Dubbeltijd

De poëziezomer van Watou, opgericht door Gwy Mandelinck, verhuisde dit jaar naar Brugge. Een stad die eigenlijk veel te mooi is voor gedichten. Mandelinck had de hielen amper gelicht of in het kleine Watou in de Westhoek startte een ander festival: ‘Verzamelde verhalen’. Jonge kunstenaars krijgen daar de ruimte, ook voor eigen teksten. Tsead Bruinja, die zowel in het Fries als in het Nederlands dicht, publiceerde ondertussen Overwoekerd, een wereldse bundel in een opvallend eenvoudig parlando geschreven. En Daniël Dee, Bruinja’s evenknie uit de poëzie performance, publiceerde de dichtbundel Monsterproof.

Al sinds decennia verschenen gedichten in het landschap en in boerenhoeves in Watou, een kleine gemeente in de uithoek van Zuidwest-Vlaanderen. De route van gedichten met en naast beeldende kunst kreeg veel navolgingen in andere plekken. Mandelinck koos dit jaar voor Brugge, om er op verzoek ‘Poëzie in dubbeltijd’ te organiseren. Een gelijkaardig project als Watou, maar dan in diverse musea en kerken in de stad. Ook in Watou kwam er meteen een vervolg. De gedichten waren nu teruggedrongen in een kelder, waar ze gedrukt op met helium opgeblazen ballonnen tegen het plafond schuurden. Als je aan een touwtje trok en de ballon naar je toe haalde, kon je het gedicht lezen. Dat gaf ruimte aan kunstenaars om er hun eigen werk en ook vaak eigen teksten tentoon te stellen in de overige schuren, boerderijen en stallen. Tekst en beeld waren weer losgekoppeld en vrij. Het gaf nieuwe dynamiek aan de opstelling.

Vorige week eindigde in Brugge ‘Poëzie in dubbeltijd’. Zichtbaar is hoe monumentaal Mandelinck en zijn curatoren te werk gaan. Een gedicht van Hugo Claus getiteld Broer wordt voorgelezen terwijl op een scherm een man die die broer kan zijn in de camera kijkt. Hij begint pas te praten en lachen als het gedicht klaar is. Een gedicht van Stefan Hertmans komt als ondertitel voorbij op twee beeldschermen met daarop verschillende ogen, een zo oud dat het bijna op dat van een vis lijkt. Onder het spreekgestoelte in de Sint-Annakerk klinkt het gedicht Woordentas van Paul Demets, waarin ‘de zitting nog nazucht na het opstaan’. Verder in De verloren Hoek van Brugge staat de Jeruzalemkerk. Een mooi klein en ondiep kerkje onder een grote toren. Koo Jeong-A plaatste er niet meer dan een brok lavasteen voor het altaar. De kunst die voor ‘Poëzie in dubbeltijd’ geselecteerd is, is tegelijk heel erg af. In het Museum voor Volkenkunde spelen in drie zalen drie dezelfde video’s. Bij voorlezing van het gedicht Archeologie van Esther Jansma volgt Dirk Roofthooft met de camera nauwgezet de huid van een mens, precies zoals Marianne Smit dat in 1997 bij een gedicht van Jansma deed. In het Guido Gezelle Museum wordt het gedicht ‘t Er viel ne keer een blatjen op het water voorgelezen bij een video waarop vocht te zien is dat langs een navel druipt omcirkeld door een restje schaamhaar. Het gedicht is zo gedragen ingesproken door acteur, kunstenaar en curator Roofthooft - zo'n beetje alsof je een kan diepdonkerbruine beits langzaam uitgiet - dat het speelse karakter van het gedicht en de muzikaliteit van de tekst verloren gaat.

Gwy Mandelinck is een bloemlezer. Hij heeft een trefzekere hand, en kiest sterke gedichten van Antoine de Kom, Ruth Lasters en Erik Spinoy. Gedichten die goed op zichzelf staan en afgedrukt zijn op de metalen hoge witte stoelen die het logo van het festival vormen.

