FILM

Duivel in het bloed

Fish Tank en White Lightnin’

Twee dansjes, twee films, dezelfde nachtmerrie: een chaotisch leven waarin waanzin en creativiteit, haat en liefde, twee kanten van dezelfde munt zijn. In Fish Tank van Andrea Arnold danst de vijftienjarige Essex girl Mia (Katie Jarvis) een hiphopdansje met haar moeder en zusje, maar plezier is ver te zoeken.

In White Lightnin’ van Dominic Murphy flitsen de voeten van de dancin’ outlaw Jesco White ergens in een hellegat, een kroeg in West-Virginia, maar in zijn hoofd hunkert hij naar drugs, moord en wraak, het liefst in deze volgorde. Twee dansjes, één paradox: de lyrische beweging van het lichaam verdoezelt de verrotting van de geest. En de vraag is: is ontsnapping, verlossing, mogelijk?
Het begin van White Lightnin’ treft je als een mokerslag; de eerste vijftien minuten zijn wonderschoon: Jesco White als jongetje van zeven, verslaafd aan de benzine, lijm of wat dan ook, zoals de verteller uitlegt: ‘huffin’ tha good ole gasoline reaaaaaaal ghud!’ In sneltreinvaart zien we hoe het bergafwaarts gaat met Jesco, ondanks de inspanningen van zijn gelovige vader, D-Ray White, beroemdste mountain dancer (mountain dancing is een soort tapdansen op de maat van folk) van de Appalachen. De ene geweldige scène, gedraaid in kleurloze, net-niet-zwartwit beelden, volgt de andere op. Prachtig is de scène waarin Jesco’tje tussen een groep bikers belandt, en hij zijn eerste spuitje krijgt, binnen seconden stoned raakt, achter het stuur van een pick-uptruck kruipt en door de modder scheurt, totaal van de wereld, de duivel alweer in zijn bloed, zoals hij het stelt.
Als Jesco volwassen is krijgt de film een ander, nóg zwarter karakter. Thema’s als wraak en zelfvernietiging en de onafwendbaarheid van het steeds terugkerende verleden geven White Lightnin’ een gelaagdheid, maar maken het werk ook door en door depressief. Deze Jesco White heeft anders dan de echte Jesco White weinig gevoel voor humor. De echte Jesco zegt in YouTube-fragmenten dingen als: ‘Ah don’t even do cohaicaine. Ah drank wheeskey aind beer aind ah smoke a lil’ beet.’ De ondertoon van zwarte humor bij de echte Jesco doet meer denken aan de Jesco van het eerste half uur, die ik eigenlijk later in de film steeds meer miste.
Anders dan Jesco White, die alleen maar in één richting beweegt, en dat is naar de hel, maakt het hoofdpersonage in Fish Tank – Mia, die met haar moeder en zusje ergens in een flatgebouw voor armen woont – wel degelijk een groei door, zodat verlossing mogelijk is. Mia, die van streetdance en hiphop houdt, raakt verliefd op Connor, jonge minnaar van haar moeder die het toonbeeld is van de blonde Essex girl (domme, alcoholistische vrouw die veel uitgaat).
In een sleutelscène maakt het ‘gezin’ een uitje. In een meertje naast de snelweg leert Connor Mia hoe je een vis met blote handen kunt vangen. Daarna doorboort Connor de vis met een stok, van bek tot staart, en zegt: ‘Dat is de beste manier.’ De vis wordt een dubbelsymbool, een metafoor voor het uitzichtloze leven op de estates van het moderne Engeland, maar ook voor het einde van adolescentie als levensfase.

En dan. Het dansje. Wat de film maakt, is dat hier, net als in White Lightnin’, een directe link ontstaat tussen dans, muziek en thema. Ja, het leven is duister als de nacht, vol haat en waanzin, deprimerend tot op het bot – en dat valt zeker af te lezen aan de anonieme stijl van dansen – en toch is er ergens schoonheid, lyriek van lichaam en geest, en kun je wel degelijk breken met het alles verzengende verleden. Maar alleen als er geen duivel in je bloed zit. Als de duivel in je bloed zit, ben er geweest.

Fish Tank is te zien vanaf 22 oktober; White Lightnin’ ging op 15 oktober in première