Essay: Habermas als geweten van naoorlogs Duitsland

Duits filosoof van de twintigste eeuw

Op 14 oktober krijgt Jürgen Habermas, als ‘de meest gezaghebbende Duitse filosoof van de twintigste eeuw’, de prestigieuze Vredesprijs uitgereikt op de Frankfurter Buchmesse. Hij is het filosofisch geweten van naoorlogs Duitsland en een van de meest geciteerde, in leven zijnde filosofen.

Er zijn de laatste decennia in de Bondsrepubliek weinig debatten gevoerd waar deze bijna archetypische kamergeleerde niet aan heeft deelgenomen. Wie bijvoorbeeld het register openslaat van de zojuist door het Amsterdamse Duitsland-Instituut gepubliceerde bundel Gegijzeld door het verleden: Controverses in Duitsland van de Historikerstreit tot het Sloterdijk-debat, ziet dat de naam van Jürgen Habermas keer op keer opduikt.

Het «verleden» uit de titel slaat uiteraard op de jaren 1933-1945, en het is gezien de biografie van Habermas geen wonder dat hij in de discussies over de erfenis van het Derde Rijk steeds het woord neemt. Sterker nog, niet zelden zwengelt hij het debat aan. Dat deed hij bijvoorbeeld in de inmiddels roemruchte Historikerstreit die in 1986 losbarstte nadat Habermas alarm had geslagen omdat hij in het werk van sommige historici «apologetische tendensen» ontwaarde. In Die Zeit schreef hij een artikel met de titel Eine Art Schadensabwicklung, waarin hij beweerde dat er in toenemende mate werd geprobeerd zich van de last van het zo bezwaarde verleden te ontdoen. Hoewel hij zijn felle aanval vooral richtte op enkele conservatieve historici, haalde Habermas ook uit naar het algehele politieke klimaat onder de centrum-rechtse regering van Helmuth Kohl. Steeds vaker gingen er stemmen op om een einde te maken aan wat de Schuldbesessenheit van de Duitsers werd genoemd. Duitsland moest weer «normaal» met zijn verleden omgaan, dat wil zeggen dat er ook aandacht moest komen voor het leed dat de Duitse bevolking had geleden, bijvoorbeeld door de terreurbombardementen van de geallieerden. Duitsland was niet een natie van alleen daders. Niet elk debat mocht worden gesmoord met behulp van het negatieve toverwoord «Auschwitz». Bondskanselier Kohl prees zichzelf gelukkig met «de genade van de late geboorte» en zag er geen been in om de Amerikaanse president Reagan het soldatenkerkhof van Bitburg te laten bezoeken, waar ook leden van de Waffen-SS lagen begraven.

Habermas keerde zich niet alleen tegen de provocaties van Ernst Nolte, die stelde dat «Auschwitz» niets anders was dan een reactie op de «Goelag», of tegen Andreas Hilgrubers beschrijving van de tragische ondergang van het Duitse leger aan het Oostfront. Zijn belangrijkste doelwit was de historicus Michael Stürmer, een belangrijk adviseur van Kohl. Stürmer had kort tevoren een artikel geschreven dat begon en eindigde met dezelfde zin: «In een land zonder herinnering is alles mogelijk.» Hierin had hij de stelling geponeerd dat de Bondsrepubliek juist door de fixatie op het Derde Rijk een «geschichtsloses Land» was geworden. En dat terwijl geschiedenis zo'n belangrijke rol speelt bij de Sinnstiftung van een natie, omdat het de burgers een positief oriëntatiepunt biedt.

Essentieel in Stürmers benadering was de aandacht voor de geografische positie van Duitsland. De Mittellage van het land in Europa was immers een van de factoren geweest waardoor het nazi-regime zoveel ellende had kunnen aanrichten, maar tegelijkertijd zou die geografische ligging ook in de toekomst een rol spelen. Veel conservatieven hadden, tot grote ergernis van Habermas, in 1986 de droom van een herenigd Duitsland nog steeds niet opgegeven.

