Buitenland

Duister

De Britse premier David Cameron wacht een sneue taak. Hij gaat de komende maanden proberen om zijn land in de Europese Unie te houden, terwijl hij zijn beste argument niet kan gebruiken.

Heel wat Britten zouden Cameron steunen als hij hun eerlijk vertelde waarom Groot-Brittannië eigenlijk lid is. De komende maanden zullen Cameron en zijn medestanders vertellen dat de Europese Unie goed is voor de Britse banen, de pond en de banken, dat een weekje Ibiza een stuk duurder wordt zonder EU, en dat Eden Hazard, Mesut Özil en andere Europeanen de Premier League gaan verlaten als er een ‘Brexit’ komt.

Wat Cameron de Britten níet zal vertellen, is dat hun land alleen maar lid van de EU is om zo veel mogelijk zand in de machine te strooien. Groot-Brittannië is als het ware een groot anker dat het project Europa al decennia met zich meetrekt, terwijl de ware gelovigen in de stuurhut briesen dat ze het los moeten gooien. Dat begon al in 1960, toen Groot-Brittannië zo’n beetje klaar was met het Empire aftakelen en genoeg Britse premiers door de VS waren vernederd om duidelijk te maken dat Londen een wat realistischer kijk op de wereld nodig had. Er bleek toen een in economisch opzicht succesvolle Europese Gemeenschap op het continent te liggen, waar de Britten eerst nog de neus voor hadden opgehaald.

Nog steeds had de Britse politieke elite weinig zin in een Europese Gemeenschap, maar ze had nog minder zin om toe te kijken terwijl het continent zonder Britse invloed verder koerste. Eerst begon Groot-Brittannië zijn eigen EG_-light_ met zes andere landen die eigenlijk ook niet wilden. Dat werkte natuurlijk niet, dus vroeg een eerste Britse premier, en even later een tweede, deemoedig of de Britten toch maar bij Europa mochten. Beide keren zei de Franse generaal De Gaulle met veel theater ‘nee’. Met De Gaulle’s dood lukte het in de jaren zeventig wel. Aardig detail: bij een referendum daarover stemde 67 procent van de Britten voor.

Sindsdien bestaat de hogere Britse euro-strategie eruit om de zaak zo veel mogelijk te saboteren. Een geliefd (want onzichtbaar) middel was het eindeloos traineren van elke onderhandeling en elke EU-maatregel of -richtlijn. Ook vaak ingezet: het dreigen met een ‘Brexit’ (al heeft het Britse publiek dat kennelijk serieuzer genomen dan het gros van de politieke elite nu lief is). Een andere beproefde tactiek was het steunen van EU-uitbreiding. Geen land zo gek of het kon rekenen op warme Britse steun voor zijn EU-aspiraties, locatie in Azië of Afrika geen probleem, binnenlandse puinhoop evenmin. Want uitbreiding betekent verdunning, en meer kans dat de EU verwatert of vastloopt.

En hier zijn we natuurlijk aangeland bij het EU-Associatie-verdrag met Oekraïne. De ambassade die het actiefst probeerde de Oekraïners daarvoor en voor het EU-lidmaatschap enthousiast te maken, was de Britse, terwijl de Britten zelf al met de EU onderhandelden over blijven of weggaan. En nu gaan wij dan over dat Associatieverdrag stemmen. Wat een bizar referendum. Er ligt een vraag voor waarvan de uitslag voor de Nederlanders zelf praktisch nul directe gevolgen heeft, voor de inwoners van een ander land juist veel, en wat door de belangrijkste tegenstanders wordt geframed als een referendum over de politieke klasse hier, terwijl er niet één nationale politicus met een eventueel ‘nee’ wordt afgestraft.

En dan de betekenis van de uitkomst. Dagelijks wordt de Nederlanders verteld dat het ‘alleen maar’ om een handelsverdrag gaat, maar dat de toekomst van de EU, van Oekraïne, de toorn van Poetin en dus de vrede in Europa er mogelijk van afhangen. Dat is misschien allemaal waar, en misschien ook niet – iedereen die beweert dat de gevolgen van een EU-Associatie met Oekraïne helder zijn liegt. Onder normale omstandigheden een prima idee, maar een sprong in het duister met een burgeroorlog in Oekraïne, een verscheurd Europa en grimmige relaties met Rusland.

En daarmee is het referendum het perfecte voorbeeld van wat in de speltheorie een ‘keuze onder onzekerheid’ wordt genoemd, waarbij mensen met ‘ingeperkte rationaliteit’ een keuze moeten maken waarvan ze de gevolgen niet kunnen inschatten. Misschien zou ook Mark Rutte de meeste stemmers overhalen als hij eerlijk stemadvies zou geven. Zoiets als: ‘Eigenlijk weten wij op BZ en Algemene Zaken ook niet precies hoe een Associatieverdrag uitpakt, maar er is nu al zo veel gedonder in de EU en aan de grenzen dat dit me nu even het beste lijkt.’ Ik zou overtuigd zijn.