Een wereld voorbij Facebook

Duimpje wordt vuist

De onvrede over ’s werelds grootste sociale netwerk neemt toe. Maar wat is het alternatief? Over de vraag aan welke principes het ontwerp van een nieuw sociaal netwerk moet voldoen, buigen instituten als Waag zich.

Small 68 206594
© Angel Boligan / Cagle

Jarenlang was het bedrijfsmotto ‘move fast and break things’ en geheel in de geest van die woorden is Facebook nog altijd gevestigd aan 1 Hacker Way. Maar in 2014 vond men het tijd om voor volwassen te worden aangezien en dus werden die laatste drie woorden, die inderdaad iets puberaals hadden, ingeruild voor iets wat meer klonk als het laatste station op weg naar een midlifecrisis: ‘with stable infrastructure’. De dingen trokken zich er verder weinig van aan. De dingen gingen gewoon door met breken.

En zo zat de man die van alles en iedereen te veel weet half april plots voor een gezamenlijk comité van de Amerikaanse Senaat en het Huis van Afgevaardigden. Twee dagen had Mark Zuckerberg om verantwoording af te leggen, maar vooral ook om de schade te beperken. Wat hij ooit in zijn studentenkamer was begonnen, vertelde hij, draaide allemaal om het vergroten van onze verbondenheid. Facebook is voor alles een tool (een populaire metafoor die zowel pragmatisme als neutraliteit suggereert) om in contact te blijven met de mensen van wie je houdt. Hij wist ook wel dat zulke stichtelijke woorden niet zouden volstaan. Het succes van zijn optreden zou staan of vallen met de deemoed die hij zou tonen. En dus zei hij: ‘Nepnieuws, buitenlandse inmenging, haatzaaien, ontwikkelaars- en dataprivacy: we hebben onze verantwoordelijkheid niet breed genoeg opgevat. En dat was een fout. En dat was mijn fout. En het spijt me.’

Wat er op hem werd afgevuurd liep uiteen van onvoorstelbaar naïef tot hoopgevend intelligent, maar uiteindelijk bleef wie er getuige van was achter met het vage besef dat hij zijn ondervragers te slim af was geweest. Hoe vaak had hij zijn excuses tenslotte al niet aangeboden?

John Naughton, technologiecriticus bij The Observer, sprak in de podcast Talking Politics over Facebook en het verschil tussen schandalen en crises. Een schandaal levert, nadat alle heisa weer voorbij is, hooguit een wisseling van de wacht op: nieuwe poppetjes in een ongewijzigde context. Een crisis daarentegen biedt ruimte voor structurele verandering. Facebook hobbelt al jaren van schandaal naar schandaal, zonder dat het de groei ooit werkelijk in de weg leek te zitten. Aan de storm die al twee jaar binnen het bedrijf woedt worden telkens weer nieuwe ingrediënten toegevoegd, zo bleek uit een diepgravend verslag van Wired begin dit jaar, maar het beeld van de verwarring die eruit opdoemt is op een vreemde manier coherent.

Of het nu het moment is waarop Facebook in 2015 van politieke partijdigheid wordt beschuldigd en het bedrijf er vervolgens alles aan doet om conservatieve media te paaien, of de onthullingen begin dit jaar die duidelijk maakten dat Cambridge Analytica niet alleen een dubieuze rol in verschillende verkiezingen had gespeeld, maar dat het dit had gedaan op basis van onrechtmatig verkregen gegevens: telkens lijkt er sprake van cognitieve dissonantie wanneer men wordt geconfronteerd met morele vraagstukken die schuilen in het hart van een technologie die men voor zowel neutraal als een kracht ten goede houdt. En als het dan misgaat zegt men: Facebook is niet het probleem, de mens is het probleem. En dat klinkt misschien best diepzinnig, totdat je het naast een favoriete leus van wapenliefhebbers legt: ‘Guns don’t kill people, people do.’

In een oral history in het jongste nummer van New York Magazine kijkt een handvol mensen die actief hebben meegewerkt aan het internet zoals we het nu kennen met nauwverholen afgrijzen naar het resultaat van hun arbeid. Ze ontwaken uit een techno-utopische droom in een surveillance-kapitalistische nachtmerrie. Een van hen, een aan het mit verbonden programmeur, klinkt bijna wanhopig wanneer hij wordt gevraagd naar regulering: ‘We hebben een wet nodig, fuck them – er is geen reden om ze te laten bestaan als de prijs daarvoor is dat ze alles van ons weten. Laat ze verdwijnen. Ze zijn niet belangrijk – onze mensenrechten zijn belangrijk. Geen bedrijf is zo belangrijk dat het de oprichting van een politiestaat rechtvaardigt. En een politiestaat is waar we naartoe gaan.’

