Duitserworst en andere verhalen

Laatst was ik even in Frankrijk in het dorpje waar ik altijd met mijn ouders op vakantie was.
Na veertig jaar terug.
Alle, maar dan ook alle winkels die ik mij herinnerde waren weg.
Sterker: achter het dorp, zoals ik dat kende, was een nieuw dorp uit de grond gerezen.
Nieuwsgierig bekeek ik de oude gevels en trok zodoende de aandacht van een paar oude dorpsbewoners. Ze vertelden over de economische malaise, over de jongeren die naar de grote stad trokken, over de middenstand die uitgestorven was – het klonk als een bekende blues in – inderdaad – lege straten.
Het café was nog open dus daar gingen we naartoe.
Ik vroeg aan de oude dorpsbewoners hoe oud ze eigenlijk waren.
Mijn leeftijd!
Ik verhaalde van vroeger – en toen bleken zij gelukkig nog iedereen te kennen. Gek was dat: alles was weg, afgebroken, vernieuwd, ver-
nietigd, maar de verhalen konden beleefd worden alsof het gisteren was gebeurd. Wist ik nog van François, de oude slager die ooit een vermoorde Duitser in zijn worsten had verwerkt en die toen aan de Duitsers had geschonken? Ja, dat verhaal kende ik nog. Herinnerde ik mij nog het verhaal van Antoine, de smid, die zijn vrouw had vermoord omdat hij haar in bed had aangetroffen met haar eigen zoon? Ja, dat verhaal kende ik ook. En natuurlijk kende ik dan ook het verhaal van Monsieur Damman, de leraar, die op een gegeven moment drie meisjes van twaalf, leerlingen, had bezwangerd, en net op tijd – namelijk voor de definitieve ontdekking – naar Amerika was gevlucht.
Een van de oudere heren was schrijver. Hij had al die tijd gezwegen.
Hij stikte van de rancune, vertelden zijn mededorpsbewoners, want hij was niet beroemd geworden. ‘Klopt dat?’ vroeg ik. De schrijver knikte. ‘Heb je verhalen over dit dorp geschreven?’ vroeg ik, want ik wilde dan het boek wel hebben. Nee, dat had hij niet gedaan. Hij was namelijk meer filosoof dan auteur. Hij was 73 jaar. Nooit iets gepubliceerd.
‘En waarom bent u boos?’ vroeg ik, om het woord rancune te vermijden.
Toen brak hij los. Hij was de beste, wist hij, maar hij had nooit een kans gekregen omdat hij niet in Parijs woonde, niet in het juiste circuit zat, geen invloedrijke mensen kende en niet regelmatig op de televisie verscheen of op de radio te horen was.
Ik hoor en hoorde dat in Nederland ook regelmatig. En voor het eerst in mijn leven begon ik me af te vragen of er niet iets van waarheid in stak. Misschien was dit wel een groot filosoof; ongetwijfeld had hij ooit zijn manuscript opgestuurd naar een uitgever in Parijs, en die had het afgewezen. Misschien had die uitgever het zelfs niet gelezen.
Moet je in een circuit zitten om beroemd of gelezen te worden?
Feit is dat tamelijk veel beroemdheden slechte kwaliteit leveren. Ik kon zo een paar namen bedenken van schrijvers die ik slecht vind, maar die op een of andere manier in de ogen van het publiek genade vinden. En omgekeerd hoor ik ook wel eens dat ik slecht werk lever, maar dat men mij publiceert of leest ‘omdat je bekend bent bij radio en tv’.
De 73-jarige auteur was gaan schilderen, want hij wist dat hij dat domweg slecht deed. Hij kon het niet, zei hij. Nooit lukte het hem. Hij wilde eigenlijk alleen de kleuren van Zuid-Frankrijk op het doek zetten (Nescio, dacht ik meteen!). Hij wilde die kleuren in zijn huis. Hij verkocht wel eens een schilderij, maar liever niet. ‘Al mijn schilderijen zijn slecht. Ik kan het niet. Maar ik moet schilderen, die kleuren…’
‘U bent misschien een schilder en geen schrijver of filosoof’, zei ik toen.
Toen liep hij weg.
‘Nu heb je hem heel erg beledigd’, zeiden de dorpsbewoners lachend.