Dubbelpraat

Als je al bij het oppakken denkt: ‘Godskolere, wat een lelijk kreng van een boek’, dan heeft iemand zijn werk heel goed of heel slecht gedaan. Ik dacht het elke keer als ik keek naar een knaloranje exemplaar van de bundel Double talk too, rapoëzie. Het boek is uitgebracht ter gelegenheid van het Double Talk-festival in Paradiso, een ‘rappend poëziefestival van internationale allure’. Het wil ‘de grens tussen jeugdcultuur en salontafelliteratuur’ betwisten, en wel in ‘bijtende zinnen en opzwepende strofen’. Zo'n uitgeversblurb kun je overslaan, maar dan kom je terecht bij het voorwoord van de samensteller, iemand die zich Emerald Beryl noemt, en dan ben je nog verder van huis. Hij heeft het over ‘intertextualiteit en ambivalentie’, ‘interpretatie en classificatie’ en de ‘nieuwe autonome verbale orde’ die in hiphop & rap te vinden zou zijn. Het werkt nogal komisch als je dan op zoek gaat naar de intertekstualiteit achter: ‘If the heart beats bigger than the body/ The mouth is my silent mate/ Alleen met jou en een natte slip/ Stuur je teksten naar mijn spleet’.

Na het voorwoord volgt een essay, Rappers en dichters, geschreven door Gerrit Komrij. Het is waarschijnlijk het slechtste dat Komrij ooit heeft geschreven. Het is zelfs zo allemachtig slecht dat we eraan moeten twijfelen of het wel van Komrij is. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat die een zin uit zijn pen zou krijgen als: ‘Wat voor het decadente eind van de negentiende eeuw de zweepslag was, is voor het eind van de twintigste eeuw de zigzag.’
Ook zie ik Komrij in nuchtere staat niet een stelling poneren als: 'De taal is het tweede grote specifieke ding.’ Zulke nietszeggendheid lijkt me eerder afkomstig uit het Tehuis voor Onbesuisden waar al jaren jonge semischrijvers rondkuieren. Halfbloed kunstenaars die graag willen dat hun kunsten - teksten schreeuwen met een stevige beat eronder, het ritmisch bederven van elpees (scratching) en het overschrijven van andermans teksten (sampling) - erkend worden als 'echte’ literatuur.
Het is me altijd weer een raadsel waarom ze dat zo graag willen. Waarom moet er zo nodig een verbinding gemaakt worden tussen poëzie en rap? Waarom moeten teksten die overduidelijk niet bestemd zijn om gelezen maar om gebruld, gerapt, gesproken te worden, opgenomen worden in een bundel? En, even afgezien van het feit dat hij dat essay dus niet geschreven heeft: waarom heeft zo'n bundel de naam van een ouwe lul als Komrij nodig?
Het lijkt me dat de meeste vertegenwoordigers van de Nederlandse literaire hiphop een stevig minderwaardigheidscomplex hebben. Het is nergens voor nodig, want in deze bundel staan een paar grappige raps en één goed gedicht, van Tommy Wieringa. Dat je zo'n gedicht ook hardop kunt voorlezen terwijl de muziek te hard aan staat, zou volgens de makers van deze bundel betekenen dat 'de rappers de poëzie door mond-op-mondbeademing op het nippertje gered’ hebben.
aja. Zo ken ik ook iemand die zeker weet dat de wereld enkel wordt gered van een botsing met de zon omdat hij elke avond zijn pantoffels precies op elf centimeter van zijn bed zet.
Een wereld zonder misdaad, hoeren, verkrachting of belastingen, bevolkt met stoere, zelfstandige mannen en weelderige vrouwen, want ook daarin vertonen Verhoeven en Heinlein veel verwantschap. Of het nu gaat om het paradijs van Robert Heinlein ('Er zijn geen lelijke vrouwen. Sommige vrouwen zijn mooier dan andere’) of de futuristische fantasieën van Paul Verhoeven, hun hoofdpersonen zijn óf woest aantrekkelijk, óf liederlijk mooi. Logisch, natuurlijk. Wie wil er nou gemengd douchen en vrije seks met lelijkerds?