Habermas wilde van dit soort «revisionisme» niets weten en wees alle geklets over Duitslands Mittellage af. De deling van Duitsland en de onvoorwaardelijke oriëntatie op het westen van de Bondsrepubliek waren een zegen geweest. Alle pogingen om tot een nieuw soort Duits nationalisme te komen waren zonder meer verwerpelijk. Hier tegenover stelde hij het Verfassungspatriotismus, een aan de grondwet gebonden patriottisme dat is gebaseerd op de universalistische waarden van de Verlichting. En hierbij was het absoluut noodzakelijk dat de misdadigheid van het Derde Rijk keer op keer werd benadrukt en er voortdurend schuld werd beleden. «Wie ‹Auschwitz› uit het collectieve geheugen wil bannen met het nepargument van Schuldbesessenheit, wil de hedendaagse Duitser een conventionele nationale identiteit opleggen en de band met het Westen verbreken.»

Hoewel talloze historici, journalisten en intellectuelen zich in de Historikerstreit stortten, en ook Habermas fel werd aangevallen, was de algemene opinie dat de man die het debat had aangezwengeld dit ook op punten had gewonnen — maar dat was nog vóór het wonderbaarlijke revolutiejaar 1989.

Volgens zijn paspoort is Jürgen Habermas geboren op 18 juni 1929. Hoewel hij altijd zeer zuinig is met het verstrekken van biografische informatie, beschouwt hij zich zelf waarschijnlijk als bijna zestien jaar jonger. De existentiële, filosofische en politieke geboortedatum van Habermas is namelijk 8 mei 1945. Op die dag capituleerde immers de Duitse Wehrmacht en hield het Derde Rijk op te bestaan. Habermas was nog geen vier toen Hitler aan de macht kwam, en over zijn kinderjaren hangt dus de bruine waas van het nationaal-socialisme. Zijn ouders, gezeten burgers in het provinciestadje Gummersbach, waren geen nazi maar verzetten zich evenmin. Zoals alle Duitse jongens werd Habermas lid van de Hitlerjugend en aan het eind van de oorlog werd hij als hospik ingezet aan het westelijke front.

De ineenstorting van het Derde Rijk en de vrijkomende informatie over de misdaden van het regime bezorgden de puber een enorme schok. «Als je in de zomer van 1945 vijftien of zestien was, en je zag de films met enorme bergen skeletten, en je zag dat die mensen nog leefden… iedereen van mijn generatie moest hier wel op reageren», verklaarde hij later in een interview. Voor Habermas betekende dit een radicale breuk met het Duitsland van voor 8 mei 1945 en een positieve keuze voor het nieuwe, gedeelde Duitsland, dat vanaf 1949 bekend stond als de Bondsrepubliek.

Habermas ontwikkelde zich niet alleen tot de meest gezaghebbende en toonaangevende filosoof van na de oorlog, maar hij bleef tevens zeer waakzaam ten opzichte van alles wat ook maar enigszins in verband kon worden gebracht met de periode van voor zijn mentale geboortedatum. Sinds de Duitse deling is opgeheven en er steeds meer stemmen opgaan om wat afstandelijker naar de jaren 1933-1945 te kijken, is de positie van Habermas als filosoof en opinion leader steeds meer onder vuur komen te liggen.

In het jaar dat de Bondsrepubliek werd opgericht, ging Habermas filosofie studeren in Göttingen. In de loop van zijn studie kwam hij erachter dat niet iedereen op 8 mei 1945 met een geheel nieuw leven was begonnen, en dat veel professoren een «bruin» verleden hadden. Het intellectuele leven van West-Duitsland werd begin jaren vijftig nog sterk gedomineerd door het Duitse idealisme, Heidegger en een conservatief cultuurpessimisme. De jonge, leergierige student zoog dit aanvankelijk allemaal op, maar in 1953 schreef hij een zeer kritische recensie waarin hij Heidegger aanviel omdat deze colleges uit 1933 ongewijzigd had laten herdrukken inclusief opmerkingen over «de innerlijke grootheid» van het nationaal-socialisme.

Habermas kwam in contact met Theodor Adorno, die samen met Max Horkheimer de leiding had over het Institut für Sozialforschung in Frankfurt en die Habermas aannam als assistent. De roemruchte Frankfurter Schule was in de jaren twintig en dertig sterk marxistisch georiënteerd geweest. Van het oude vooruitgangsgeloof was door de catastrofale gebeurtenissen na 1933 echter weinig overgebleven, zoals onder meer bleek uit de tijdens de oorlog door Horkheimer en Adorno geschreven studie Dialektik der Aufklärung.