Brugge is te mooi voor gedichten. Het is alsof je een gewaad aantrekt en in een ridderfilm meespeelt of een toneelstuk over de Middeleeuwen opvoert in passend decor. Brugge is stukken iconischer dan Watou. In Watou speelt het landschap mee, de verlatenheid, de lege barakken. Het lijkt een waterscheiding tussen twee stijlen, Watou en Brugge, met soms wat overlap. En juist die verdubbeling biedt inzicht in de ontwikkeling van tekst en beeld.

Tsead Bruinja en Daniël Dee hebben ook ruim ervaring met het brengen van gedichten buiten de dichtbundel, en dan vooral op het podium. Dee publiceerde in 2001 de bloemlezing Vanuit de lucht. Een aantal jonge dichters van de 21ste eeuw, waaronder Bruinja, werden gepresenteerd. Met z'n tweeën stelden ze de bloemlezingen Kutgedichten en Klotengedichten samen, beide niet bedoeld als kwalificatie van de gedichten maar als thematische benaming van de vrouwelijke en mannelijke genitaliën.

Tsead Bruinja debuteerde sterk met Dat het zo hoorde, in 2003 verschenen bij Contact. Daarvoor verschenen een aantal Friese bundels bij Bornmeer. Hem in het Fries horen voordragen is bijzonder: het is klankrijk, lyrisch en gedreven. De twee gedichten die hij vertaalde van een andere Friese dichter, Elmar Kuiper, in de bundel Roep de rotweiller op (BnM/De Contrabas), waren sterk vertaald. Ook zijn derde Nederlandse bundel Bang voor de bal bevatte mooie gedichten.

Bruinja is bijzonder getalenteerd. Hij staat bijna op springen van vitaliteit. Er bestaat een video van een tournee langs Friese scholen om stemmen te vergaren voor zijn kandidatuur als dichter des vaderlands. Bruinja wordt geflankeerd door Daniël Dee, de onvervalste punkdichter Bart FM Droog en de Iraakse dichter Mowaffk Al-Sawad. Het zijn vooral de fragmenten waarin Bruinja zelf voordraagt, de scholieren stil krijgt en als een konijn door de aula hupt en over de tafels van de scholieren loopt: beelden die indruk maken en ook een beetje beangstigen. Zoveel overtuiging, zoveel gedrevenheid. Toch is Bruinja alles behalve een ongeleid projectiel. Hij weet donders goed wat hij doet. Hij studeerde Engels in Groningen en onderging, samen met de Friese dichter Albertina Soepboer, invloed van Maria van Daalen. Tegelijk beklom hij waar mogelijk de podia.

Overwoekerd heet zijn nieuwe bundel. In de net zo genoemde afdeling waar de bundel mee opent, heet het 'overwoekerd door jaloezie en er niet mee bezig’. Dat is net iets anders dan H.C. ten Berge’s ‘O transmontanus/ in wedijver opgegroeid/ heb je de wedijver afgelegd’. Soepel klinken de gedichten van Bruinja en toch stemmen ze ongemakkelijk. Dat lijkt ook de bedoeling: ‘bij warm weer wordt een lijk binnen twee weken opgegeten door de maden’. Het zijn gedichten over ontbinding, over een crematie. Bruinja lijkt zich in de eerste serie iets gelegen te hebben gelaten aan wat Thomas Vaessens aan het begin van dit seizoen (bij een bijeenkomst van de SLAA, getiteld ‘Nieuwe geluiden’) met wat geïrriteerde stem ‘een debatje’ noemde over engagement en literatuur, dat zich afspeelde terwijl Bruinja Overwoekerd schreef. Een paar pagina’s later staat er in de bundel: ‘als ik schrijf dat dit een bewerking is van een artikel uit de groene/ geschreven door fred de vries// beginnen de namen u wellicht te duizelen/ en komt het gedicht minder hard aan’.

