Dubbelganger

Tsja, reizen… Ik ken enkele weldenkende mensen die je over het algemeen rustig je fiets zou lenen en met wie je uit vrije wil een lang gesprek zou willen voeren. Ze hebben echter een ding dat ik niet begrijp: ze gaan steeds opnieuw naar India. De reden van hun herhaalde pelgrimage is een spirituele: in India gaan ze zichzelf zoeken.

Sinds de jaren zestig en zeventig moest iedereen opeens zichzelf gaan zoeken, en dan het liefst ook vinden. Daartoe ging men reizen. Ik hou niet van reizen. En als er iemand is die ik niet wil vinden, dan is het mezelf. Mijn doel in het leven is in de eerste plaats mezelf kwijtraken. Dat brengt meer plezier en inspiratie. Reizen om jezelf te vinden, dat doen veel mensen. Reizen om jezelf tegen te komen, dat doet Stan van Houcke. Van Houcke maakte reizen voor het VPRO-radioprogramma Ongehoord. Jarenlang. Overal naartoe. Alleen. En hij concludeerde dat wie alleen reist zichzelf nooit achterlaat. Het reizen is een confrontatie met het vergankelijke. De afgelopen vier jaar trok Van Houcke over de wereld. Overal zag hij zichzelf weerspiegeld. In Alexandrië, Ierland, Israel, Mongolië, Aix-en-Provence, Turkije, Oezbekistan, Irak, Libanon, Portugal, Assisi, Marokko, Italië, Oostenrijk en Armenië, de bestemmingen die in zijn boek Overal ziet men zichzelf hun weerslag hebben gekregen, staat de solipsist tegenover het eigen ik. Te midden van de puinhopen, of onder olijfbomen, of genietend aan een beekje, daar staat hij: de dubbelganger. Toch betreffen Van Houcke’s beschrijvingen vooral het uiterlijk der dingen: ‘Terug op het Plein der Martelaren maak ik opnieuw een draai van negentig graden en kijk over een eindeloze vlakte met brokstukken. Midden in dit maanlandschap staat nog een kapotgeschoten pand met een pokdalige ugendstilfaçade, een balkon met rode geraniums en een klein kind dat vanachter een gietijzeren hekwerk over de woestenij staart. Ergens in de leegte staat een twintig meter hoge violetblauw bloeiende jacaranda, een mimosa die het kostbare palissanderhout levert. De boom heeft geen enkel blad meer, in de bast zitten granaatscherven, maar hij bloeit wel in een laatste poging om de soort te doen overleven. Ik maak weer een kwartslag, de cirkel is rond (…).’ Door het uiterlijk der dingen te beschrijven beschrijft Stan van Houcke uiteindelijk zichzelf. Dat is wat je noemt postmodern reizen. En de lezer reist een beetje mee. Een beetje.