Vanaf eind mei kunnen bedrijven in Europa eindelijk worden beboet voor het niet naleven van de Algemene verordening gegevensbescherming. Een belangrijk moment, zeker, maar wie hoorde hoe senator Lindsey Graham aan Zuckerberg vroeg of hij wilde meewerken aan het reguleren van de tech-industrie en zo ja of hij enkele voorstellen zou willen doen, zakte de moed toch weer in de schoenen. ‘Ik zorg dat mijn team u op de hoogte houdt’, zei Zuckerberg. Waarmee het toch even leek of het reguleren van Facebook binnen het bedrijf werd gedelegeerd.

Op een deur aan de noordzijde van de Waag, op de Amsterdamse Nieuwmarkt, hangt een briefje van de Facebook Liberation Army. Er staat een tot blauw-witte vuist geradicaliseerd like-duimpje op. Het is maandagavond en iets meer dan twee dozijn mensen hebben zich verzameld in het kantoor van Waag, het instituut dat zich al bijna een kwart eeuw buigt over vraagstukken op het snijvlak van technologie en samenleving, om onder de vrolijke vlag van een Facebook Farewell Party hardop na te denken over een wereld voorbij Zuckerberg.

‘Geen bedrijf is zo belangrijk dat het de oprichting van een politiestaat rechtvaardigt. En daar gaan we naartoe’

Een week eerder vertrok tv-presentator Arjen Lubach met veel tamtam en een onbekend aantal volgers van Facebook, maar hier ging men hem vaker voor dan achterna. Wanneer er wordt gespeculeerd over het aantal mensen dat Facebook in de afgelopen weken de rug toekeerde is de onvermijdelijke conclusie dat het vooralsnog hoe dan ook geen zoden aan de dijk zet. Als Marleen Stikker, oprichter en directeur van Waag, zich retorisch afvraagt ‘hoe effectief is dat’, zegt Geert Lovink, baas van het aan de HvA gelieerde Institute of Network Cultures, schijnbaar zonder dat hij er erg in heeft hardop: ‘Niet.’ De twee waren er vanaf het vroegste begin bij, samen met anderen richtten ze in 1993 het eerste sociale platform in Europa op: De Digitale Stad.

Stikker gaat er met gestrekt been in wanneer ze de discussie opent. De samenzweringstheorieën over de grote tech-bedrijven blijken min of meer te kloppen, maar achter de bedrijven en hun diensten zelf schuilt een veel groter verhaal over de kapitaalmarkt die de honger naar ruwe grondstoffen heeft ingewisseld voor een zoektocht naar het nieuwe goud: data en algoritmes. De vraag is vanavond of sociale media, in de ware zin des woords, in deze nieuwe wereld überhaupt mogelijk zijn.

Het gezelschap is bont. Er is een kunstenaar die ooit Facebook werd ingezogen toen hij een plek zocht om vierduizend zelfportretten te uploaden en ook een hardhorende oudere activist met een bhagwaneske baard die ‘tegen het liberalisme strijdt’ en bekent ‘weinig van computers te begrijpen’; maar verder zijn er vooral softwareontwikkelaars van het eerste uur en jonge programmeurs en onderzoekers. Een enkeling spreekt de naam van de vijand hoorbaar verbitterd uit. Het merendeel meldde zich ooit aan op Mastodon, Diaspora of Ello en koesterde kortstondig de hoop dat die stap navolging zou vinden. Maar de enige succesverhalen over ethische alternatieven gaan over de berichtendienst Signal, Gmail-concurrent ProtonMail en DuckDuckGo, de zoekmachine die anders dan Google niet voortdurend probeert tot in het diepst van je ziel te loeren. In het plan Hyves nieuw leven in te blazen, dat een week eerder even de kop opstak, gelooft niemand. Van ActivityPub, een gedecentraliseerd protocol waarvan men hoopt dat het het oude internet, ‘zonder de muren die nu overal zijn opgetrokken’ in ere kan herstellen, een netwerk waarbinnen netwerken kunnen communiceren, verwacht men het meest.

