Reputatiejacht

Duim omhoog, duim omlaag

Soms lijkt het erop dat iemands reputatie in de media wordt opgeblazen, alleen om die te kunnen breken. De lezer leest het en gaat verder met zijn weekend, de journalist gaat naar het volgende verhaal. Maar voor de persoon met de gebroken reputatie staat de klok voortaan stil.

Luister naar dit artikel

Lucas Cranach de Oude, Judith met het hoofd van Holofernes, circa 1530. Olie op linnen, 89,5 x 61,9 cm © Collectie Metropolitan Museum of Art

Ik heb één keer een avondje met Jan Six staan kletsen. Op een feestje in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Een jaar of wat geleden. Hij kwam binnen aan de arm van een gemeenschappelijke vriendin. Serieus gezicht, jasje met visgraat, helm van haar – ik mocht hem meteen.

Feestjes! Ooit bestonden die nog. Wat weet ik nog van die avond? Als ik het me goed herinner belandde ik in een te intens gesprek met het zusje van de gastvrouw. Ze had een liefdesbrief geschreven, de ultieme brief, waarvan ik alleen nog weet dat die met het beeld eindigde dat zij boven aan een wenteltrap zou staan. Op hem te wachten. Ze had als reactie van hem alleen een emoticon gehad – ‘Leg dat eens uit!’ riep ze.

Waarom moet je als man zo vaak optreden als apologeet van tekortschietende mannen? Of misschien moet dat helemaal niet, maar voel ik me daar gewoon eerder toe geroepen. Ik zei dat hij vast zo onder de indruk was van haar brief dat hij zijn gevoel niet kon verwoorden. Haar liefde had hem overvleugeld. Dat leek een troost.

Enfin. Jan Six dus. Hij stond een beetje in de hoek van de kamer. Dit gedeelte van de avond weet ik nog goed. We raakten aan de praat, over Bernard Berenson, over wie ik net in The New Yorker had gelezen. Berenson was een Baltische jood die eind negentiende eeuw naar Boston emigreerde, aan Harvard studeerde en wereldwijd uitgroeide tot de grootste connaisseur van Renaissance-kunst. Dit was de tijd dat veel Engelse landhuizen hun oude meesters moesten verkopen om boven water te blijven; de blik van Berenson werd bijna als mystiek gezien, zijn intuïtie werd in de kunsthandel de doorslaggevende factor of een doek ‘echt’ was of niet.

Six bleek veel meer van Berenson te weten dan ik – normaal gesproken zou ik dit natuurlijk on-uit-staanbaar vinden, maar hij sprak er zo begeesterd over dat ik me eroverheen zette. We hadden het ook over Anthony Blunt, wiens biografie we beiden bleken te hebben gelezen. In de jaren zestig en zeventig groeide Blunt, als ‘Surveyor of the Queen’s Pictures’ en directeur van het voorname Courtauld Institute, uit tot kunstpaus – totdat Margaret Thatcher in het Lagerhuis pontificaal openbaarde dat Blunt in de oorlog tot de beruchte Cambridge-spionnenkring had behoord. Samen met een groepje studievrienden had hij staatsgeheimen doorgespeeld aan de sovjets.

Blunt raakte zijn geliefde voorvoegsel ‘Sir’ kwijt en groeide uit tot de meest beschaamde man van Engeland. De tabloids lustten hem rauw. Toen hij uiteindelijk een roddelblad aanklaagde wegens smaad, oordeelde de rechter zijn klacht ongegrond: smaad was de onheuse aantasting van je goede naam en Blunt kon op geen enkele manier nog claimen überhaupt een behoorlijke reputatie te hebben.

Kortom, Six en ik, het was zo’n fijn opgewekt gesprek van twee mannen die elkaar uitleggen wat ze allebei al weten – ook mannen mansplainen elkaar onderling.

Six ging naar huis, we gaven elkaar een hand en namen ons voor om eens af te spreken. Kort daarna werd hij wereldberoemd, eerst met zijn Rembrandt-ontdekking, daarna met de grimmige nasleep.

