Duister gedicht

‘The Iron Heel of Oligarchy’ van de Rus Alexander Bashirov is een bizarre verbeelding van een bizar land met een bizar heden en verleden. En Bashirov zelf is niet de minst bizarre.

Helemaal aan het einde van Alexander Bashirovs dwaze debuutfilm The Iron Heel of Oligarchy vraagt een zangeres aan de hoofdpersoon, die door de regisseur zelf wordt gespeeld: ‘Wanneer ben jij ontsnapt uit het gekkenhuis?’ Vervolgens beginnen de eindtitels te lopen en blijft de zangeres dit zinnetje herhalen in een geïmproviseerde popsong waarbij ze wordt begeleid door de Petersburgse underground rockgroep die grote delen van de geluids band van de voorgaande film al onveilig maakte. Het lijkt een terloopse toevoeging; misschien betekent het niet meer dan een ironische begroeting van een stamgast in het keldercafé waar de zangeres optreedt met de huisband. Maar misschien is het toch een sleutelzin die deze weerbarstige film enigzins zou kunnen openen, of op zijn minst het geruststellende idee zou kunnen bevestigen dat deze film helemaal niet te openen valt omdat een aantal deuren en sloten eenvoudigweg ontbreken. Voor een nauwelijks te volgen film heeft The Iron Heel heel behoorlijke kritieken gehad, maar in bijna al die recensies werd opgemerkt dat begrijpelijkheid niet zijn sterkste kant is. Als het nu zo is dat de film helemaal niet begrepen wil worden, dan is zijn warrigheid en duisterheid niet af te doen als een zwakke plek. De onnavolgbaarheid behoort tot zijn systeem, of de systeemloosheid. Tamelijk aan het begin wordt de hoofdpersoon, de Russische literatuurkenner Nikolaj Petrovitsj, via de herinneringen van zijn vriendin voorgesteld. Ze herinnert zich hoe hij ervan hield om een gedicht voor te dragen waarvan hij maar een fragment bezat en de schrijver niet kende. Zo zou je ook de film kunnen zien. Een woest en gloedvol voorgedragen gedicht waarvan delen voor altijd duister zullen blijven. De delen die wel in het licht treden zijn vaak zo bizar dat zich daaruit geen ontbrekende schakels laten reconstrueren, als die er al zouden zijn. Het bizarre wordt in de eerste plaats bepaald door Bashirov/Petrovitsj zelf. Hij is de razende nachtburgemeester van Sint-Petersburg. Te pas en te onpas draagt hij op hoge toon voor uit zijn favoriete boek The Iron Heel van Jack London, in zijn wereld een nagenoeg verboden boek. De grimmige toekomstvisie van London, waarin kapitalistische grootindustriëlen een monsterverbond hebben gesloten met een gewelddadige fascistische elite, lijkt in zijn ogen al werkelijkheid te zijn geworden. Fanatiek zet hij zich in voor de strijd om de vrijheid waarbij hij zich de wonderlijke gedaante aanmeet van een bolsjewistische agitator zoals die door de klassieke Sovjet-filmers als 0 Eisenstein, Poedovkin en Dovsjenko werd verbeeld. De trots van de Sovjet-vooruitgang is inmiddels verworden tot industriële archeologie. Op de roestige scheepswerven spreekt hij geen massa’s toe, maar een paar uitgebluste arbeiders die zwijgzaam luisteren naar zijn gebral. Het kan onze held niet ontmoedigen. Met stevige pas beent hij vanuit zijn stamkroeg naar de plaats van de toespraak en terug. Tussendoor neemt hij vrouwen mee naar zijn kamertje om ze voor te lezen uit het boek van London of om zich te buiten te gaan aan demagogische redevoeringen. Buiten zijn kamertje staan de spionnen van de oligarchie met hun oren tegen de muur geplakt en noteren ijverig ieder uitgebraakt woord. De film beweegt zich zo vaak heen en weer tussen de kroeg met zijn dreinerige avant-gardemuziek, de claustrofobische kamer van de hoofdpersoon en de desolate industriële locaties dat het vertrouwde plekken worden voor de kijker. De buitenlocaties zijn prachtig expressief gefotografeerd in de beste traditie van het klassieke constructivisme. Het staat haaks op de slome registraties van het zeurende popgroepje; ook dat zal te maken hebben met Bashirovs weigering zijn film in een sluitend systeem te vatten.