Lovink vraagt zich hardop af of je niet zou moeten proberen binnen een stad als Amsterdam iedereen op hetzelfde alternatief te krijgen, wellicht bereik je zo een kritieke massa en volgt de rest dan vanzelf. Een project in België, waar de gemeente Gent onder de naam HalloGent een eigen platform op basis van open source-technologie is gestart, wordt op de voet gevolgd. En Waag zelf is betrokken bij Decode, een Europees programma dat de basis wil leggen voor een internet waar mensen controle hebben over hun eigen data.

Lovink en Stikker lopen een lijst door van ontwerpprincipes die in de toekomst een basis voor sociale media zouden kunnen vormen. Er zou bijvoorbeeld sprake moeten zijn van ‘een open en gedecentraliseerd protocol in combinatie met een gefedereerde server-to-server API’. Het geheel zou in beheer van een coöperatie moeten worden geleid volgens de principes van open governance. Het zou moeten worden gecombineerd met een publiek (non-profit) identificatiesysteem gebaseerd op pseudo-identiteiten, om het volgen en profilen van mensen over heel het internet onmogelijk te maken. Advertenties zouden niet gepersonaliseerd moeten zijn en niet het belangrijkste financieringsmiddel moeten vormen. De algoritmes die bepalen wat een gebruiker ziet zouden niet alleen inzichtelijk moeten worden gemaakt, maar ook helder naar eigen voorkeur aan te passen moeten zijn.

En bovenal: gebruiksvriendelijkheid is een basisvoorwaarde om meer mensen te bereiken dan alleen het soort dat op bijeenkomsten als deze afkomt. Jargon is onontkoombaar wanneer je dieper op ingewikkelde zaken wil ingaan, maar Stikker is zich ervan bewust dat een groot deel van het probleem schuilt in de kloof die gaapt tussen de mensen die vertrouwd zijn met de techniek en de mensen voor wie het uiteindelijk toch allemaal een mysterieuze black box is.

Twee dagen later vertelt Stikker in dezelfde ruimte over de grotere ideeën die schuilen achter de ontwerpprincipes. Wat ze in zekere zin het allergevaarlijkst vindt is de maximale centralisatie van data die nu plaatsvindt. ‘Het gaat al lang niet meer alleen over privacy. Het hele idee van soevereiniteit is zoek. Je hebt niet alleen geen controle over je verkiezingen omdat er bad actors meespelen, je weet niet eens meer of wat je wilt is wat je zelf wilt of dat het niet meer is dan een gevolg van je filterbubbel. Of neem de algoritmes die zich in alle maatschappelijke processen nestelen. Bedrijven en overheden bespelen zo ons gedrag. En als we op alle mogelijke manieren genudged en gemanipuleerd worden, komt daarmee het hele idee van de burger als een individu dat in het rechtssysteem verantwoordelijkheid draagt op het spel te staan.’

Toch is ze hoopvol gestemd. Ze ziet de breuklijnen liggen. ‘Aan de buitenkant zie je nog vooral dat mensen denken: vervelend, het gaat niet helemaal lekker, zonder dat ze daar vervolgens consequenties aan verbinden. Maar daarachter, bijvoorbeeld in de wetenschap, zie je mensen die niet meer aan het spel willen meedoen, mensen die zich afvragen: hoe zorgen we dat we onderzoek en ontwikkeling in de commons houden, buiten het bereik van venture capital.’

De positie die de grootste tech-bedrijven inmiddels innemen, in combinatie met hun kapitaalkracht, maakt dat we volgens Stikker andere instrumenten moeten ontwikkelen om daarmee veel forser in te grijpen dan we tot nu toe ooit hebben gedaan. Maar wat uiteindelijk in haar woorden doorklinkt is de gedachte dat een bepaald besef langzaam maar zeker aan het indalen is. Het idee dat het internet als geheel en sociale netwerken in het bijzonder veel te belangrijk zijn om te blijven denken dat ze tot het private domein behoren. Het is nog altijd relatief jong gebied waar we ons in begeven, maar we zijn er niet wezenlijk anders. Net als in de rest van de wereld zijn we er voor alles tegelijk individuen en leden van een gemeenschap; eerst soevereine burgers en pas daarna, in potentie, consumenten.