Dubieuze cocktails

Romanschrijver Richard Powers schrijft onbetrouwbare biografieën. Feit en fictie mengen zich naar hartelust. Cruciaal is de vraag of de mens afval van de geschiedenis is.

ZE STAAN OP een landweg en kijken over hun rechterschouder naar de fotograaf. Waarschijnlijk heeft die tegen hen gezegd dat ze achter elkaar moeten lopen en dan, als hij een seintje geeft - nú, ja, nú kijken! - hun hoofd naar de lens mogen omdraaien. Klik. Vastgelegd, voor eeuwig. We zien ze nog steeds.
Het zijn drie jeugdige boeren, opgepoetst gekleed in hun zondagse pak, hoed op hun hoofd, wandelstok in de hand. Het is 1 mei 1914, de Dag van de Arbeid, nog een paar maanden te gaan voordat de Eerste Wereldoorlog en de twintigste eeuw echt beginnen. De jonge heren zijn nog onbekommerd op weg naar een huwelijksfeest. Ze worden waargenomen en gefotografeerd door August Sander (1876-1964), een Duitse fotograaf die zulke ambitieuze, sociologische fotoreportages maakte als Mensen zonder maskers, Gezicht van onze tijd en Portretten van twintigste-eeuwse mensen.
Dat beroemd geworden portret van drie boeren uit het Oostenrijkse Westerwald prijkt ook op het omslag van de eerste roman van Richard Powers: Three Farmers on Their Way to a Dance (1985). Powers probeert de foto tot leven te wekken, achter de biografieën van de drie boeren te komen, hun verleden en hun naaste toekomst te doorgronden en via die levens een kernbeeld van de twintigste eeuw te scheppen. Vanuit de jaren tachtig laat hij een Amerikaan, die in een museum in Detroit getroffen wordt door de foto van Sander, op onderzoek uitgaan. Zijn levensloop raakt verknoopt met dat van de Oostenrijkse boeren, die bijna halverwege 1914 niet weten wat hen boven het hoofd hangt. De wereld lijkt nog zo onschuldig en ongerept. De plattelandsidylle is onbesmet, er zit geen vetvlek op de zondagse pakken, de achterste boer rookt onbekommerd een sigaret.
Three Farmers on Their Way to a Dance is een ongelooflijke spannende mengeling van feit en fictie: flarden biografie, zowel echt (Henry Ford, Sarah Bernhardt) als gefingeerd, worden afgewisseld met essayistische fragmenten over de geschiedenis van de fotografie, citaten uit wetenschap, literatuur en krant, en die denkexercities worden weer omringd door grandioze narratieve hoofdstukken vol verbeelding en oog voor het minieme detail over de Werdegang van de drie boeren en hun naasten. Hoe de twintigste eeuw begon krijgt de lezer te ‘zien’ door de foto, die een venster wordt op wat komen gaat. De lezer tuurt naar de boeren die hun blik nooit meer afwenden. De roman gaat over kijken en terugkijken, over de toekomst van gisteren, over collaboratie en verzet, over het zoeken van de verloren tijd, over het wezen van oorlog, over betrokkenheid bij het lot van de mens.
Powers laat zijn personages dingen denken die nog zelden hardop worden uitgesproken. Deze, ogenschijnlijk marxistische zin bijvoorbeeld: 'Oorlog is in deze eeuw hoofdzakelijk een mogelijkheid geweest om nieuwe technologieën op het slagveld te testen.’ Of deze: 'Maar misschien werd de oorlog ook noodzakelijk door een soort genetische aanleg in mensen. De liefde voor wat op sterven na dood is, het geloof dat het ziekelijke en perverse meer mogelijkheden bieden tot ervaring dan de status-quo, dat is de epidemische voorkeur van deze tijd.’
