Duitse spookgestalten

Een parade van anti-helden uit de ‘Nibelungen’, SS'ers en concentratiekampgevangenen, Stalin en Hitler, Brecht-weduwen, DDR-kleinburgers en een seriemoordenaar. Heiner Mullers laatste aanklacht tegen de Duitse spoken.
Vanaf september zijn de beide ensceneringen van Germania 3 Gespenster am Toten Mann weer te zien. Inlichtingen: Schauspielhaus Bochum 0049 234 3333123. Berliner Ensemble: 0049 30 2888116. De derde Duitstalige enscenering zal dit najaar in Wenen plaatsvinden, in de regie van Franz-Patrick Steckel.
NA DE DOOD VAN Heiner Muller beschreef zijn vriend Wolf Biermann in Der Spiegel een ontmoeting tussen hen, die plaatsvond in januari 1990, twee maanden na de val van de Muur, op een kerkhof in Berlijn. Muller informeerde bij Biermann of hij nog wat materiaal voor hem had: ‘Mijn hersens lopen leeg na alles wat hier in de DDR gebeurt.’ Biermann adviseerde Muller iets over Stalin te schrijven. Muller: ‘Ik probeer het. Maar ik krijg hem niet aan de praat. Hij blijft een stom personage. Er moet iets gebeuren waardoor hij eindelijk begint te praten.’ Biermann: ‘Laat hem met Hitler spreken.’ Muller: ‘Niet met Hitler. Nog niet.’

Heiner Muller had Hitler al eens sprekend opgevoerd, in de tekstcollage Germania Tod in Berlin, geschreven tussen 1956 en 1971. In de scene ‘Die heilige Familie’ (locatie: Fuhrerbunker, april 1945) brengt Goebbels een bezoek aan Hitler. De propagandaminister is hoogzwanger. Hitler zuipt - geen alcohol maar benzine. De vroedvrouw, Germania, voert een tangverlossing uit; Goebbels baart een zwarte wolfshond. Met een familiepak Sunil wordt de wolf van een schaapsvel voorzien. Hitler brult: 'Mijn Volk!’ Een compagnie soldaten schreeuwt: 'Vrijheid. Democratie. Avondland. Vrede. Eigen haard is goud waard. Liever dood dan rood. Duitsland ontwaak!’ Vroedvrouw Germania wordt afgeschoten. Het nieuwe Duitsland is geboren.
In Mullers laatste toneeltekst, Germania 3 Gespenster am Toten Mann, zit Hitler opnieuw in de Fuhrerbunker, opnieuw april 1945. In de scene 'Een jager blies eens op zijn hoorn’ brabbelt de Fuhrer voor zich uit als een demente bejaarde. Hij probeert een snor op te plakken. Hij ontbiedt een lijfwacht, vraagt om een blik benzine. En dit keer niet om uit te drinken. Lijfwacht: 'Waar gaat de reis naartoe, mein Fuhrer?’ Hitler: 'Naar het Walhalla.’ De lijfwacht huilt: 'Dat is een lange reis, mein Fuhrer.’
Spreken doen Hitler en Stalin niet met elkaar in dit stuk. Ze spreken vooral met zichzelf. Stalin staat in het Kremlin en spreekt in blanke verzen: 'Wie kan Stalin doden behalve Stalin./ Ze haten me, ze wachten op mijn dood/ en niemand waagt een woord, laf zijn ze allen./ Als ik het vonnis van mijn dood getekend heb/ Stalin is een verrader, dus dood Stalin/ Stalin beval het - dan gaan ze het ook doen/ omdat geen mens mij tegen durft te spreken./ Nachtmerries krijg ik van mijn eigen schaduw.’
