Ger Groot

Duistere liefde

Huwelijk heet het kortste verhaal in de debuutbundel Emigrantenhotel van de Argentijns-Franse schrijver Edgardo Cozarinsky (Arbeiderspers). Met net iets meer dan twee pagina’s roept het alle wrangheid op van de plotselinge dood binnen een echtpaar dat diezelfde avond zijn gouden bruiloft heeft gevierd. Bij het slapengaan ontdekt zij dat hij zojuist in bed is overleden. Tot voor enkele momenten voerden ze nog de banale conversatie waarmee langgetrouwden hun dagelijkse wederzijdse slaapwens inleiden.

Anders dan te verwachten viel, stort de vrouw niet in en legt ze de mechanisch opgenomen telefoon weer op de haak. Moe is ze, en om vier uur in de nacht brengt een sterfgeval een hotel onaangenaam in rep en roer. Ze besluit te wachten tot de ochtend en zet de wekker op half tien. Dan nestelt ze zich in de oksel van haar man, «niet eens zoveel anders», zo besluit Cozarinsky, «dan de koesterende arm die al die jaren elke avond om haar heen had gelegen.»

Niet voor niets maakt Huwelijk binnen de bundel deel uit van een korte cyclus Duistere liefdes. Maar waarin ligt die duisterheid precies? Dat de dood voor haar ogenschijnlijk niets verandert lijkt een bevestiging van de negentiende-eeuwse literaire wet die ieder huwelijksleven bij voorbaat verdacht verklaart. Groots en meeslepend wordt er in een harmonische echtverbintenis nu eenmaal zelden geleefd en voor de romantici die ook wijzelf nog zijn hoeft het dan eigenlijk al niet meer.

Als dat de duisterheid van de liefde is, dan is Cozarinsky’s verhaal de zoveelste herhaling van een literair cliché dat – gezien de mateloze populariteit van het huwelijk – in het echte leven dagelijks wordt gelogenstraft. Ook de literatuur heeft haar academisme, maar juist deze bevreemdende debuutbundel, die de bittere nostalgie niet schuwt, ontkomt daaraan. Duisterheid mag daarin dan ook niet te snel worden weggezet als een pekelzonde van onverhoeds conventionalisme.

Stel dus dat het blootgelegde huwelijk de romaneske wetten tartte en wel degelijk gezegend was: met het geluk dat de literatuur maar zo zelden weet te vatten omdat het voornamelijk in alledaags bedgebabbel huist. Stel, met andere woorden, dat haar kalme routine na een moment van schrik niet de gemakzucht verraadde waar de lezer haar van verdenkt. Dan is de onverstoorbaarheid van haar nachtrust geen teken van onverschilligheid, maar van het tegendeel daarvan, dat zich kennelijk zelfs van de dood niets hoeft aan te trekken.

Dat is te mooi voor woorden en het venijn schuilt in de slotregels van het verhaal. De koesterende arm beschermt haar niet als een voortzetting van het leven maar omdat deze altijd al op de dood vooruit gelopen had. Liefde geeft niet de geest omdat zij, zoals de romantiek zou willen, in verveling en afkeer uitdooft – maar omdat zij opgaat in een koesterende vanzelfsprekendheid. Terwijl zij er is, hoeft de ander die haar opwekt er eigenlijk niet meer te zijn. De beminde vervaagt achter de alledaagsheid waarin de liefde pas werkelijkheid wordt.

Onromantischer kan het bijna niet – en daarom beperkt de romanliteratuur zich uit arren moede veelal tot de verliefdheid, waarin de gevoelens nog heftig zijn, de ogen diepzwart en de blikken vurig in hun zien. De liefde zelf daarentegen ziet misschien helemaal niets meer – en hoeft dat ook niet. Ze is een welgekozen gelijkmoedigheid die het zich kan veroorloven oppervlakkig te zijn, omdat zij van zichzelf zeker is. Zodra die zekerheid wegvalt, slaat het verdriet toe met een heftigheid waarin de literatuur opnieuw haar kans schoon ziet.

Zo verraadt in Cozarinsky’s verhaal haar uitgestelde paniek de liefde niet, maar zet deze nog een zestal uren voort, voordat de dood officieel wordt en hij definitief afwezig zal blijven. Pas dan komen de tranen voor een gehechtheid die er, als onherroepelijk verleden, plotseling opnieuw en tegelijk niet meer blijkt te zijn.