IN ALLES WAT we doen schrijven we onze eigen biografie, staat ergens in Powers fascinerende roman. Wat is het verschil tussen romanschrijvers en biografen? De biografie stelt de vraag hoe de kleine bijzonderheden van een afzonderlijk leven - of dat nu van een Oostenrijkse boer is, Ford of Bernhardt - gekoppeld kunnen worden aan een tijdperk. Maar het probleem is dat het leven van wie dan ook 'een rommeltje’ is. Wie Sarah Bernhardts biografie schrijft moet dwars door alle maskerades, rookgordijnen en leugens van de danseres heenkijken. En wie was Ford? Een pacifist die op een soort Narrenschip in 1915 de vrede naar Europa wilde brengen? Een boer, analfabeet, mechanisch genie, grote handels geest, antisemiet, filantroop, wapenproducent? We zijn allemaal 'dubieuze cocktails’, en om biografie en tijdperk op elkaar af te kunnen stemmen, dient het eerste geredigeerd te worden en is een herinterpretatie van het betreffende tijdperk noodzakelijk: is het een paranoïde blik die overal samenzweringen ziet, of registreert de boekstaver louter toeval en ongelooflijke samenlopen van omstandigheden?
Een biograaf is een product van zijn eigen tijd en projecteert dus zijn eigen gekleurde blik op zijn onderwerp. De waarnemer, op zoek naar een nog onzichtbaar persoon in een zoekgeraakte tijd, rijdt zichzelf in de wielen tijdens het spel van kijken en terugkijken. 'Geen enkele biograaf heeft schone handen. Biografen verschillen alleen van romanschrijvers in de richting van hun bewijsvoering: de biograaf gaat uit van bepaalde, gedetailleerde karaktertrekken en probeert daaruit de algemene, historische context van een leven af te leiden. Voor een romanschrijver is het historische terrein een gegeven, waaruit hij kenschetsende karakteristieken distilleert. Beiden vertroebelen hun werk met hun bedoelingen en hun temperament.’
NATUURLIJK ZIJN er meer verschillen tussen romanciers en levensbeschrijvers, waarvan voor mij de meest essentiële is dat de fictiemaker veel meer ruimte heeft om met feiten, data, en plekken te schuiven en dat hij meer vrijheid bezit om te vertekenen, op te blazen, te bagatelliseren of te ironiseren om zo via zijn fictieve werkelijkheid een persoonlijke 'waarheid’ te bereiken.
Maar de reden dat ik zo uitgebreid inga op de verhouding tussen biografie en roman is een andere. Richard Powers structureert al zijn romans min of meer volgens het koppelingsprincipe dat hij zijn foto-onderzoeker in zijn debuut laat formuleren: hoe verbind ik een biografie met een tijdperk? Breder geformuleerd: wat is de verhouding tussen leven, lezen en schrijven? Die vraag voedt de verteller die Richard Powers is.
In zijn derde, zeer geestige en vernuftige roman Galatea 2.2 (1996) is er zelfs een personage dat Richard Powers heet. Het boek is te lezen als een uitermate onbetrouwbare biografie van Powers. Het is een verraderlijke, romaneske levensloop vermomd als biografie. Als gastdocent op een Amerikaanse universiteit geeft de protagonist Powers, na het aangaan van een weddenschap, literatuurles aan een computer, Helena. Privéleven en wereldliteratuur raken vervolgens hopeloos met elkaar verstrengeld. Uiteindelijk wordt gastdocent Powers, lijdend onder een gestrande relatie met een Nederlandse, ontmaskerd als een belezen en succesvolle schrijver die in het dagelijks leven een onhandige hark blijkt die de drijfveren van anderen niet doorziet.
In Galatea 2.2 heeft psycholoog-van-de-koude-grond Powers romans geschreven die als twee druppels water lijken op die van de schrijver Richard Powers. Zijn tweede roman, The Gold Bug Variations (1991), kwam tot stand omdat hij, in een afgelegen dorp in het Nederlandse Limburg waar een armetierige bibliotheek was, 'een encyclopedie van het informatietijdperk’ wilde schrijven. 'Meerdere kilo’s verhaal, een poging om in muziek de eerste levensprincipes te voelen, en in die genetische principes een levend lied te horen. Ik had geprobeerd de ladder van de schepping stevig te verankeren in de moleculaire bouwstenen ervan. Ik had een boek geschreven dat streefde naar inzicht, terwijl mij elk inzicht ontbrak in de vrouw van wie mijn handelingen afhankelijk waren.’