IN DE WERELDPREMIERE van Germania 3 (Schauspielhaus Bochum, regie: Leander Haussmann, jaargang 1960) wordt Stalin neergezet als een melodramatische griezel, die zijn teksten deels in het Russisch spreekt, simultaan vertaald door een shakespeareaanse nar met zotskap en belletjes - een door de regie bedacht personage dat de avond aan elkaar praat en Mullers regieaanwijzingen leest. Stalin wast zijn handen in een emmer bloed, hij trekt een spoor van rode tranen over zijn gezicht, hij gaat zitten op een troon en zet zichzelf een kroon op. Stalin als Macbeth, ingelijfd in de slechtste tradities van het Duitse stadstheater. Haussmann illustreert alles waar Muller gaten liet vallen.
In de Berlijnse premiere van Germania 3 daarentegen staat Stalin eenzaam op het voortoneel, gekleed in een wit en veel te groot legeruniform. Ekkehard Schall speelt hem, de legendarische Berliner-Ensemble-acteur die in de jaren vijftig nog onder zijn schoonvader Brecht heeft gespeeld. Half afgewend van het publiek, als was hij beschaamd, eenzaam in een kil wit licht, laat hij de teksten zijn werk doen. Een in zichzelf gekeerde dictator die college geeft over zijn tijd alsof hij er zelf buiten stond. Stalin schaakt, hij speelt simultaan tegen de geschiedenis. Deze scene is karakteristiek voor het werk van regisseur Martin Wuttke (jaargang 1962), de kersverse opvolger van Heiner Muller als intendant in dit toneelhuis. Hij vermijdt theatrale opsmuk, fileert de tekst op haar oratorische kwaliteiten, kaal, bijna steriel.
In een themanummer over 'de aanklacht in de kunsten’ is Heiner Muller een tragisch Fremdkorper. Was hij al nooit zo'n aanklager, na de gebeurtenissen van november 1989 waaiden zijn woorden helemaal verlaten door de gaten die in de Muur waren geslagen. Hij was een profeet op een vervallen begraafplaats geworden. Mullers populariteit als 'orakel van Oost-Berlijn’ steeg in zijn nadagen tot in de kolommen van Bildzeitung, hij liet zich links en rechts suf interviewen en gaf zijn commentaar op de - in zijn ogen veel te snelle - Duitse Wiedervereinigung. 'Op de televisie zie ik mijn landgenoten/ Met handen en voeten hun stem uitbrengen tegen de waarheid/ Die veertig jaar lang mijn bezit was/ Welk graf beschermt me nog tegen mijn jeugd.’
Muller regisseerde Shakespeare, Wagner, Brecht en Muller. Hij werd theaterdirecteur in Brechts Berliner Ensemble, waar hij in de jaren vijftig als 'jongste bediende’ was binnengedrongen en waar hij op last van de DDR-censuur tien jaar later weer werd buitengetrapt. Aan schrijven kwam hij nauwelijks nog toe, zeker niet aan het lang beloofde werk waarin Hitler en Stalin zouden optreden. In 1992 kreeg Muller kanker. Tijdens de revalidatie na een zware operatie had hij dan eindelijk de tijd om te schrijven aan de tekstcollage Germania 3.
IN DE ZOMER van 1995 vonden in Berlijn onder leiding van de auteur de eerste werkbesprekingen plaats (geplande premiere: maart/april 1996). Tijdens de voorbereidingen schreef Muller een scene tussen een regisseur en een schrijver, beiden dronken. 'Schrijver: Ik heb een gedicht geschreven. Regisseur: (houdt kreunend de handen voor zijn oren) Kom maar op! Schrijver: Dodelijk de mensheid haar snelle vermeerdering/ Iedere geboorte een dood te weinig moord een geschenk/ aardbeving hoop voor de wereld/ iedere orkaan een verwachting hulde aan de vulkanen/ niet Jezus maar Herodes kende de wegen van de wereld/ de massamoord een investering in de toekomst/ god is geen man geen vrouw een virus/ je luistert niet naar me. Regisseur: Klopt. Waarom zou ik ook. We zijn hier in het theater.’
