Ger Groot

Duitse geest

De belangrijkste Europese gebeurtenis van het afgelopen jaar was ongetwijfeld het Weltmeisterschaft in Duitsland. Uit de mond van iemand die tegenover voetbal zo onverschillig staat dat hij het zelfs niet kan haten, mag dat een opmerkelijke vaststelling heten. De betekenis van de wereldkampioenschappen lag dan ook minder op het sportieve vlak dan in de feestelijke sfeer waarin het gastland er voor het eerst in meer dan een halve eeuw in slaagde van zichzelf te houden. Verdwenen leek de doem die het land over zichzelf had afgeroepen met twee wereldoorlogen, voorafgegaan door een Franse invasie in 1870. In dat jaar had Bismarcks jonge natie voor het eerst getoond een even technisch hoogontwikkelde als agressieve supermacht te willen. Die combinatie bleek militair op de korte termijn net zo succesvol als ze catastrofaal was voor de Duitse ziel. Van oudsher getekend door een goedmoedigheid die Mme de Stael gepassioneerd verdedigd had tegen het napoleontische imperialisme bleek zij zich plots te moeten bekennen tot een militarisme dat voor Pruisisch doorging. Ze schikte zich erin met de vlijt van de niet geheel overtuigde bekeerling. Driekwart eeuw later moest ze ontzet vaststellen in staat te zijn gebleken tot almaar gruwelijker misdaden op een ongekende schaal.

Het lot van de Duitser was in de tweede helft van de twintigste eeuw dan ook niet te benijden. Dat hij de erfenis meedroeg van een bijna ondelgbare schuld was in de eerste plaats voor hemzelf evident – en ook al dacht hij er niet over die te verloochenen, daaraan werd hij dagelijks herinnerd. Hij moet zich verbijsterd hebben afgevraagd wat er in hem gevaren was toen hij zich in de negentiende eeuw ontwikkelde van Europa’s achtertuintje tot de economische spil en politieke verderfsengel ervan.

De geest van Schiller en Goethe was dat in ieder geval niet en in zijn hoofd moet een pijnlijke schizofrenie ontstaan zijn. Het Duitsland van de Bildung en Gutmütigkeit bleef hem voorzweven als een soort ego-ideale waarvan hij de onschuld voorgoed verloren had. Gescheiden van zichzelf door een verleden dat hij als het zijne moest erkennen maar dat ook hijzelf had leren verafschuwen, restte hem weinig anders dan een onafgebroken wantrouwen jegens de eigen inslag. Soms oplopend tot zelfhaat, en vervolgens weer gekwetstheid omdat hij zijn eigen demonisering evenmin als rechtvaardig kon ervaren, leidde dat amalgaam tot een volksziel die haar plaats maar niet kon vinden omdat ze niet durfde geloven in wat ze was.

Een volk zou collectief van minder neurotisch kunnen worden, maar de morele discipline die Duitsland zichzelf had opgelegd werkte wonderwel. Het land ontwikkelde zich tot een voorbeeldige democratie, mondiaal tot een licht onder de naties en Europees tot de steunpilaar van het zich verenigende continent. Een halve eeuw lang trachtte het uit te wissen wat in de daaraan voorafgaande driekwart eeuw was misgegaan en de millenniumwisseling lijkt een gepaste afsluiting geweest te zijn van die periode van vagevuur. Duitslands politieke normalisering was eindelijk voltooid in een loutering van de nationale ziel.

Dat is niet alleen voor het land zelf goed nieuws. Wirtschaftswunder of inmiddels niet meer zó, Duitsland blijft als Europa’s grootste en meest centrale natie het hart van de Unie die ooit voor de breideling daarvan werd opgericht. De ambities daarvan zijn inmiddels geglobaliseerd en de Europese breidelingswens geldt nu veeleer de dominante grootmachten buiten het eigen territorium. Die roeping veronderstelt echter een geloof van het continent in zichzelf dat onmogelijk kan steunen op een aan zichzelf twijfelende natie. Wil het Europese project slagen, dan moet het zichzelf niet alleen weten te genezen van de onderlinge verdeeldheid van de nationale geesten, maar om te beginnen van het inwendige onbehagen van de grootste geest daarbinnen.

Er is op de bijna ontroerende wijze waarop Duitsland het afgelopen jaar ontdekte met zichzelf gelukkig te kunnen zijn dan ook geen fnuikender reactie mogelijk dan deze te vergallen met een voortgezet wantrouwen. Van chauvinisme heeft deze hernieuwde zelfaanvaarding niets. Veeleer ontplooide ze zich in de sfeer van een gastvrij kosmopolitisme waaraan Europa een beter voorbeeld zou nemen dan aan het Angelsaksisch liberalisme dat hem nu beweegt.

Want men vergisse zich niet. Dat juist Europa zich de afgelopen jaren steeds gehater heeft gemaakt, heeft minder van doen met grondwetten en Turkije dan met zijn ijzige sociaal-economische politiek. Wil Europa de harten en geesten van zijn inwoners werkelijk veroveren, dan zal hij moeten tonen ook zelf een hart te bezitten. Wat het afgelopen jaar in de verzoende Duitse ziel opnieuw heeft kunnen opbloeien, biedt daarvan – aan het begin van het Duitse voorzitterschap van de EU – een even hoopvol als solide voorbeeld.