OM AAN TE geven dat Richard Powers vierde roman Profit, die deze zomer in een Nederlandse vertaling verscheen, qua vorm en mentaliteit hecht verweven is met zijn debuut, heb ik er al uit geciteerd: 'Wat een dubieuze cocktails zijn we toch allemaal.’ Dat verzucht Laura Bodey: makelaarster, ex-echtgenote, moeder van twee pubers en eierstokkankerpatiënte in het landelijke Lacewood in Illinois, standplaats van multinational Clare.
Haar verhaal, dat wil zeggen haar laatste levensjaar als doodzieke patiënt, wordt afgewisseld met een vertelling die in 1802 begint en in de naaste toekomst van de eenentwintigste eeuw eindigt: de geschiedenis van het ontstaan en de langzame expansie van het zeepfrabriekje Clare, opgericht door de immigrant Jephthah Clare, die begin negentiende eeuw Engeland ontvlucht omdat hij voorkennis inzake de instortende suikerbietenprijs niet heeft doorgegeven. Met zijn vrouw en een voorraad Wedgwood-borden, die als hard bed dienst doen, vlucht hij per schip naar het Beloofde Land. Daar komt hij bij toeval in contact met de Ierse kaarsenmaker Robert Ennis: de kiem van een groot familiebedrijf is gelegd, een onderneming die nauw verbonden raakt met het wel en wee van de Amerikaanse economie en geschiedenis vol crises, slavernij, protectionisme, marketingmechanismen, uitvindingen, uitbuiting, winstdeling, reclamevondsten, oorlog, grondstoffenexploitatie, recycling en het onophoudelijk creëren van 'een gat’ in de markt.
De lezer vraagt zich aanvankelijk af wat het verhaal van Laura Bodey te maken heeft met de historie van Clare en de ontwikkeling van het jonge Amerikaanse kapitalisme. Maar halverwege Profijt is er geen ontkomen meer aan: het leven van Laura is met talloze draden verbonden met het alomtegenwoordige Clare. Begonnen met de productie en verkoop van kaarsen en zeep, is het bedrijf uitgegroeid tot een multinational met een farmaceutische tak die ziekenhuizen voorziet van de nieuwste medicijnen en pijnstillers.
Powers’ Profijt groeit uit tot een verhaal over chemie en alchemie, complot en toeval, schuld en onschuld. Is Clare een mondiaal monster dat iedereen opvreet of een milieubewuste multinational die de aarde via recycling en een groen bewustzijn spaart?
Samenzwering of samenloop? Het is een aloud dilemma in Amerikaanse romans geschreven door John Dos Passos, William Gaddis, E.L. Doctorow, Don DeLillo, Thomas Pynchon, Robert Coover, William T. Vollmann en Richard Powers. Wie is verantwoordelijk voor wat? Het spannende van Profijt is dat Powers ruimte laat voor beide opties (bewuste bedrijfsterreur én toeval) waardoor de lezer medeplichtig wordt. Wat te denken? Hoe achterdochtig moet hij zijn? Powers voedt zowel de paranoïde geest als de argeloze houding. Het boek is als de chemotherapie die Laura Bodey ondergaat en die met adembenemende gedetailleerdheid wordt beschreven: het sust en verdooft, het maakt je misselijk en duizelig van alle dwarsverbanden die je vermoedt, het vernielt en vernieuwt, het verzoent en het polariseert.
Hoewel haar ex-man Don overal machinaties en manipulaties ziet en het concern samen met anderen een proces aandoet wegens kankeropwekkende milieuverontreiniging, is slachtoffer Laura veel relativerender. Er is niet één sluitend verhaal dat één schuldige aanwijst: 'Het maakt niets uit of ze kanker heeft gekregen door dit bedrijf. Ze heeft ook al het andere door het bedrijf gekregen. Ze hebben haar leven in de hand genomen en het op iedere denkbare manier gevormd en op allerlei niet-denkbare manieren op de koop toe. Ze hebben haar leven zo ingrijpend veranderd dat zelfs kanker dat maar voor de helft terug kan draaien.’