Het lijkt een waarschuwing van de makers aan het publiek: voor de dichter hebben we onze oren dichtgestopt, we zijn hier immers in het theater. Regisseur Leander Haussmann (overigens ex-DDR) in een interview in Der Spiegel: 'Het stuk is niet af. Het is snel geschreven, met de dood voor ogen. Het is eigenlijk een heel naief stuk, een kinderlijke wraak van Muller op Muller zelf. Historische personages worden in die wraak meegetrokken. De boodschap is simpel, als in een poppenkast: hoe zijn de politieke idealen van weleer verknoeid? Waarom? En vooral: door wie?’
Germania 3 Gespenster am Toten Mann ('dode man’ is een legeruitdrukking uit de Eerste Wereldoorlog voor wie in de voorste linies vocht) bestaat uit negen scenes. 'Parade in de nacht’ heet de opening. De communistenleider Thalmann (door de nazi’s in Buchenwald vermoord) en DDR-chef Ulbricht (die de Muur liet bouwen) zitten op de Berlijnse Muur en overzien het resultaat van hun politieke idealen. 'Thalmann: Het mausoleum van het Duitse socialisme. Hier ligt het begraven. De kransen zijn van prikkeldraad, het eresaluut wordt op de nabestaanden afgevuurd. Honden worden ingezet tegen de eigen bevolking. Dit is de rode jacht. Zo hebben we ons dat voorgesteld in Buchenwald. Ulbricht: Weet jij wat beters. Thalmann: Nee. Ulbricht: Als je je oor tegen de grond drukt kun je ze horen snurken, onze mensen. Neukcellen met centrale verwarming, het tv-scherm voor hun kop, kleine wagen voor de deur.’ Thalmann eindigt de scene met de kernvraag: Wat hebben we verkeerd gedaan?
'Ein Deutsches Requiem fur Deutschland’, schreef een krant. Mullers Duitse spoken zwerven als dwaallichten door een maanlandschap vol doden. Na de zoveelste slagveldscene (veel Stalingrad, Muller creeerde in zijn werk een brug tussen de slag bij Stalingrad (1943) en de bouw van de Berlijnse Muur (1961), die brug was zijn leven) treedt Kriemhild op, de wraakzuchtige vrouw (zeg maar de Elektra) uit het Nibelungen-epos: 'De middelen van het goede zijn uitgeput, nu is het tijd/ voor de kwaadaardige.’
HEINER MULLER was nooit zo'n goed regisseur van zijn eigen teksten. Hij vond weliswaar het woord uit voor de ideale speelstijl waarmee zijn stukken over het voetlicht konden worden getild - 'carnavalesk classicisme’ - maar daar was-ie zelf niet erg bedreven in. Tegen de beoogde regisseur van de Bochumer wereldpremiere van Germania 3, Leander Haussmann, luidde zijn enige aanwijzing: 'Mach’s leicht.’ Die aanwijzing heeft Haussmann iets te letterlijk genomen.
Neem de op een na laatste scene, 'Party 1956’. Een aantal kleinburgers uit de DDR, die in het 'reeel bestaande socialisme’ goed hebben geboerd, vieren een feestje. Er wordt veel ingenomen. Over de radio horen de feestgangers dat Chroesjtsjov in Moskou Stalins misdaden breed uitmeet. Een rechtgeaarde stalinist verhangt zich. Consternatie alom. Leander Haussmann maakt van deze scene iets wat in Duitsland langzamerhand een scheldwoord is geworden: Wende-Kabarett. Op een te krappe sofa wordt veel gelald (resultaat: onverstaanbare teksten). Schuin achter op het podium staat een bed. Een blonde jongen kleedt zich almaar uit, bespringt vervolgens een blaaspop uit de lokale pornowinkel, doet wat viriele neukoefeningen, en kleedt zich weer aan. Dit wordt eindeloos herhaald. Waarom? Een letterlijke illustratie van de 'neukcellen met centrale verwarming’ uit de openingsscene misschien?
