Duivels

Als ik God al zou zoeken, dan toch zeker niet in film. Film is veelvuldig het instrument van de duivel genoemd, waar men in ieder geval mee wilde zeggen dat het niet saai is. Film een zwarte en duivelse kunst noemen is een compliment en dat moet dus vooral zo blijven.

Er zijn professionele godzoekers die daar anders over denken. Die zoeken en vinden God in de meest heidense films. Dat lijkt niet iedereen gegeven, maar je schijnt het vinden van God in film te kunnen leren. Leermeesters in dit mystieke ambacht hebben hun gaven in dienst gesteld van de Katholieke Filmactie Nederland onder de slogan ‘Zin in film’. En het is voor de katholieke filmactivisten uiteraard God die de zin in film vormgeeft, al zullen ze dat zelf niet zo omschrijven. Liever spreken ze van belangrijke, zinvolle en levensbeschouwelijke verdieping en een heel enkele keer van religieuze ervaring.
De Filmactie is niet van gisteren. Het zijn geen belegen kluizenaars die schrijven over oude bijbelse drama’s. Ze zwaaien niet met bijbelcitaten maar met Wittgenstein en Nietzsche. Ze schrijven over de films die hoog scoren in de recente enquetelijsten - als The Piano van Jane Campion - en die door hen worden omschreven als zinvolle films. En in het aan filmpublikaties zo schrale Nederland brengen ze vanuit Kampen pardoes vijf filmboekjes op de markt.
De manier om God in film te vinden schijnt het filmgesprek te zijn. Meester-zoeker Tjeu van den Berk schreef er voor de Filmactie een speciaal boekje over. Hieruit blijkt dat de gevallen engel onder de psychoanalytici Carl Gustav Jung de grote ziener en profeet is die Van den Berk het model leverde voor zijn theorie van het filmgesprek. Dat over Jung veel te zeggen valt maar niet dat hij een bijzonder licht op film heeft laten schijnen, blijkt geen belemmering. Wat Jung over bijvoorbeeld dromen naar voren heeft gebracht, is kennelijk zonder veel problemen ook toepasbaar op de produkten van de droomfabriek. Wie Jung zegt, zegt symbolen, en die schijnen zich in films volop voor te doen. De kijker ziet ze, maar beseft het nog niet.
Voor dat besef is het filmgesprek nodig. Voordat het filmgesprek goed wil lukken, moet eerst de bewustzijnsdrempel worden verlaagd. Hoe dat precies moet, is mij niet helemaal duidelijk en helaas zal het waarlijk zinvolle in film zich aan mij voorlopig nog niet openbaren. Van den Berg heeft het over het laten vloeien van energie en hij citeert de heilige Theresia, die zei dat je gewoon moet kijken en geen grootse of ernstige overwegingen in je denken moest opnemen. Verstand op nul en lekker onderuit kijken. Dan roep je spontaan wat je trof in een film. Die vondst vergroot je door er flink op door te associeren. Vrij naar Carl Gustav heet dat 'amplificatie’ en in gewoon Nederlands heet het overdrijven. Overdrijven en boven laten drijven en dat alles groepsgewijs.
Van den Berk benadrukt dat je je niet te druk moet maken over het goed of fout zijn van de associaties. De onverschilligheid ten opzichte van film neemt hier groteske vormen aan. Het filmgesprek is evident een middel om het over alles behalve film te hebben. En bij het gebruik van dat middel lijkt alles geoorloofd. De grootste onzin mag over films worden beweerd, want het zijn toch niet de films waar het om gaat.
Zo beweert Van den Berk dat de Amerikaanse wildernis in Paris, Texas van Wim Wenders onmiskenbaar vrouwelijke trekken heeft. De zin van zo'n bewering is mij een raadsel. Het landschap in Wenders’ afrekening met Amerika is het mythische landschap van de western. Het ongenaakbare decor waar de helden van John Ford hun avonturen beleefden. De onbegrensde verte en het toneel waar God noch gebod werd erkend. Onmiskenbaar mannelijk zou je even goed, of even slecht, kunnen zeggen. Ongestraft kolder verkopen lijkt mij de essentie van het filmgesprek.