Peter de Rijk en Guus Bauer

Dubbelportret van een demente moeder

Cyrille Offermans
Waarom ik moet liegen tegen mijn demente moeder
Cossee, 112 blz., € 9,90

Marina Offermans
Voorheen mijn moeder
Querido, 206 blz., € 17,95

Alice Sebold
Schaduwmaan
Uit het Engels vertaald door Aleid van Eekelen-Benders
De Bezige Bij, 318 blz., € 18,90

Het dement worden van een naaste blijkt een dusdanig indringende ervaring dat er inmiddels stapels boeken over bestaan. Alice Sebold verwoordt het proces nietsontziend in haar laatste roman Schaduwmaan: ‘Dementie heeft de gewoonte gaandeweg de kern te onthullen van degene die erdoor wordt getroffen. Mijn moeders kern was rot als het brakke water onder in een vaas bloemen die al weken staat.’ Sebold laat dan ook haar romanpersonage Helen haar moeder in een opwelling vermoorden.

Marina Offermans en Cyrille Offermans verkozen een andere benadering voor het schrijven over hun dementerende moeder. Het resultaat is een tweeluik bestaande uit boeken die in vrijwel niets op elkaar lijken. De enige overeenkomst is de moeder die beschreven wordt. En zelfs dat zorgt niet voor een overeenkomende gedachtegang.

Marina Offermans kiest in Voorheen mijn moeder voor een roman die het moet hebben van de dialoog. De lezer is getuige van de aftakeling van de moeder en dat wat haar dementeren bij de dochter teweegbrengt. Marina Offermans schrijft alles uit. Iedere zin, elke herhaling, tot gekmakend toe, wordt opgeschreven. De wrevel die de vergeetachtigheid van haar moeder bij haar opriep, vindt op den duur ook bij de lezer plaats. Daar waar de dochter in het boek de zoveelste herhaling van een herhaling aankondigt, denkt ook de lezer: daar gaan we weer. Vreemd genoeg lijkt deze vorm tegelijkertijd te werken. Niet alleen wordt het duidelijk hoe vreselijk het voor de kinderen is om dit door te moeten maken, we snappen tevens dat het iets tragikomisch heeft. Het is de lach die ontstaat als je niet huilen wilt.

Naarmate het boek vordert en het dementeren van de moeder groteske vormen aanneemt, valt het op dat de dialogen verwantschap vertonen met een toneelstuk als De kale zangeres van Ionesco. De herhaling van hetzelfde en het wachten op die herhaling maakt schijnbaar doodnormale opmerkingen komisch en hels tegelijk.

‘Pien, wat is het vandaag voor een dag?’

‘Zondag, mama.’

‘Zondag?’

‘Ja, mama.’

‘Ben ik vanmorgen naar de kerk geweest?’

‘Ja.’

‘Dan hoef ik dus niet nog een keer, hè?’

‘Nee, zo is het mooi geweest.’

Waar zijn zuster kiest voor de directe vorm van de roman en een niets verbloemende dialoog gebruikt Cyrille Offermans in Waarom ik moet liegen tegen mijn demente moeder de essayvorm. Vanaf een afstand volgt hij zijn oude moeder. Het is een in schitterende zinnen geschreven casestudy. Je zou bijna kunnen zeggen dat daar waar Marina Offermans haar roman eindigt haar broer Cyrille begint. Beschrijvend geeft hij weer wat zijn zus zag tijdens het noteren van de gesprekken.

‘Ze had een bril op die niet van haar was, die zelfs niet op die van haar leek. Het brede, donkerbruine montuur zat te krap op haar gezicht, haar ogen bolden op in hun kassen, als de opengesperde kunstogen in een carnavalsbril. Haar wangen waren ingevallen, kennelijk had ze haar gebit niet in. Om haar mond, druipend tot op de kin, zaten onbestemde etensresten.’