—————

Dit is geen apologie van Jan Six. Ook niet van Dymph van den Boom, of van Julian Andeweg, of van de naamloze hoogleraren, theaterdocenten, modeontwerpers en curatoren wier wangedrag of missers in de krant onthuld worden – anoniem weliswaar, al zal iedere collega weten om wie het gaat. Er komt nu ook geen ‘maar’ aan. Het is eerder in de categorie, om de beroemde openingszin van Janet Malcolms meta-journalistieke klassieker The Journalist and the Murderer (1990) te parafraseren: iedere journalist die niet achterlijk is of niet te vol van zichzelf is, weet dat wat hij doet moreel onverdedigbaar is.

Soms, in ieder geval.

De journalist zit misschien thuis achter zijn laptop, of aan zijn bureau op de redactie, in zijn colbertje met gympies eronder, maar in feite draagt hij tegelijk de pet van de rechercheur, de toga van de openbaar aanklager en rechter en de kap van de beul. Tegen anderen en tegen zichzelf kan de journalist zeggen: het enige wat ik doe is onwelkome waarheden boven water halen, het is aan andere instanties, een werkgever bijvoorbeeld, of het Openbaar Ministerie, om aan die waarheden consequenties te verbinden. Maar dan maakt de journalist zichzelf iets wijs. Zijn stuk is vaak al de uitspraak en de strafmaat ineen, al het andere is daar een afgeleide van.

In het ideale scenario begint het ermee dat de journalist iets tegenkomt en denkt: dit klopt niet, hier moet ik achteraan. De journalist jaagt en eenmaal in het zadel met de prooi in zicht is het moeilijk overzicht te bewaren waar je precies op jaagt: op een misstand of op een lekker verhaal. Een lekker verhaal gaat om personen die gelogen hebben, een denigrerende grap hebben gemaakt, te losse handjes hebben, te ijverig te hitsige foto’s versturen. Zo’n verhaal is de zoetste prooi, dat willen we allemaal verorberen. Een misstand is taaier, complexer, belangrijker. Een misstand gaat over veel meer dan de betrokken individuen, het gaat over achterliggende systemen, het zegt iets over de wereld. Daarom houdt het niet op bij de lezer, maar moeten rechters of Pieter Omtzigten aan het werk.

Het verhaal zegt vaak weinig meer dan het verhaal zelf. De zaterdagochtendmens leest het, deelt het bij koffie en croissants – ‘moet-je-nou eens-horen’ – met zijn ontbijtgenoot. Misschien tweet hij er zelfs iets over. De journalist zal die tweet retweeten. Daar blijft het bij. De lezer gaat verder met zijn weekend, de journalist verder naar het volgende verhaal.

Alleen voor het onderwerp van het verhaal, de dader, blijft de klok bevroren. Ineens is het leven opgedeeld in een voor-het-stuk en een na-het-stuk.

—————
Andrea Solario, Salome met het hoofd van Johannes de Doper, 1507-09. Olie op populierenhout, 57,2 x 47 cm © Collectie Metropolitan Museum of Art / The Friedsam Collection, legaat van Michael Friedsam, 1931

Half april spijkerden Arjen Ribbens en Pieter van Os Jan Six op de voorpagina van NRCHandelsblad: ‘Jan Six: Rel nummer twee.’

Ribbens is sinds jaar en dag kunstredacteur van naam, Van Os werkte zowel op de kunst- als de politieke redactie van de NRC, was lang Groene-redacteur, won verschillende journalistieke prijzen voor zijn uitzonderlijke oorlogsvertelling Liever dier dan mens. Ik ken Pieter al jaren, ben op z’n bruiloft geweest.

Vooral Ribbens had al langer een geschiedenis met Six, zoals het duo beschrijft in hun pas verschenen Tussen kunst en cash, waaruit ‘Rel nummer twee’ een voorpublicatie was. Ribbens zette Jan Six indertijd op de voorpagina van NRC Handelsblad (15 mei 2018) met de spraakmakende scoop ‘Onbekende Rembrandt ontdekt’. Het was de eerste keer dat de wereld bekend werd met het bestaan van het werk van een nog jonge Rembrandt, een portret van ‘een dandy-achtige jongeman met het kapsel van een rockster’. In een bijgaand interview (ook van Ribbens) vertelde Six dat hij het schilderij had gespot in een veilingcatalogus van Christie’s in Londen. Zonder toeschrijving. In één oogopslag herkende Six de stijl als die van Rembrandt, hoe de kraag was geschilderd, hoe de jongen contact met de kijker maakt. ‘Het was meteen klik-klik-klik’, zei Six. Ik moest aan Bernard Berenson denken. Met een externe investeerder kocht Six het doek goedkoop en hij deed er anderhalf jaar onderzoek naar. Zelfs opper-Rembrandt-kenner Ernst van de Wetering gaf groen licht.