In de Berlijnse enscenering worden de dronkenschappen hier echter niet uitgespeeld maar met terughoudende middelen getoond, in een nauwelijks bewegend tableau vivant. Een personage beweegt juist heel veel: de zoon van de burgemeester - een jongen die zich geen illusies meer maakt over het DDR-socialisme. In Bochum was dit personage uitgedost met een opzichtige bril, dikke glazen en een zwaar hoornen montuur - ha, ha, de jonge Heiner Muller! In Berlijn is hij een wanhopig joch met een verhaal: 'Zonder inferno geen paradijs/ geen hemel zonder hel/ het kapitalisme is het vagevuur/ daar groeit het geld.’
In Berlijn domineert de jonge acteur Thomas Wendrich (zonder trucs) de scene. Hij neemt ruim de tijd voor zijn teksten, waaronder het verhaal Het stadswapen van Kafka. Het gaat over de bouw van de toren van Babylon. De hoop dat die toren ooit nog eens tot in de hemel zal reiken, is voor de inwoners van Babylon belangrijker dan het bouwen zelf. Ze praten er meer over dan dat ze daadwerkelijk de handen uit de mouwen steken. Verder maken ze veel ruzie, over de bewegwijzering in de stad bijvoorbeeld. En in de cafes zingen ze liederen en vertellen ze elkaar verhalen. Met maar een thema: de droom van een reusachtige vuist die op een dag de hele stad zal verpletteren. Het stadswapen is dan ook een vuist.
In Bochum verdween die tekst tussen de cabaretnummers; in Berlijn wordt Kafka’s tekst tot metafoor voor de platgewalste DDR. Op het gezicht van de verteller ligt een angstige grijns. De anderen kijken hem alleen maar aan. Je ziet ze denken: waarom die grijns? Weet hij meer dan wij? Of moet hij alleen maar om zichzelf lachen? Veel vragen, geen antwoorden, en vooral geen cabaret. In de ogen en in de motoriek van die Berlijnse acteur Thomas Wendrich bespeurde ik iets van de ontnuchterende wanhoop waar Germania 3 over gaat.
HOEWEL HET gezelschap een optie heeft genomen op Germania 3, deelde de voorlichtingsdienst van Toneelgroep Amsterdam mij mee dat ze vooralsnog niets met het stuk van plan zijn. Dat is ook wel begrijpelijk; de stof is immers zeer Duits, de tekst lijkt me, zonder een verklarend register van begrippen en personen, voor een Nederlands publiek nauwelijks te volgen.
Een voorbeeld van dat typisch Duitse karakter. Scene zeven: 'Maatregel 1956’. We zijn in het Berliner Ensemble, in de beruchte torenkamer, het bureau van de directeur. Brecht is zojuist gestorven. Drie Brecht-'weduwen’ (de echte, Helene Weigel, en twee minnaressen) bespreken de toestand van het theater, tegen de achtergrond van het hectische jaar 1956 - de ontmaskering van Stalin, de Suez-crisis en de opstand in Hongarije. Over de intercom horen ze geluiden uit het repetitielokaal: er wordt gewerkt aan Brechts bewerking van Shakespeares Coriolanus en Het leven van Galilei. De twee regisseurs (Wekwerth, een stalinistische partijbaron, en Palitzsch, een wankelmoedige DDR-idealist) maken ruzie over de betekenis van een scene. 'Wekwerth: We spelen hier geen tijdstuk maar/ een parabel. Stalin, als je dat bedoelt/ staat aan de kant. Palitzsch: De kant waar het bloed vloeit.’ Dan wordt de zinken kist waarin Brecht begraven wenste te worden de sectiekamer binnengebracht. Helene Weigel twijfelt over het formaat. Een arbeider moet gaan proefliggen. 'Arbeider: Die stalen kist voelt goed. Zeg dichter./ Waarom verberg je je. Angst voor de wormen./ Wat maakt het uit. De wormen liegen nooit./ Zij doen hun werk als wij./ Misschien hield Brecht te veel van Brecht/ En van zijn werk. Ik werk voor geld./ Mijn lol heet weekend, bier en vrouwen./ Hier in die kist vergeet ik wat jij waard was./ Dichter, wie gaat die gaat. De dood betaalt contant.’