In de tweede afdeling, ‘twee keer stond ik deze week aan het water’, registreert de dichter rustiger. ‘een fietser verdwijnt in de boomwal’ en ‘een hond rijst op uit het hoge gras’. Er staan mooie wendingen in over een wapperende vlag en een waslijn die tegen een paal tikt. ‘wind is niet adem die vermoeid de wolken de bergtop over duwt’, schrijft Bruinja. De derde afdeling heet ‘je gaat tegen haar aan liggen terwijl ze slaapt’ en bevat mooi lome liefdesgedichten, met daartussen een roepend ‘hé zon in de lucht’ dat aan Van Ostaijen doet denken. Daarop volgt een serie gedichten ‘met een groot wit nummer op de rug’ waarin Bruinja de spreektaal volgt, ongeveer zoals Martin Reints dat doet. Een ik-figuur en zijn vrouw kijken in broek en handdoek naar de sneeuw buiten. Verderop schrijft Bruinja: ‘waar durven we op te hopen meer dan op een goede buurman’. In het gedicht In Basel is er sprake van een spiegel van een gelukkig getrouwde man die naar een huwelijk gaat - en samenvalt met de bruidegom. Een bezoek aan Zuid-Afrika duikt op in het gedicht Hector Pierterson, vernoemd naar een jongen van dertien die in 1976 werd vermoord.

En dan gaat Bruinja in de vijfde reeks ‘worming up von kwabbenstein’ los. De mens pakt het liefst op ooghoogte de kroket is een typerende titel. En hij kreet er op los: ‘caramba doe mij nog een ranja’. Het laatste gedicht uit de afdeling opent zo: ‘de wereld staat in brand en ik speel viool’. De sterkste afdeling is de zesde, ‘bakkie for hire’. Opnieuw komt zijn bezoek aan Zuid-Afrika terug, maar dan geabstraheerder, meer door de gedichten heen geschoven. Wereldwijsheid en directe taal komen hier samen. ‘mijn huid is een brochure/ mijn gezicht een gezicht/ dat op mijn hoofd/ zit geplakt’. In de laatste afdeling ‘verkeerd verbonden’ worden gruwelijke gebeurtenissen versneden met opgewekte reclame. Treffend is de opening ‘de schoonmaker mopt keurig om de patiënt heen/ die in katzwijm op de vloer ligt’. Te midden van een gedicht vol argeloze vergissingen staat de regel: ‘er is iets wat ik wil zeggen/ maar wat ik niet kan zeggen’.

De taal van Daniël Dee in Monsterproof lijkt heftiger dan die van Bruinja: ‘duiven pikken de hersenen uit mijn hoofd’. Dee klinkt nuchter. Tegen kinderen is het: ‘Als je zonodig met water moet spelen/ doe je maar de afwas’. Het zijn directe gedichten:

er zijn veel vrouwen die ik heb liefgehad

ik heb een minuscule moedervlek

op mijn linkerhand onder mijn pink

die me altijd een gevoel van vertedering geeft

hij is zo hopeloos overbodig

‘houd de dialogen simpel maak er statements van’, dicht Dee. En in een gedicht over een groente: ‘Witlof weet niet hoe te beklijven en witlof weet niet hoe een hart te veroveren’ is er woordspel: ‘Het interesseert hem geen biet.’ De gedichten van Daniël Dee zijn bij tijd en wijle liedjes, zoals in het fraaie gedicht Trampoline: ‘mijn liefste/ heeft een teenring en niemand weet waarom’. Daarmee is hij toch zachter dan Bruinja. Het is liefdespoëzie die hij schrijft, of het nu in de vorm van kleine verhaaltjes, korte teksten of liedjes gebeurt. ‘De natuur van een stadsmens is niet te veranderen’. Ook in deze poëzie is er veel wereld, misstanden, geweld. ‘Elke relatie zou één mes moeten hebben.’ In een gedicht heeft hij het over zestig illegale container-Chinezen die ‘rap als palingen in een emmer glibberen uit hun veilige haven’. En soms zijn zijn teksten een beetje gepraat: ‘Het is niet leuk om single te zijn, het is onhandig.’ In de zesde afdeling van Monsterproof geeft hij een vrouw het woord, de Russische dichter Liza Yuvachova, die beduidend anders dicht dan hij: ‘mijn stem is vandaag zo diep als een travestiet/ ik ben niet ziek zo klink ik met kater.’

Verzamelde verhalen’ in Watou.

‘Poëzie in dubbeltijd: een kleine ritselende revolutie’, 23 januari - 23 mei 2010. Diverse locaties in Brugge.

Tsead Bruinja, Overwoekerd. Cossee, 80 blz., € 19,90.

Daniël Dee, Monsterproof. Passage, 68 blz., € 15,90