Die avond zou Six hoofdgast zijn bij Pauw. Kijkt u uit naar de presentatie van uw vondst? vroeg Ribbens. Six antwoordde: ‘Hoe vaak ik wel niet op mijn fiets naar de restaurator reed en dacht: kon ik het maar van de daken schreeuwen. Het voelt als de afsluiting van een proces en het begin van een prachtige toekomst.’

De toekomst verliep anders, weten we nu. Want ook kunsthandelaar Sander Bijl uit Alkmaar had indertijd het doek als een mogelijke Rembrandt in de veilingcatalogus zien staan. Hij zocht contact met Six, de twee zouden samen bieden. Six verzweeg dat hij al een andere investeerder had. Op de veiling werden Bijl en Six overboden, door Six en zijn Engelse compagnon. Dubbelspel, zei Bijl. Pas later begreep Bijl hoe Six had gehandeld, Bijl overhandigde aan Ribbens de WhatsApp-conversatie waaruit dit alles bleek. Op 13 september 2018 publiceerde Ribbens het artikel ‘Sensationele vondst Rembrandt inzet van vete kunsthandelaren’. Dit sloeg in de kunstwereld in als een bom, het werd de meest besproken kwestie in jaren. ‘De vriendschap is nu uit’, zei kunsthistoricus Van de Wetering in de NRC. ‘Six heeft zijn ware aard getoond; ik weet nu hoe hij kan liegen.’

Als je de glamour van de kunsthandel en de adellijke familienaam wegdenkt blijft over: man tilt ­andere man voor tienduizend piek

‘Rel nummer twee’ ging verder waar Bijl was gebleven. Hoewel het stuk van Ribbens en Van Os voor het grootste deel de Bijl-affaire nog eens navertelde, was het in feite een prequel: dit speelde zich jaren eerder af. Een anonieme kunsthandelaar vertelde hoe hij een schilderij van een kameel, door Jan Asselijn (circa 1610-1652), had ontdekt in een privé-verzameling in Wassenaar. Hij tipte Six. Samen zouden ze het schilderij proberen te kopen en verkopen. Six charmeerde de Wassenaarse verzamelaar, maar liet zijn collega later weten dat het was mislukt: ‘Fuck’, mailde Six, ‘het schilderij is verkocht.’

De clou: het was Six zelf die de kameel had gekocht, ook toen met zijn Engelse compagnon, en had doorverkocht voor zes ton. Six streek een commissie van twintigduizend euro op. Zijn collega was woedend, en terecht – ze waren bevriend, reisden samen, na Six’ scheiding had hij hem meegenomen naar een warm eiland om op te vrolijken. Vijftien jaar vriendschap gooide Six weg, mailde de handelaar hem, ‘en waarvoor? Voor een kameel van Asselijn, Jan. Een kameel!’ Six moest hem de helft van die twintig mille commissie betalen.

Een goed verhaal, een smeuïg verhaal. Slachtoffer, dader, ontknoping. Het is ook een verhaal dat duidelijk maakt wat het verschil is tussen een rechtszaak en een journalistiek verhaal: als Six een kind van een flat had gegooid had de NRC hem nooit voluit met naam mogen noemen, had Jan S. nooit herkenbaar in beeld op de voorpagina mogen staan.

Als dit een rechtszaak was hadden de aanklagers ook nooit Thomas Kaplan, de eigenaar van de meest prestigieuze particuliere verzameling van Nederlandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw, naar voren geschoven als character witness. Kaplan had niks met het doek van Asselijn te maken gehad, en toch voerden Ribbens en Van Os hem op als moreel scherprechter. Hij zegt: ‘Het is een epische tragedie voor de naam Jan Six, in heden en verleden.’