In Bochum wordt de scene geensceneerd als een revue. De drie Brecht-weduwen treden op met lange, aangeplakte baarden, ze bewegen quasi-gelijk. Er dwaalt een reptiel over het podium, de nar zingt de Mackie-Messerballade uit de Dreigroschenoper, een portret van Brecht zakt uit de toneeltoren, we horen hem gedichten declameren. De scene wordt door deze overdaad grondig vernield. En eigenlijk is dat de hele vier uur durende avond het geval. Wanneer er in de tekst gewag wordt gemaakt van schaduwen, zien we reusachtige schaduwen op de toneelmuur. Geweld wordt met veel geweld getoond: pistolen knallen, bijlen hakken op mensen in.
In Berlijn daarentegen is het toneel een lege kast: links wit, rechts inktzwart. De drie gesluierde Brecht-weduwen betreden verlegen het podium. Ze luisteren naar de ruzies in het repetitielokaal: 'Ze discussieren. Ja, dat hebben ze geleerd, discussieren!’ De scene met de lijkkist is droogkomisch - er wordt gespeeld wat er staat, niets meer, niets minder. Op de lachspieren werkt vooral het optreden van Fritz Marquardt als de ontwerper van de kist, de beeldend kunstenaar Cremer: 'Neemt u me niet kwalijk. Doodskisten zijn niet mijn specialiteit. Ik ben beeldhouwer, dit is mijn eerste kist. Ik ben vergeten de maat te nemen.’ Berlijn heeft ook maar krap twee uur nodig om Germania 3 op de buhne te brengen. Wuttkes regie is noch opzienbarend noch pretentieus. Ze is eigenlijk vooral dienstbaar. Een bescheiden theatrale Muller-hagiografie. Er wordt niet in zijn graf gespuwd.
AAN HET slot van Germania Tod in Berlin dook Rosa Luxemburg opeens op uit het kanaal waar ze in 1918 in was gegooid. Een oude Berlijnse vrouw, Hilse, een kankerpatiente, sprak haar toe: 'Het water heeft je niet behouden, Rosa./ Uit onze huiden maken ze nu zeep./ Maar geen zeep wast jouw bloed ooit weg.’ Germania 3 Gespenster am Toten Mann eindigt met een andere Rosa. 'Der Rosa Riese’ heet de slotscene, naar een seriemoordenaar uit Berlijn: 'Ik ben Reus Rosa, de dood van Brandenburg. Zo heet ik in de kranten. Wie ik ben weet niemand. Dat komt doordat ik met niemand praat die niet al dood is.’ Een onschuldig blond meisje zingt in Berlijn de DDR-hymne over de Sovjet-kosmonauten: 'Duister, kameraden, is het heelal, zeer duister.’ Rosa Riese trekt een plastic zak over haar hoofd. Ze stikt. Donkerslag. Doek.
Het is nog licht buiten, ondanks het sombere wolkendek boven Berlijn. In de artiestenfoyer van het Berliner Ensemble - die heet sinds kort 'Casino’ - zien we de tweede helft van de EK-finale: Duitsland tegen Tsjechie. Opnieuw een fraaie Muller-Witz: het merendeel van het publiek is hier op de hand van de Tsjechische voetballers. Voor het theater beland ik, lichtelijk aangeschoten, op een bank, tegenover het foeilelijke beeld dat Cremer (de doodskistontwerper uit de voorstelling) hier van Bertolt Brecht heeft neergezet. Een Berlijnse vriend laat me de slotregels lezen van Mullers laatste gedicht, Vampir: 'Statt Mauern stehen Spiegel um mich her/ Mein Blick sucht mein Gesicht/ Das Glas bleibt leer.’