Duinzicht en zaanstad

Zonder investeren in jong talent, zonder risico, zonder experiment krijg je nooit een drama- en filmcultuur van de grond. Zonder kwantiteit bovendien geen kans op kwaliteit. En kwantiteit bereik je deels door low-budgetproducties waarvan enkele ook nog de moeite waard blijken. Toch was het een verademing op de zondagavond even geen Goede daden bij daglicht, Lolamoviola of polderthriller te zien maar twee gedegen NPS-televisiefilms van Heren van Stand, Gerardjan Rijnders en Kees Hin. (Hun scenaristen trouwens dames: Joke Meillo en Elly van Dooren, naast Hugo Heynen en Leo Dekker). Twee proeven bovendien van wat samenwerking tussen toneelgroepen (hier Amsterdam en Hollandia) en televisie kan opleveren.

Duinzicht-Boven van Rijnders c.s. is in meerdere opzichten ‘klassiek’. De setting is een leefgemeenschap van bejaarden in een psychiatrische inrichting waarbinnen machtsverhoudingen, rollen en taken vastliggen. De paradox is dat ieder lid min of meer ongelukkig is - mede door het schrikbewind van een der patiënten, wier eigen ongeluk haar tot tiran maakt - maar dat de onvrijheid van de inrichting in het algemeen en de door patiënte Teun extra afgedwongen beperkingen tegelijk ook kader, houvast en betrekkelijke veiligheid bieden.
In die zin is de geestesziekte in Duinzicht-Boven niet meer dan een specifiek decor: de afdeling is metafoor voor veel meer plekken waar mensen het met elkaar moeten zien te rooien. Het armoedige Big Brother is er een extreem en geforceerd voorbeeld van. Wat Mona daarin maar kort teweegbracht (in de bak met ratjes wordt een nieuwe gegooid die aller agressie opwekt) maakt de nieuwe patiënte Hagoort op grotere schaal los, vooral als zij de strijd met Teun aangaat. Even zet zij de ramen en deuren open, wat bij haar huisgenoten tot pijnlijke spanning leidt tussen verlangen naar en angst voor vrijheid. Het eindigt in catastrofe.
Hoe 'traditioneel’ ook, het universele aan Duinzicht bevalt me meer dan het 'politieke’ statement: bezuinigingen in de zorg brengen 'begeleiding op afstand’ met zich mee met alle (hier dodelijke) risico’s van dien. Hoe betreurenswaardig dat maatschappelijk ook mag zijn, de jonge verpleegkundigen en artsen in de film krijgen daarmee een dramaturgisch te oninteressante rol als vertegenwoordigers van een falend systeem. De kracht van Duinzicht ligt in de mooie, kalme beelden van Rijnders en het acteerwerk over de hele breedte van de oude garde, van wie ik alleen Ina van Faassen noem omdat we haar zo lang niet zagen.
Filmischer is Zaanse nachten van Kees Hin, de queeste van een alcoholist op zoek naar verlossing. Je moet lef hebben dit vaker (en briljant verfilmde) verhaal te vertellen, maar verdomd, ze maken het waar - op volstrekt authentieke wijze. Die authenticiteit ligt ten dele in prachtig hinsiaans gebruik van Zaanse huizen, fabrieken, water en weiland. In de dragende rol van muziek die melancholie en licht-absurdistische toetsen aanbrengt (zuipende Henk passeert tot tweemaal toe een kwartet Russische zangers op straat - wat doen die in Zaanstad?). En in de tedere toon die lijkt te vloeken met bodemloos gezuip, levens- en contactangst en de enige verlossing die schuilt in, alweer, de dood. Alle vrouwen vallen voor Henk, de gemankeerde zachtaardige dichter. Acteur Jeroen Willems maakt dat even waar als Henks onvermogen zich tot hen of wie dan ook te verhouden. Eindelijk even geen parodie, pastiche, meta-film, maar vakkundig, zelfs poëtisch drama.