Een verdedigingsadvocaat zou zeggen: de heer Kaplan verdiende zijn miljarden in de goud- en mineralenmijnen in Afrika en Latijns-Amerika, een business die, ahum, algemeen bekend staat als helemaal-niet-vervuilend, vol-ko-men slaafvrij en met uitmuntende secundaire arbeidsvoorwaarden. Dus ja hoor, geheel logisch dat deze Kaplan met zijn smetteloze vingers naar de Amsterdamse Herengracht mag wijzen en het morele oordeel mag vellen: ‘Six is het pure kwaad.’

Daartegenover staat dat Kaplan in ieder geval nog bereid is onder eigen naam te spreken. De voormalige vriend die de Asselijn tipte blijft naamloos, zoals in Tussen kunst en cash ook ‘een goede voormalige vriendin’ en ‘een oudere ex-museumdirecteur’ anoniem spreken. Van Os en Ribbens schrijven dat men in de kunstwereld alleen ‘off the record’ wil spreken, want ‘we blijven wel netjes’.

Netjes? Een NRC-redacteur, die liever niet met zijn naam in De Groene wil, zegt tegen me: ‘Best laf, al die anonieme citaten. Als je iemands persoonlijkheid affakkelt en een reputatie onherstelbaar ruïneert, heb dan het fatsoen dat onder je eigen naam te doen. Vizier omhoog. Dan weet de lezer bovendien wat iemands band met het onderwerp is.’

Maar nogmaals: het artikel is geen rechtszaak. Er zal niemand vervolgd worden. Als je de glamour van de internationale kunsthandel en de adellijke familienaam wegdenkt blijft over: man tilt andere man voor tienduizend piek. Maar dat is geen voorpaginaverhaal. Dat gebeurt elke dag. Dat gebeurt bij de helft van alle erfenissen.

Toch kreeg Jan Six – zijn reputatie, zijn toekomst – een publieke executie. Dat NRC-stuk is een zwaardere straf dan welke rechter hem ooit had kunnen opleggen.

Sinds #MeToo lijkt er iets veranderd in de journalistiek. Of misschien is het niet zozeer een verandering in de journalistiek, maar een verandering in de dynamiek tussen de nieuwsmaker en de nieuwsconsument.

Toen Jodi Kantor en Megan Twohey van The New York Times op onderzoek gingen naar de seksuele transgressies van filmproducent Harvey Weinstein, wisten ze dat ze niet zomaar onderzoek deden naar een privé-leven. Weinstein kon in Hollywood carrières maken en breken. Zijn persoonlijke sfeer kleurde een hele industrie. Kantor en Twohey deden net zo lang onderzoek tot ze een heel scala aan slachtoffers, getuigen en oud-werknemers on the record hadden, zodat hun stuk niet alleen over Weinstein ging, maar een hele cultuur in kaart bracht waarin de slachtoffers van Weinstein via allerlei financiële en juridische trucs er het zwijgen toe werden gedaan. Maar dat hun onderzoek zo’n maatschappelijke weerklank kreeg, schrijven Kantor en Twohey in hun boek She Said (2019), hadden ze ook niet verwacht.

Natuurlijk was het persoonlijke altijd al politiek, maar dan het persoonlijke als abstractie, bijvoorbeeld als het ging om abortus of homorechten. Nu bleek dat ook persoonlijke ervaringen konden weerklinken, en als maar genoeg van die ervaringen gedeeld werden ze het persoonlijke ontstegen en hiërarchieën of machtssystemen blootlegden. De vloedgolf van beschuldigingen die vanaf najaar 2017 loskwam (Weinsteingate ‘brak het nieuws’ op 5 oktober 2017) liet zien met wat voor een seksueel wangedrag machtige mannen jarenlang konden wegkomen, hoe dat carrières en man-vrouw-quota beïnvloedde, terwijl iedereen veelal wist wat er aan de hand was – en wegkeek.

Vaak waren de overtredingen strafrechtelijk niet hard te maken, omdat ze jaren oud waren of niet verder bewijsbaar waren dan ‘hij zei’ tegen ‘zij zei’. Bewijs maar eens die ongewenste hand in je blouse. Vaak vielen ze niet eens onder het strafrecht. Ongepaste opmerkingen en treiterijen vallen daar zelden onder, hoe naargeestig en stelselmatig ze ook zijn.