Maar de beschrijving van de ziektegeschiedenis van zijn moeder is Cyrille Offermans niet genoeg. Hij zoekt naar iets dat het aanvaardbaar maakt. Met heel zijn intellect probeert hij een antwoord te vinden op de gruwel die haar en hem overkomt. Borges wordt geciteerd. Zijn verhaalfiguur Ireneo Funes vormt de tegenpool van Offermans’ moeder. Waar de een een onwaarschijnlijk goed geheugen heeft, weet de ander niet langer meer hoe ze moet preciseren of concretiseren. De geheugenoefeningen van Cicero en Quintilianus als onderdeel van de retorica worden gememoreerd, Becketts Molloy komt aan bod. Nietzsches Genealogie van de moraal biedt een aanknopingspunt waar het om het begrijpen van de dementerende mens gaat. Offermans schrijft: ‘Als de soevereine mens het dier is dat beloften mag doen, dan is de demente mens diens uiterste tegenpool. Hem ontbreekt het aan alles wat een belofte geloofwaardig maakt: het vooruitziende vermogen, de geconcentreerde wilskracht, de minachting voor alles wat hem afleidt van zijn doel. Maar erger is het misschien nog dat hij als adressant van beloften niet meer in aanmerking lijkt te komen. Immers een tel nadat die belofte haar opbeurende werk in zijn hoofd is begonnen, is ze ook weer verdwenen. Op niets lijkt hij zich te kunnen verheugen, op niets lijkt hij te kunnen teren.’

Maar zelden brengt het verlichting voor de topzware realiteit van een moeder die drankproblemen heeft en in woord en daad steeds onaangenamer wordt.

De gedachte aan het absurdisme van schrijvers als Charms en Ionesco die de dialogen van Marina Offermans oproepen, vinden we in een heel andere vorm terug bij Cyrille Offermans. Deze vergelijkt het aan- en uitkleden van zijn moeder met slapstick. ‘Dat is zeer tragikomisch, om uitzinnig hard te lachen en tegelijk verteerd te worden door verdriet’, schrijft hij. Al wordt er weinig gelachen als de situatie onhoudbaar wordt voor de familie en men besluit tot opname van de moeder in een verpleeghuis. Het gevoel van verraad zien we in beide boeken terug.

Het plotseling gedwongen zijn tot de intimiteit die verzorging nu eenmaal met zich meebrengt, is voor beide kinderen pijnlijk. De dementie legt genadeloos bloot wat anders verkapt had kunnen plaatsvinden. En er is geen filosofie, geen literaire vergelijking, geen lineair geschreven roman of intellectueel essay die of dat daaraan iets verzachten kan. Wel komen beide auteurs op hun heel eigen wijze tot begrip. Cyrille Offermans vindt een passende vergelijking:

‘Mijn moeder bevond zich in een Piranesi-achtig labyrint van geschakelde kamers, gangen en portalen, met deuren en liften die werkten op geheime codes, en ja, overal om haar heen waren vreemde mensen gehaast in de weer met onduidelijke zaken zonder zich ook maar een lor aan te trekken van haar gekreun en gesmeek.’

Zijn zuster zoekt het juist niet in de chaos maar in de eenzaamheid van het verpleeghuis: ‘Ik tref mijn moeder in de gang aan. Ze zit alleen in een zitje bij de kunstplanten, die ook geen aandacht nodig hebben.’

Alice Sebold komt in Schaduwmaan tot de volgende conclusie: ‘Het vreemde van dementie is dat je soms het gevoel krijgt dat degene die eraan lijdt opeens over de waarheid struikelt, alsof hij onder de huid kan kijken waarin jij je verbergt.’ Dat struikelen over de waarheid overkomt ook de verzorgers van de dementerende mens. Of ze willen of niet, ze ontkomen nooit aan de confrontatie met hun familielid en met zichzelf. Twee boeken die tot nadenken dwingen zijn het resultaat.