De twee kopstukken van de Kritische Theorie, zoals ze hun school niet zonder aanmatiging noemden, was er na 1945 alles aan gelegen om het marxistische verleden onder tafel te werken en zich aan te passen aan het vrij conservatieve klimaat in de Bondsrepubliek. Volgens Habermas was de radicale traditie van het instituut opgeborgen in een doos in de kelder, en het was niet de bedoeling dat jongere medewerkers, zoals hijzelf, die zouden openen. Habermas deed dat toch, met als gevolg dat zijn Habilitationsschrift — de tweede dissertatie waarmee een Duitse academicus de bevoegdheid krijgt op een universiteit te doceren — door Horkheimer als «te links» werd afgewezen. Dit boek, Strukturwandel der Öffentlichkeit (1962), werd wel geaccepteerd door de Marburgse filosoof Wolfgang Abendroth. Hoewel Habermas, die assistent van Abendroth werd, altijd wordt gezien als laatste kopstuk van de Frankfurter Schule, is zijn verhouding tot deze stroming dus niet geheel probleemloos. In zijn German Intellectuals: Unification and National Identity noemt Jan-Werner Müller hem «de verloren zoon van de Kritische Theorie».

Habermas is niet alleen een ongewoon productief filosoof, maar ook een buitengewoon systematisch denker. Hij heeft zichzelf als taak opgedragen het project van de Kritische Theorie te voltooien en aan te tonen dat het behalve wenselijk ook mogelijk is om te komen tot een samenleving die is gebaseerd op gelijkwaardigheid en vrijheid. Hierbij gaat het niet alleen om economische macht, de klassieke marxistische opvatting, maar tevens om de rol van de communicatie. Politieke vrijheid, dat wil zeggen «echte» democratie, is alleen mogelijk als er sprake is van een zuivere, door niets verstoorde communicatie waarin machtsverhoudingen geen rol spelen.

In het kader van dit project streefde Habermas vier zaken na. Allereerst stelde hij zich tot doel zowel een «theorie van de rationaliteit» als een «theorie van het communicatieve handelen» te ontwerpen. Vervolgens wilde hij de dialectiek van maatschappelijke rationalisatie onderzoeken, om uiteindelijk tot een maatschappijbegrip te komen waarin deze zaken met elkaar zijn verbonden.

In Strukturwandel der Öffentlichkeit beschrijft Habermas hoe sinds de Verlichting de aard van het publieke debat is veranderd. Werd in de achttiende-eeuwse salons door een geletterd en bourgeois publiek op uiterst vrijmoedige wijze de regeringspolitiek besproken en bekritiseerd, sinds de opkomst van de grote bedrijven en de massademocratie wordt het publieke debat gevormd en zelfs gemanipuleerd door politieke en economische belangen. Van een vrij, belangeloos debat is steeds minder sprake. Hoewel er op het historische betoog van Habermas veel valt af te dingen, werd het boek zeer goed ontvangen, niet in de laatste plaats door de opkomende studentenbeweging. Ook voor zijn wetenschappelijke carrière was het boek van groot belang, aangezien het hem eerst een docentschap in Heidelberg opleverde, terwijl hij in 1964 Horkheimer opvolgde als hoogleraar in Frankfurt.

Voor een deel van de studentenbeweging waren de maatschappijkritische denkbeelden van Habermas een inspiratiebron. Anderen beschouwden het als abstract gelul en riepen om actie, harde actie. Dit segment van de revolterende studentenwereld joeg Habermas tegen zich in het harnas door hun «voluntarisme» en zelfs «links-fascisme» te verwijten. De schijnrevolutionaire retoriek van bijvoorbeeld Rudi Dutschke zou het establishment alleen maar in de kaart spelen. Bij een bezetting van het Institut für Sozialforschung begin 1969 werd Habermas aangevallen door revolutionaire Lederjacken. Horkheimer en Adorno konden er niet meer tegen, vooral niet nadat zij waren belaagd door studentes met ontbloot bovenlijf. Ook Habermas hield het na enige tijd voor gezien, en liet zich benoemen tot directeur van het nieuwe Max Planck Institut zur Erforschungen der Lebensbedingungen der wissenschaftlich-technischen Welt in Starnberg.