Maar nu hoefde er geen rechter aan te pas te komen. De straf werd niet opgelegd door een rechtbank maar door het publiek, op de sociale media. Wie zijn telefoon pakte en plots ontdekte dat hij een trending topic was, wist dat zijn verleden hem had ingehaald. Daarom maakte #MeToo vooral schoon schip in de media en de culturele wereld, omdat daar carrières veelal draaien om uitstraling en reputatie. Waren die eenmaal besmet, dan zonken die carrières alsof ze door een torpedo waren geraakt.

Die reputatiejacht begon zich de laatste jaren te verleggen naar buiten de #MeToo-sfeer, met zaken die niet met seksuele intimidatie te maken hebben. Bijvoorbeeld journalistieke onderzoeken naar bedrijven waar de werknemers zich ‘onveilig’ voelen, vanwege hun tirannieke werkgevers. Soms zijn dat ceo’s, soms hoogleraren, soms tv-presentatoren. Soms gaat het om experts die ergens een faux-pas hebben begaan, zich deskundiger hebben voorgedaan dan ze zijn, een foute opmerking gemaakt hebben. Opnieuw: naargeestige zaken, die verder vaak niet strafbaar waren, maar wel op Twitter-stormen konden rekenen.

Daarbij, hoe onuitgesproken ook, veranderde er iets tussen journalist en lezer. Heel impliciet ontstond er een een-tweetje. De journalist levert een stuk met een aanklacht erin en het is aan de lezer om die aanklacht van betekenis te voorzien, door boos te worden en die boosheid via online platformen te delen. Want de lezer weet heel goed: als ik dat niet doe, zijn er geen consequenties. Omgekeerd kan de journalist denken: ik schrijf het stuk en Twitter doet de rest.

Het creëert een dynamiek waarin iets, zolang het maar verontwaardiging opwekt, aanvoelt als journalistiek legitiem doelwit. Het enige waaraan het doelwit moet voldoen, is dat het een reputatie heeft, want alleen dat kan door de verontwaardiging geraakt worden.

In feite is dit een ironische omkering van het lange proces dat Richard Sennett beschreef in zijn indertijd veelbesproken werk The Fall of Public Man (1974). Waar ik reputatie zeg, gebruikt Sennett het woord ‘persoonlijkheid’. In The Fall of Public Man – redelijk gedateerd, nog steeds heel fascinerend – beschrijft Sennett de lange ontwikkeling waarin de publieke man – de generaal, de politicus, de kunstenaar, de denker – plaatsmaakte voor de privé-man, ‘the private man’. Die bekleedde dezelfde openbare functies als de publieke man, maar deed dat vooral door zijn persoonlijkheid: zijn gevoel voor humor, zijn uiterlijk, zijn erotiek, zijn dramatische vermogens. Hij ventte die uit in de media.

De public man handelde in rituelen, in wetten, in uniformen, zo onpersoonlijk mogelijk, zodat het volk alleen zijn handelen zag, niet de man. De private man zet altijd zichzelf vol in het zicht, waarmee hij zijn handelen afschermt. Sennett zag hierin het gevaar dat onze leiders niet meer werden afgerekend op hun daden en prestaties, maar op hun reputatie, op hun charisma. Ze zouden met slechte beslissingen en laffe daden wegkomen, omdat we hen zulke aardige figuren vinden. ‘Personality (…) acquired an independent status of its own.’

Dit is dan de hedendaagse omkering: reputatie heeft in de journalistiek nog steeds dezelfde independent status, heb je vaak het gevoel, maar nu is die juist geen bescherming maar een bull’s eye.

Je ziet dat terugkomen in stukken waarin er weinig meer in het geding is dan de reputatie van het object. Bijvoorbeeld in een lang stuk in de NRC (juni 2019) waarin de voormalige rector magnificus van de UvA Dymph van den Boom aangaande een aantal speeches en haar proefschrift van plagiaat werd beschuldigd. Plagiaat! Altijd goed voor sensatie. Niet netjes en niet bepaald inspirerend voor al die publish or perish-academici die zich wel keurig aan de regels houden – maar in dit geval werd niemand iets ontnomen, had een bestuurder zich hooguit vlotter voorgedaan dan ze was, een misdaad zonder slachtoffers. Van den Boom was al lang rector-af, stond niet symbool voor een grotere bestuurscultuur. Het enige wat op het spel stond was haar reputatie. Dat was doelwit genoeg.

