek uit 2005 waarbij men zich afvroeg of tweelingen er last van hebben als ze worden gescheiden. Bij tweelingen die op zevenjarige leeftijd in verschillende klassen werden gezet, bleken inderdaad meer 'internaliserende problemen’ (angstig, depressief) voor te komen. Maar hun schoolprestaties leden er niet onder.
De interesse van Dorret Boomsma, zelf geen tweeling, heeft niets te maken met persoonlijke omstandigheden maar is puur wetenschappelijk: 'Wat me meteen fascineerde was dat de genetica je de mogelijkheid biedt de statistische technieken die je leert tijdens je studie psychologie te verankeren in de biologische realiteit.’
Zo stelde ze zich de vraag of intelligentie, zoals gemeten door een IQ-test, erfelijk is. In aanzienlijke mate, bleek uit tweelingonderzoek, al is de invloed van omgevingsfactoren, zoals het gezin waarin het kind opgroeit, op jonge leeftijd nog erg groot. Boomsma: 'Hoe ouder men wordt, hoe belangrijker de genetische component blijkt te worden, en hoe minder belangrijk de omgeving. Vermoedelijk omdat je als volwassene je eigen omgeving kunt creëren en minder afhankelijk bent van wat je krijgt aangeboden.’
Is borstvoeding goed voor de cognitieve ontwikkeling van een kind? Lang is aangenomen dat dat zo was. Hoger opgeleide vrouwen gaven hun kind ook meer de borst dan lager opgeleide. Maar volgens Boomsma is het effect daarvan maar gering. Het opleidingsniveau van de moeder heeft veel meer effect op de cognitieve ontwikkeling van kinderen. 'Als maatschappij doe je er dus beter aan daarin te investeren.’
Er is inmiddels ook veel tweelingonderzoek gedaan naar de grotere psychiatrische stoornissen, niet alleen naar autisme en ADHD, maar ook naar de borderline persoonlijkheidsstoornis, depressie en schizofrenie. Bij al deze stoornissen blijkt nadrukkelijk een genetische component in het spel. Voor schizofrenie werd dat al aangetoond in 1966, overigens nog zonder daarbij ook naar tweelingen te kijken. Men keek hier naar kinderen die ter adoptie werden afgestaan, waarbij een significant aantal van de biologische moeders schizofreniepatiënte was. Alle kinderen kwamen terecht bij pleegouders die niet met deze aandoening waren behept. Uit het vergelijkende onderzoek bleek dat de kinderen van wie de biologische moeder schizofreniepatiënte was een aanzienlijk risico liepen zelf ook schizofrenie te ontwikkelen. Verder bleek dat een groot aantal 'erfelijk belaste’ kinderen dat geen schizofrenie ontwikkelde wél bijzondere artistieke gaven had, en daarop een succesvolle carrière had gebouwd. Boomsma: 'Wat toch een soort bevestiging is van de romantische idee dat geestesziekte en genialiteit dicht bij elkaar liggen.’
Dit onderzoek is volgens Boomsma een doorbraak geweest in het denken over schizofrenie. Het risico van het ontwikkelen van schizofrenie is ongeveer één procent. Maar als je grootouders hebt met schizofrenie is dat al vijf procent, het wordt zes procent als je ouders het hebben, negen procent als je broer of zus het heeft en zeventien procent als je een twee-eiige tweeling bent en je wederhelft het heeft. Bij eeneiige tweelingen is de kans op het ontwikkelen van schizofrenie, als de ander daar de symptomen van heeft, bijna vijftig procent. 'Dat toont tegelijkertijd aan dat je geen schizofrenie hoeft te ontwikkelen, ook al ben je erfelijk belast, wat blijkt uit het feit dat je broer of zus schizofreniepatiënt is. Dat zet dus een duidelijke bovengrens aan de voorspelbaarheid van ons genoom. Op grond van iemands DNA zul je dus nooit met zekerheid kunnen zeggen: die gaat later last van schizofrenie of depressies krijgen.’

DEPRESSIE is een veel vaker voorkomende aandoening dan schizofrenie. In Amerika werden in 2002 meer recepten uitgeschreven voor antidepressiva dan voor welk ander medicijn dan ook, wat de vraag naar de oorzaak van een zware depressie tot een belangrijke maakt. Is hier ook sprake van een erfelijke component? In Nederland deed Boomsma hier onderzoek naar, onder een- en twee-eiige tweelingen. 'Wat we zagen is dat de genen al vanaf de kindertijd een invloed bij depressies hebben. Wel is het opmerkelijk dat bij kinderen aanvankelijk geen verschil is tussen jongens en meisjes. Maar na het twaalfde jaar zagen we behoorlijke verschillen ontstaan. Vrouwen zijn dan veel kwetsbaarder.’ Veertien, zegt ze erbij, is de leeftijd waarop depressies zich vaak al openbaren, en ze blijven dikwijls ook de rest van het leven in enige mate aanwezig.
Waarom manifesteren aandoeningen als schizofrenie of depressie zich bij de een wel en bij de ander, die even erfelijk belast is, niet? Je komt dan al gauw bij omgevingsfactoren terecht, waar de genetische psychiatrie zich ook mee bezighoudt. 'Uit onderzoek naar depressie onder eeneiige tweelingen, die dus dezelfde risicogenen met zich meedragen, bleek het niet zo dat degene die een depressie had ontwikkeld meer traumatische ervaringen had dan de ander, maar vooral dat hij of zij minder steun had ervaren van anderen na het meemaken van iets ernstigs’, legt Boomsma uit.
De toekomst, zegt ze, zal meer licht op dit soort zaken moeten werpen: waarom manifesteren bepaalde aandoeningen zich al dan niet, en in welke mate kan het zich manifesteren van die aandoeningen worden voorspeld. 'Het voorbeeld van schizofrenie geeft al aan dat daar een bovengrens aan is. Een belangrijke vraag wordt dan: wat triggert de manifestatie van een aandoening die je in je DNA met je meedraagt? De borderline persoonlijkheidsstoornis bijvoorbeeld, waar we ook onderzoek naar hebben gedaan, kan getriggerd worden door ernstig seksueel misbruik. De invloed daarvan kan zo groot zijn dat de genetica er niet meer toe doet, met zo'n verleden ontwikkelen dan ook erfelijk onbelaste mensen die stoornis. Maar bij iemand die opgroeit in een liefdevolle omgeving, zonder dat er sprake is van enig misbruik, neemt de invloed van erfelijke belasting juist weer toe. Nu we weten dat erfelijke aanleg bij vrijwel alle menselijke eigenschappen een rol speelt, zijn we toe aan het zoeken naar antwoorden op vragen over de complexe rol van de omgeving en het samenspel tussen genen en omgeving.’