Intussen had Habermas het boek Erkenntnis und Interesse (1968) gepubliceerd. Hierin betoogde hij dat menselijke kennisverwerving geen neutraal proces is, maar bepaald wordt door een drietal fundamentele belangen. Habermas onderscheidt het technische, het praktische en het emancipatorische kennisbelang, die bepalen op welke gebied een bepaald soort kennis zinvol kan worden toegepast. Aan kennis die vanuit het technische kennisbelang is vergaard — bijvoorbeeld de resultaten van wetenschappelijk onderzoek — heb je niets als het gaat om intermenselijke communicatie. In de positivistische wetenschapsopvatting werd het technische kennisbelang volgens Habermas altijd verabsoluteerd. Voor hem is het emancipatorisch kennisbelang, dat gericht is op de bevrijding uit allerlei machts- en afhankelijkheidsverhoudingen, minstens even belangrijk.

Het maatschappijkritische karakter van Habermas’ werk sloot naadloos aan bij de revolterende Zeitgeist, maar wetenschappelijk gezien was het nog niet echt bevredigend. Habermas pretendeert immers dat de Kritische Theorie even wetenschappelijk is als de empirische wetenschappen, maar tegelijkertijd was zijn analyse in Erkenntnis und Interesse nog sterk normatief. In de jaren zeventig sloeg Habermas daarom een andere richting in en liet hij zich inspireren door de Angelsaksische taalfilosofie. Op basis van de theorie van de «taalhandeling» kon hij een argumentatietheorie formuleren die een rationele fundering bood voor zowel cognitieve als normatieve uitspraken. Dit alles werkte Habermas uit in zijn twaalfhonderd bladzijden tellende Theorie des kommunikativen Handelns, dat in 1981 verscheen en door studenten wegens omvang, moeilijkheidsgraad en omslag ook wel «het blauwe monster» wordt genoemd.

Reeds in zijn eveneens in 1968 verschenen boek Technik und Wissenschaft als «Ideologie» had Habermas het sociale handelen van mensen onderverdeeld in «instrumenteel handelen» en «communicatief handelen». Het communicatieve handelen omvat volgens Habermas alle handelingen van mensen die gericht zijn op het bereiken van onderlinge overeenstemming. Het is dus iets anders dan het instrumentele handelen, ofwel arbeid, en het staat ook haaks op wat Habermas noemt het «strategisch handelen». Dat laatste heeft weliswaar ook betrekking op contacten tussen mensen, maar daarbij gaat het niet om het bereiken van overeenstemming maar juist om het verwezenlijken van een privé-doelstelling.

Met behulp van het door J.R. Searle en J.L. Austin ontworpen concept van de «taalhandeling» probeert Habermas aan te tonen dat het communicatieve handelen een rationele interne structuur bezit. Omdat iedere taalhandeling een aanspraak op de waarheid bevat, kan degene tot wie de taalhandeling is gericht deze aanspraak bekritiseren en er een andere geldigheidsaanspraak tegenover stellen. Als dit op een open, belangeloze manier gebeurt, en geen van de sprekers overschakelt op het manipulatieve strategisch handelen, zal deze vorm van communicatie uiteindelijk leiden tot overeenstemming. En of deze consensus ratio neel is, hangt af van de vraag in hoeverre de «ideale gesprekssituatie» is gerealiseerd. Van zo'n situatie is alleen sprake als de betrokkenen in gelijke mate in staat zijn om een discussie te beginnen en een gelijke kans hebben hun argumenten naar voren te brengen en die van de ander te bekritiseren. Bovendien mogen er tussen de betrokkenen geen machtsverschillen zijn, omdat anders bepaalde argumenten weleens niet gebruikt zouden kunnen worden. Tot slot mogen de betrokkenen elkaar niet manipuleren maar dienen ze zich oprecht te uiten. Volgens Habermas viel uit dit alles af te leiden dat uit de structuur van de talige communicatie duidelijk wordt dat een machtsvrije en symmetrische verhouding tussen mensen mogelijk is.