Als ik die dikke weekend­krant van de deurmat pak denk ik vaak: wiens afgehakte hoofd krijg ik vandaag opgediend?

(Ik zie nu pas dat een externe onderzoekscommissie van de UvA later dat jaar oordeelde dat Van den Booms brongebruik slordigheden bevatte, maar dat ze geen inzichten of ideeën van anderen als van haarzelf had gepresenteerd, en dus geen plagiaat had gepleegd. Zo zie je maar: de aanklacht in de krant onthoud je makkelijker dan de uiteindelijke uitkomst.)

Omgekeerd zie je ook hoezeer zo’n reputatiejacht in het luchtledige kan vallen, als de reputatie in kwestie zich er niet voor leent. Zie bijvoorbeeld het exposé over het reilen, zeilen en kwijlen van Dion Graus (‘De wereld van Dion’) van februari dit jaar, waaruit bleek dat de pvv’er zijn (ex-)vrouw min of meer dwong tot seks met zijn privé-beveiligers. Heel smerig, voor ieder ander Kamerlid een dikke vette exit. Dat deze onthulling eraan zat te komen zong in de mediawereld al weken voor publicatie rond, het was heel duidelijk vlak voor de verkiezingen gepland, de NRC verwachtte Graus snoeihard te schoffelen. Maar de tackle miste de speler. Er gebeurde niks. Geert Wilders nam Graus in bescherming, hij bleef op de kieslijst en zit nu weer in de Kamer.

Precies wat Anthony Blunt ontdekte: je moet wel eerst een goede reputatie hebben om erop gepakt te worden. Graus gold altijd al, hoe zal ik het zeggen, als de engnek achter Wilders, die er in taal en gedrag andere fatsoensnormen op nahield dan de rest van Den Haag.

Op andere momenten lijk je dan ook te kunnen zien dat een reputatie eerst nadrukkelijk wordt gemaakt – zodat hij vervolgens kan worden gebroken. Dat leek zo bij het NRC-stuk over kunstenaar Julian Andeweg, in oktober 2020. Andeweg is niet iemand voor wie je het graag opneemt: uit het stuk kwam een redelijk gruwelijk portret naar voren van een beloftevolle kunstenaar die jarenlang binnen kunstopleidingen en galerijen vrouwen en mannen had gestalkt, aangerand, verkracht, geïntimideerd en bestolen. Een halve of hele psychopaat, daar niet van, maar: wie kende Julian Andeweg?

De NRC schreef dat ze zijn naam noemden omdat hij ‘bekend in de kunstwereld [is] en in die zin een publieke status [heeft]’, maar in de NRC was zijn naam maar twee of drie keer ooit gevallen. In De Groene twee keer, in de Volkskrant vijf keer, telkens in het voorbijgaan. Je kon niet volhouden dat hij een publiek persoon was of een machthebbende factor in de kunstwereld. Hij was niet de Nederlandse Weinstein, had geen juridisch team om zich heen dat hem in bescherming nam. Geen kunstinstelling die er moeite mee had om hem te laten vallen toen dit verhaal bekend werd.

Dit op geen enkele manier ten nadele van Lucette ter Borg en Carola Houtekamer, de NRC-redacteuren die zorgvuldig journalistiek vakwerk verrichtten en talloze mensen spraken om dit stuk te kunnen schrijven. En ik ben blij dat ik nu weet dat ik mijn zusje niet bij Andeweg in de buurt moet laten komen. Maar je kreeg het gevoel dat iemands reputatie werd opgeblazen, alleen om die ballon in datzelfde stuk nog te laten knappen.

—————
Volgeling van Andrea Solario, Hoofd van Johannes de Doper, detail. 34 x 41 cm © classicartworks

Natuurlijk: niet al deze genoemde voorbeelden lopen volgens hetzelfde patroon, bevatten dezelfde soort aanklachten of hebben dezelfde maatschappelijke betekenis. Andeweg wordt bijvoorbeeld nu alsnog vervolgd door het OM – en terecht. De genoemde voorbeelden leveren alleen dat vreemde gevoel op van een omgekeerde volgorde, namelijk dat hun schandaal groter is dan de maatschappelijke betekenis die ze ooit hadden.

