Media

Duivels dilemma

Anders Breivik kreeg wat hij zocht: aandacht van de hele wereld. Direct na zijn arrestatie verklaarde hij dat hij verantwoordelijk gesteld mocht worden voor het geweld, maar dat hij zich in morele zin niet schuldig achtte. Hij had gedaan wat noodzakelijk was, door zijn landgenoten en de hele christelijke wereld op een niet te negeren manier duidelijk te maken welke gevaren hen bedreigen.

Zijn daad was bedoeld als aanzet voor een revolutie, gericht op het omverwerpen van de politieke en sociale structuren die hij verantwoordelijk achtte voor het verval van het Westen en de dreigende islamisering in het bijzonder.
Net als de politiek hadden ook de media zich in de ogen van Breivik doof en blind gehouden voor de ‘massale’ emigratie van moslims, die hij zag als de voortzetting van een eeuwige veroveringsoorlog, slechts onderbroken door de nederlaag van de Turken bij Wenen in 1683. Om die reden had hij een aanslag overwogen op de top van de Noorse journalistiek, tijdens hun jaarlijkse conferentie, zo bekende hij in zijn manifest 2083: Een Europese verklaring van onafhankelijkheid. Ook met dat omvangrijke politieke testament streefde hij naar maximale publiciteit: mocht hij de aanslagen fysiek niet overleven, dan zouden de media alsnog zijn gedwongen zijn ideeën te vermenigvuldigen.
Terreur als propaganda, een dader die zich als martelaar, maar bovenal als profeet afficheert. Het is de ironie van de geschiedenis dat bijna tien jaar na 9/11 Osama bin Laden in Anders Breivik een westerse evenknie lijkt te hebben gevonden - levend in een vergelijkbaar mentaal universum, bevolkt door kruisridders en jihadisten, strijdend om de wereldmacht. Maar terwijl Bin Laden voor de verbreiding van zijn gedachtegoed was aangewezen op schimmige videotapes en zich nooit publiekelijk voor een rechtbank heeft hoeven - of mogen - verantwoorden, zo lijkt het feest voor Breivik nog lang niet afgelopen. Niet alleen leeft hij nog, hij zal zijn proces bovendien willen benutten om zijn opvattingen nog eens gloedvol uiteen te zetten - in uniform, als het aan hem ligt.
Het risico dat Breivik de rechtszaal zal gebruiken als een podium voor politiek theater, creëert een duivels dilemma: vasthouden aan het principe van democratische openheid, met voornoemd risico, of een proces achter gesloten deuren. De Amerikanen losten dit soort kwesties eenvoudig op door terrorisme te definiëren in termen van oorlog en staatsveiligheid, waarmee het een militaire aangelegenheid werd. De Noren lijken deze weg niet te willen bewandelen, zo min als een besloten behandeling op grond van ontoerekeningsvatbaarheid op psychologische gronden - een oplossing die velen ongetwijfeld graag hadden gezien. De voorstelling van een terrorist als een gek, een psychopaat of Don Quichot in wiens brein fantasie en werkelijkheid dooreen lopen is en blijft angstaanjagend, maar vormt tegelijk een effectieve uitsluitingsstrategie. Niet voor niets heeft radicaal rechts zich precies in dit soort termen van dit nare spook op haar schouders proberen te ontdoen, afgezien van enkele politici van de Lega Norte en het Front National, die openlijk hun sympathie voor bepaalde passages uit Breiviks manifest uitspraken.
Het is te hopen dat het besluit van de Noorse rechter om de eerste voorgeleiding achter gesloten deuren te doen plaatsvinden inderdaad eenmalig is. Zowel de Amerikaanse afhandeling van de terreurprocessen als de bovengeschetste reflex om de Noorse kruisvaarder als een gestoorde eenling neer te zetten, maakt duidelijk welke negatieve effecten een behandeling in besloten zitting zou kunnen hebben. Niet alleen wordt de rechtsgang oncontroleerbaar, bovendien ontstaat gemakkelijk een stemming waarin mythen en martelaren kunnen gedijen.
Nog belangrijker is echter dat een openbare behandeling noodzakelijk is om Breiviks denkwereld, met alle kronkels en schemergebieden die daarin besloten liggen, bloot te leggen. Niet alleen om radicaal rechts een spiegel voor te houden, maar ons allemaal. Zijn manifest alleen al bevat immers talloze elementen die sinds een jaar of vijftien in veel bredere kring ingang hebben gevonden. Een kleine greep: essentialistische noties van een 'eigen’ nationale cultuur die gesteld worden boven principes van politiek burgerschap; het koketteren met sterke leiders; systematische verdachtmakingen aan het adres van 'kosmopolitische elites’, 'cultuurmarxisten’ en 'multiculturalisten’; een vorm van superioriteitsdenken die zich beroept op de - politiek volstrekt nieuwe - 'joods-christelijke traditie’ - een gotspe voor wie aan Auschwitz denkt. Deze mentale wereld, die zich misschien nog het beste laat betitelen als een vorm van neo-volksnationalisme, reikt waarachtig verder dan de politieke bewegingen die doorgaans worden aangeduid met de ongelukkige term 'rechts populisme’.
Alleen al om de huidige politieke wereld de maat te nemen mag een democratische rechtsstaat deze confrontatie niet uit de weg gaan - bij voorkeur geschiedt de confrontatie onder het oog van lopende camera’s.