Aangezien die ideale situatie nog allesbehalve gerealiseerd was, moest Habermas ook nog met een kritische maatschappijanalyse komen. In het uit 1973 daterende Legitimationsprobleme im Spätkapitalismus had hij de maatschappij onderverdeeld in «leefwereld» en «systeem». De leefwereld bestaat uit het culturele en institutionele domein waarin het communicatieve handelen van mensen zich afspeelt. Voor de opkomst van het kapitalisme vond de arbeid, alles wat te maken had met de materiële instandhouding van de mens, ook plaats in de leefwereld. Sindsdien is echter de arbeid verplaatst naar het systeem, dat overigens weer bestaat uit het economische en het politieke subsysteem. Hier is het handelen echter niet communicatief maar instrumenteel of strategisch van aard. Op zich zou hier wel mee te leven zijn, ware het niet dat Habermas in zijn grote boek uit 1981 stelt dat de leefwereld in toenemende mate wordt «gekoloniseerd» door het systeem, hetgeen in meer begrijpelijke taal wil zeggen dat geld en macht een steeds grotere rol zijn gaan spelen in het sociale leven van mensen. Het gevolg daarvan is dat ook in de leefwereld het communicatieve, dus open en belangeloze, handelen steeds meer wordt verdrongen door strategisch, dus manipulatief, handelen.

Al met al een nogal sombere visie, maar Habermas zag gelukkig nog enige hoop in de tegenkrachten die door het systeem zelf worden opgeroepen. Dat waren bijvoorbeeld de, in de tijd van publicatie van het «blauwe monster» zeer populaire, «nieuwe sociale bewegingen», zoals de vrouwenbeweging, milieubeweging en vredesbeweging. Burgerlijke ongehoorzaamheid vormde volgens Habermas geen bedreiging voor de democratie, maar versterkte en verlevendigde deze zelfs. Als de politiek niet openstond voor kritiek uit de samenleving, ontstond er een steeds wijder wordende kloof tussen overheid en burger en verloor de staat zijn legitimiteit. Deze these werkte Habermas uit in Faktizität und Geltung, uit 1992. Hoewel de politieke besluitvorming een zaak is van het parlement, is de legitimiteit van de politiek afhankelijk van het gehalte van het publieke debat. Hieraan dienen zo veel mogelijk mensen mee te doen, die er op een waarlijk «communicatieve» wijze met elkaar voor zouden moeten zorgen dat de politici de beste argumenten op een goudschaaltje krijgen aangeboden.

Op deze opvattingen van Habermas is nogal wat kritiek geleverd, waarbij vooral zijn ongeschokt vertrouwen in de rationaliteit van het menselijk handelen het moest ontgelden. De postmoderist Lyotard sprak in dit verband zelfs van een «totalitarisme van het verstand». Ook het bijna onnavolgbare abstractieniveau van Habermas’ geschriften is voor velen een steen des aanstoots. Dit alles neemt niet weg dat Habermas wel de consequenties heeft getrokken uit zijn pleidooi voor een open publiek debat.

De val van de Muur betekende een ingrijpende verandering in de positie van Habermas binnen het publieke debat. Kon hij ten tijde van de Historikerstreit mensen die stiekem dachten aan een herenigd Duitsland, dat in het centrum van Europa een leidende rol zou spelen, nog afdoen als onverantwoordelijke dromers, nu leek zijn nachtmerrie werkelijkheid te worden. Evenals Günther Grass zag Habermas niets in de Wiedervereinigung en hij sprak dan ook smalend van «DM-Nationalismus». Was hij in de jaren zeventig en tachtig de gezaghebbende woordvoerder van de links-liberale status quo geweest, nu werd Habermas in de verdediging gedrongen. Dit bleek duidelijk tijdens de affaire rond Botho Strauss’ essay Anschwellender Bocksgesang uit 1993 en het daarop volgende debat over «die selbstbewusste Nation». En ook in de discussies over Goldhagens boek Hitlers gewillige beulen en tijdens de controverse tussen Martin Walser en Ignaz Bubis bleken Habermas’ opvattingen niet langer volledig samen te vallen met wat de weldenkende burger werd geacht te denken. Op de universalistische pretenties van het achttiende-eeuwse Verlichtingsdenken was de Romantiek gevolgd, waarin juist de aandacht werd gevestigd op de eigenheid en authenticiteit van de verschillende culturen. In de jaren negentig van de twintigste eeuw vond in Duitsland op het links-liberale Verfassungspatriotismus een misschien pijnlijke maar noodzakelijke correctie plaats. Duitsland moest weer nadenken over zijn plaats in de wereld en kon zich niet langer verschuilen achter de nederlaag van 1945.