Dit weekend schreef Bas Heijne nog over hoezeer de val van machtige figuren een vorm van vermaak is geworden, en het ongemakkelijke gevoel dat je daarvan krijgt: ‘Wie ervan uitgaat dat na weer zo’n verhaal alleen de maatschappelijke implicaties van het schandalige gedrag besproken worden, kent zichzelf en de mens slecht. Er wordt van gesmuld, men verlustigt zich, er worden grappen over gemaakt. Er wordt genoten van iemands “val” – omdat jijzelf niet in de arena staat, maar veilig op de tribune zit, duim omhoog, duim omlaag.’

Overigens is het niet zo dat de NRC het monopolie op deze reputatiejacht heeft, en in het buitenland verschijnen dit soort stukken nog veel vaker, wel is het zo dat ik regelmatig op zaterdag die dikke weekendkrant van de deurmat pak en denk: wiens afgehakte hoofd krijg ik vandaag opgediend?

—————

Kort na dat feestje in de Watergraafsmeer heb ik ook nog een keer met Jan Six gemaild, zie ik nu als ik in mijn Outlook-geschiedenis zoek. Ik mailde hem om te zeggen dat hij eens The Untouchable zou moeten lezen, van de Ier John Banville. Sowieso goed om Banville te lezen, op een dag wint hij de Nobelprijs en kun je zeggen: o ja, tuurlijk, Banville, die van The Untouchable…

Six mailde terug om me te bedanken en me nog eens uit te nodigen om langs zijn galerie te komen, aan de Herengracht.

The Untouchable is de fictionalisering van het leven van Anthony Blunt, na zijn val. ‘Openbare schande is iets vreemds’, denkt Maskell – zoals Blunt hier heet. ‘Trillend gevoel in de buurt van je middenrif en een soort algehele gejaagdheid, alsof je bloed vlak onder je huid zwaar als kwik voortglibbert. De combinatie van opwinding en angst kweekt een bedwelmend brouwsel.’ Leven met een gebroken reputatie is alsof hij opnieuw moet leren lopen, alsof hij ‘een absurde vorm van wedergeboorte had ondergaan’.

In Jon Ronsons bestseller So You’ve Been Publicly Shamed (2015) vertellen wetenschapsjournalisten die betrapt zijn op onwaarheden en mensen die door een foute tweet hun baan hebben verloren, over de schaamte die ze hebben ervaren na het lijdend onderwerp van een Twitter-storm te zijn geweest. Precies die dingen waarvan je denkt: ze deden iets doms, maar de straf die de journalistieke media en de sociale media ze hebben gegeven is veel groter dan hun overtreding. Schaamte is maar een deel van het verhaal, vertelt een cabaretier die door de mand was gevallen nadat hij allerlei ingrijpende verhalen had verteld waarvan bleek dat hij ze helemaal niet zelf had meegemaakt. Het andere deel is dat je het verhaal van je leven kwijt bent, dat die ene fout nu voorgoed zou bepalen wie of wat je was.
Nog aangrijpender zit het in de geweldige podcast De Deventer Mediazaak van Annegriet Wietsma, die illustreert wat er gebeurt als de media een geweldig spannend verhaal op het spoor zijn, dat ze alle menselijke gevolgen uit het zicht verliezen en de betrokken mensen tot personages worden gemaakt, figuurtjes uit een potje Cluedo: De Weduwe, De Klusjesman en De Boekhouder. In de podcast vertelt de klusjesman – die zo lang door Maurice de Hond en anderen geheel ten onrechte met naam en toenaam verdacht werd gemaakt – hoe hij op een sollicitatie verschijnt ver weg van Deventer. In Deventer zelf kan hij al lang geen werk meer vinden, niet eens een biertje in het café bestellen. Hij gaat zitten, de secretaresse komt naar hem toe en zegt dat zijn sollicitatie niet doorgaat. Ze hebben hem herkend, dus helaas. Wel mag hij nog een broodje meenemen.

