TONEEL

Duistere polyfonie

Sarah Kane-trilogie

München - In verkeerde handen en onder foute ogen laten de regie-aanwijzingen in de verzamelde toneelstukken van Sarah Kane (1971-1999) zich lezen als het scenario voor een snuffmovie in een concentratiekamp. Op Duitse toneelplanken hebben de teksten, op het stemmenspel Crave na, dan ook nooit echt kunnen doorzetten. Misschien komt daar verandering in: Johan Simons heeft nu bij zijn Münchner Kammerspiele een avond ingericht met de drie teksten waarmee Kane afscheid van de kunst van het toneelschrijven nam en afscheid van het leven. Want dat blijft woedend door die teksten van Sarah Kane heen waaien, het leven en liefhebben als een klus die helaas niet is gelukt en die onder meer daarom uitliep op treiteren en martelen.
De volgorde van de avond lijkt onontkoombaar. Eerst het onderste uit de kan van de haat, om de potentie aan liefde van de bodem te likken, in Cleansed, wat ‘gezuiverd’ betekent, hier onder de titel Gesäubert, een spel binnen een omheinde ruimte (kliniek? laboratorium? martelkamp?), waar een personage dat Tinker heet (arts? laborant? dealer? Mengele?) zes mensen hardhandig met hun snuit in de hel duwt. Regisseur Simons lijkt te kiezen voor een wat wanhopig ogende mimografie van kinderspelletjes, waarbij hij een van zijn beste actrices, Annette Paulmann, een rode pruik heeft opgedrukt en een Mädchen-in-Uniform-pakje heeft aangetrokken, waarin zij een verwende puber speelt, zoals zelfs het Duitse jeugdtheater dat vandaag de dag niet echt meer aandurft. Ze trekt de rest mee en dat is vrij snel einde oefening, zeker als het grote-mensen-geduld (van het publiek) wordt getergd met een flauw telspelletje.
Daarna horen we de Beatles en dan volgt Crave dat zoiets is als 'hunkeren’, Gier in deze trilogie, een spel voor vier stemmen waar geen mensen meer aan te pas lijken te komen maar eerder encyclopedische turven vol verbale terreur, spreekwoordenboeken met communicatieve clichés. Je ziet en hoort in deze duistere polyfonie hoe behendig en bedreven de alleskunners van Simons’ ensemble zijn in het op de tast zoeken naar halve zinnen en gestamelde woorden. Vlak voor dit geniale kwartet is uit-ge-zing-zegd, begint het te regenen en de toneelhemel van witte lampions valt uit elkaar, zoals de onaffe liefdesretorica in de verten van een drank- en plaspauze wegsterft.
Als we terugkeren van bar en toilet is er een klein orkest, een piano en vijf strijkers en dan begint het finale gesprek met de dood, de niet-afscheidsbrief die Sarah Kane achterliet nadat ze zich in een kliniek had verhangen, 4.48 Psychose, de demon van het blauwe uur die kwelt op de klok en die nooit meer ophoudt, totdat het maatwerk is afgeleverd van de zelfmoordenaar die er uitdrukkelijk bij vertelt níet te verlangen naar de dood. Hier lopen een nuchtere 'psych’ en een verdwaasde verpleger rond in een verwisselspel van patiënt en therapeut, van de dolende en zijn folteraar, het intrigerende kat- en-muisspel tussen Thomas Schmauser en Sandra Hüller, twee geniale toneelspelers, waarbij de muziek van Carl Oesterhelt een eigen verhaal vertelt. Ik heb al jaren het idee dat ik ze ken, die mensen van Sarah Kane, en ik kom iedere keer weer geslagen en vermorzeld en razend en wanhopig uit de voorstellingen, nu weer, ik wil er eigenlijk helemaal niks mee te maken hebben en ik raak in coma, verslaafd en krankzinnig. Ze komen ermee naar Amsterdam, Simons en zijn spelers, en de voorstelling Gesäubert/Gier/4.48 Psychose komt in mei ook naar het Theatertreffen in Berlijn. We zullen er dus aan moeten geloven, of we willen of niet. Geslagen, vermorzeld, razend of wanhopig.
Hier is het laatste woord nog niet over gezegd.

De trilogie van drie stukken van Sarah Kane staat in het kader van Brandhaarden door de Münchner Kammerspiele, 20 maart 19.30 uur, Stadsschouwburg Amsterdam, www.ssba.nl