Dit alles betekende nog niet dat Habermas nu op slag een volstrekt irrelevante randfiguur was geworden. In de eerste plaats kwam er in 1998 eindelijk een eind aan het liberaal-conservatieve tijdperk Kohl en kreeg Duitsland een rood-groene regering. En juist in kringen van de SPD en de Grünen had Habermas veel gezag. Joschka Fischer beschouwt Habermas als zijn politieke mentor. Bovendien heeft ook Habermas zijn opvattingen aangepast aan de gewijzigde verhoudingen. Had hij zich in de jaren vijftig, tot grote ergernis van Horkheimer, nog publiekelijk uitgesproken tegen de Duitse herbewapening; ruim veertig jaar later verdedigde hij tijdens de Kosovo-oorlog de Navo-bombardementen op Servië. Waar het gaat om de keuze tussen «bes tialiteit» en «humaniteit» is het volgens Habermas niet moeilijk te kiezen. Voor veel voormalige medestanders van Habermas, en van Fischer, was die keuze minder eenvoudig, omdat de tegenstelling helemaal niet zo simpel lag.

Niet alleen op politiek gebied heeft Habermas na 1990 terrein verloren. Ook aan de poten van zijn filosofische troon wordt met veel overgave gezaagd. Uiteraard hebben vakgenoten altijd kritiek op onderdelen van zijn theorieën gehad, dat is niet anders dan normaal, maar dat hij de belangrijkste Duitse filosoof was werd door vrijwel niemand betwist.

Dat veranderde in 1999 toen in Duitsland het gekrakeel uitbrak over Peter Sloterdijks rede Regeln für den Menschenpark. In dit nauwelijks te volgen betoog had Sloterdijk het gehad over de «verduisterde jaren» na 1945, over het «telen» en «selecteren» van mensen, waarbij hij bovendien rijkelijk strooide met de namen van Heidegger en Nietzsche. Enkele journalisten sloegen alarm en nog voor Sloterdijks rede was gepubliceerd, werd de eigenzinnige filosoof beschuldigd van fascisme. In de veronderstelling dat de aanval vaak de beste verdediging is, besloot Sloterdijk een offensief tegen Habermas te beginnen. Hij kon namelijk aantonen dat een van zijn felste critici, Die Zeit-redacteur Thomas Assheuer, door Habermas was gevraagd om hem aan te pakken. Dat de oude meester dat niet zelf deed was natuurlijk niet zo fraai, zeker niet van de man voor wie het open en eerlijke, belangeloze communicatieve handelen een geloofsartikel was.

Sloterdijk had het natuurlijk kunnen laten bij het slaan van deze deuk in de integriteit van Habermas, maar hij besloot om meteen ook de Kritische Theorie dood te verklaren. «Ze was al bedlegerig, de kribbige oude dame, nu is ze van ons heengegaan.» Onder leiding van Habermas was de Frankfurter Schule een «sociaal-liberale versie van de dictatuur van de deugd», een «latent gehouden jakobinisme» geworden. Toen Duitsland nog geen normale democratie was, vervulden Habermas en de zijnen hiermee een nuttige functie. Nu na de hereniging Duitsland weer een normaal land en een normale democratie was geworden, vormde deze richting een gevaar omdat ze «zeer veel voorkomende en populaire emoties — het ressentiment en het plezier in het beter zijn — organiseert».

Door termen als «jakobinisme» en «dictatuur» te gebruiken, stelde Sloterdijk Habermas in een kwaad daglicht en draafde hij door. Toch zit er wel iets in de kritiek van Sloterdijk en anderen. Vooral de universalistische pretenties en het heilig geloof in de rationaliteit van de mens zijn slecht vol te houden. De door Habermas beoogde «theorie van de maatschappelijke totaliteit» is, in de woorden van Lolle Nauta, een «ongedekte cheque» gebleken. Als filosoof en als Duits burger die ernst maakte met de democratie heeft Habermas hoog gegrepen.

Het werk van Habermas wordt uitgegeven door Suhrkamp Verlag en is, op enkele minder belangrijke boeken na, niet in het Nederlands vertaald. Een uitstekende inleiding op het werk van Habermas is, van de hand van H. Kunneman en G.M. Munnichs, te vinden in De denkers: Een intellectuele biografie van de twintigste eeuw, 1999, Uitg. Contact.