Jaren later weet hij het nog heel goed, vertelt hij. Dat van dat broodje. En dat hij nog zo braaf ‘dank u wel’ zei, want zo was hij nu eenmaal opgevoed.

—————

In de Engelstalige wereld zeggen ze, vrij naar het Nieuwe Testament (Mattheüs 26:52): You live by the media, you die by the media. Als je jezelf groot maakt door de media te bespelen, kijk er dan niet van op als die media zich op een dag tegen je keren. Hierop beroepen Arjen Ribbens en Pieter van Os zich in feite als ze over Jan Six schrijven: ‘Uiteindelijk tuimelde hij van de sokkel die hij voor zichzelf had opgericht.’

Ja en nee.

Die sokkel had hij zelf opgericht, door zelf het verhaal van zijn ontdekking glansrijk te verkondigen aan elk medium dat het wilde horen. Maar daar staat tegenover: elk medium wilde het ook horen. Ribbens bijvoorbeeld molk het verhaal uit tot het boter was, schreef er die week talloze stukken over. Six kwam precies op het juiste moment, had precies het juiste verhaal. Sinds het Rijksmuseum heropende, in 2013, was Rembrandt een nationaal exportproduct geworden, een merk. Geen museumdirecteur kwam zo vaak op tv als Wim Pijbes, om steeds maar weer te zeggen hoezeer het Rembrandt was die al die toeristen naar Amsterdam trok. Een nieuw gevonden Rembrandt paste dus perfect in dit verhaal. En dan ook nog een gevonden door een directe nakomeling van Jan Six, heer van Vromade en vrijheer van Wimmenum, die in 1654 door Rembrandt was vereeuwigd. Alsof deze hedendaagse Jan Six hiermee zijn geboorterecht als Six waarmaakte, bewees dat hij zijn aanwezigheid in de wereld van de oude meesters niet alleen aan zijn naam te danken had. Hij had zelf het fijne neusje. Wat een verhaal. En wat een plottwist toen Sander Bijl zich meldde.

Kortom, het was altijd een wisselwerking tussen het individu en de media. En iedereen weet: zelfs als je als individu met de beste intenties in die wisselwerking terechtkomt, is het moeilijk overeind te blijven, laat staan als je iets te verbergen hebt. Dat is ook de naïviteit van de gevallen cabaretier die in Jon Ronsons So You’ve Been Publicly Shamed zegt dat hij het vooral zo erg vindt het narratief van zijn eigen leven kwijt te zijn geraakt; als je eenmaal de publieke arena betreedt, is het nagenoeg onmogelijk dat verhaal in eigen handen te houden.

Waarom ben ik nooit langs gegaan bij Six? Volgens mij omdat Six kort daarna zo beroemd werd dat ik me niet wilde voelen alsof ik op een celebrity bandwagon sprong. Daarna werd hij berucht, en zou het als ramptoerisme aanvoelen. Maar een eerlijker antwoord is denk ik dat dat chique bordje JAN SIX FINE ART aan de Herengracht een vreemd soort klassenbewustzijn in me wakker maakte, waar ik niet helemaal raad mee wist.

Zoals Thatcher Anthony Blunt liet vallen juist omdat hij zo posh was, en zij demonstratief wilde laten zien dat ze upperclass-jongens geen hand boven het hoofd hield, zo kun je er vergif op innemen dat er nooit zoveel stukken over Jan Six waren geschreven als hij niet jonkheer Jan Six de zoveelste was. Natuurlijk is die these niet hard te maken, maar ik weet zeker dat als de rollen omgedraaid waren er nooit zoveel over deze zaak was geschreven; als niet Six van de Amstel, maar Sander Bijl uit Alkmaar de dader was.

Als Annegriet Wietsma over tien jaar een podcast maakt over ‘De Rembrandt Mediazaak’, zal dat uiteindelijk haar conclusie zijn: de hele zaak heeft nooit gedraaid om die Rembrandt, zo boeiend is dat doek niet, het is bepaald niet Rembrandts mooiste. Die tienduizend euro van die kameel is peanuts. Waar de media op afkwamen was de naam Jan Six – zijn naam is altijd het enige wat op het spel heeft gestaan.