Een van de eerste Clare-reclameslogans, ontleed aan het Boek Job, luidde: 'En die rein van handen is, zal in sterkte toenemen.’
Het bedrijf, grootgeworden door zeepproducten die niemand echt nodig had maar waarvoor bewust een markt werd gecreëerd, bedient de consument van wieg tot graf. En Laura, doodmoe en doodziek, denkt laconiek: 'Wat wil de mens nog meer? Hier gaat het om, de dunne draad die het leven voorttrekt, de toegevoegde waarde die wasteil verbindt met zielenheil.’
PROFIJT IS EEN leerzame, ver ontrustende, onnadrukkelijk geëngageerde roman. Het is een boek vol wanhopige humor die de dood op afstand moet houden. Het is een boek over het verstrijken van de tijd (dat 'universele oplosmiddel’), een historische roman vol wetenswaardigheden over de opkomst van de jonge Verenigde Staten, over de welhaast magische metamorfosen van de grondstoffenmarkt en economische hausse en baisse (alles is handel, van afval tot ideeën), marketing en manipulatie, schaarstepolitiek en prijsstijgingen, winstdeling en loondalingen. Succesvolle verhalen van energieke en vindingrijke immigranten, die vaak 'typisch Amerikaans’ worden genoemd, wisselt Powers af met filosofische overpeinzingen van cultuurpessimisten als Henry Adams en De Tocqueville ('geen enkele volbloedaristocratie kon het wat wreedheid betreft opnemen tegen de economische meritocratie’), essayisten en dichters als Ralph Waldo Emerson (het vooruitgangsidee is 'met een theelepeltje kunstmest een zandbak in een korenveld veranderen’) en doorsneezielen als Laura Bodey ('Geschiedenis bestaat niet. Alles is er al. Het mensdom is een kind dat per ongeluk in de bibliotheek is opgesloten en zich nu door de vaste collectie heen een weg naar buiten aan het lezen is’).
Uiteindelijk is iedereen in Profijt op zoek naar een wondermiddel dat de dood uitschakelt en wordt Amerika voorgesteld als de republiek der uitvindingen en als een 'hunkerend schoolkind’. De overwinning op de pijn van oorlog en ziekte is voor de dynamische en springlevende natie 'de hoogste prioriteit’. Men verlangt naar het eeuwige leven, want wat komt er van de mensheid terecht 'wanneer die eenmaal uit haar dagelijkse nachtmerrie van besmetting en pijn zou zijn ontwaakt?’
De golfbewegingen van de economische en politieke crises raken niet alleen de inwoners van Lacewood, Illinois, de plaats van handeling in Profijt. Welke metamorfosen de wereld ook ondergaat - of die nu worden teweeggebracht door de uitvinding van telegraaf, morse, radio, film, televisie, computer, lachgas, chloroform, ether of morfine - elke verandering valt in het niet bij die van de mens zelf, 'zozeer is het hart gericht op zijn eigen uitreis.’
Wie Profijt leest en daarna naar andere romans van dezelfde schrijver grijpt, te beginnen met Three Farmers on Their Way to a Dance, zou willen dat Richard Powers eenzelfde doorbraak naar het grote leespubliek vergund is als Don DeLillo na het verschijnen van zijn roman Underworld. Bij beide schrijvers gaat het om een cruciale vraag: is de mens afval van de geschiedenis of zit het misschien anders in elkaar?
Profijt is een pleidooi voor helderheid van de geest in een tijdperk dat vergeven is van allerlei gifgassen, onzichtbare fenomenen die diep ingrijpen in het leven en de toekomst kunnen vertroebelen. Profijt wil ook een herschrijving zijn van twee eeuwen geschiedenis van de Verenigde Staten, verbonden met het wel en wee van een gemiddeld gezin in een plattelandsstadje ergens in het Midwesten van Amerika aan het einde van de twintigste eeuw. Profijt is een boek over verlies en winst in alle betekenissen van het woord.