BETOOG: Het Westen kan niet toegeven aan intolerante drijverij van moslimzijde

Duivels dilemma

De intolerante drijverij van moslimzijde waarmee het Westen naar aanleiding van de Deense cartoons wordt geconfronteerd is een veldtocht van achterblijvers en verliezers die op zichzelf onze sympathie verdienen. Toch kunnen we niet aan deze drijverij toegeven.

De cartoonaffaire dwingt ons om ons opnieuw te bezinnen op de betekenis van de vrijheid van meningsuiting. In de commentaren op de losgebarsten hysterie overheersen noties zoals «een satirische benadering van religie is nu eenmaal een Nederlandse traditie» en «wie het niet bevalt kan altijd naar de rechter stappen». Ik bespeur een defensieve toon. Is het mogelijk dat we heimelijk vermoeden dat de heethoofden toch een beetje gelijk hebben? Natuurlijk is het onaanvaardbaar dat het vrije woord onder druk komt te staan door economische boycots en dreiging met geweld. Maar waar zijn die kwetsende cartoons eigenlijk goed voor? Een beetje meer respect kan toch geen kwaad?

Wie oproept de eer en waardigheid van de islam te verdedigen door geweld en eigenrichting plaatst zich buiten de rechtstatelijke gedachte en praktijk. Maar men zou kunnen stellen dat de gekwetsten toch redeneren in de geest van de wetgeving van de EU-staten. Artikel 137 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht maakt het zich uitlaten op een wijze die beledigend is voor een groep mensen op grond van hun godsdienst strafbaar. Het is uiteraard aan de rechter dit te interpreteren, maar de grondgedachte is duidelijk genoeg. Als miljoenen moslims zich ten diepste gegriefd voelen door de cartoons, waarom dan geen bestraffing van de tekenaars? Tony Blair was met zijn voorstel om zeven jaar te stellen op smadelijke uitlatingen een goed eind op weg.

De gebeurtenissen van de laatste weken hebben mij gesterkt in de gedachte dat de vrijheid van meningsuiting niet te ruim is geformuleerd maar juist te beperkt. In het debat over deze vrijheid draait het uiteindelijk om de vraag van de rechtvaardigingsgrond ervan. Persoonlijk zie ik haar in de eerste plaats als een waarde op zichzelf. Ik besef echter dat dit pragmatisch ingestelden niet aanspreekt. Mogelijk overtuigender is dat de vrijheid van meningsuiting een voorwaarde vormt voor het functioneren van de democratie. Democratie is gebaseerd op vrije meningsvorming van de burgers, zonder welke politieke keuzen tot een farce worden. Welnu, indien de meningsuiting wordt beperkt, dan wordt ook de meningsvorming, gevoed als deze is door kennisname van de visie van anderen, beperkt. Beperking van de vrije meningsuiting betekent een beperking van onze oordeelsvorming. Daarmee zou de vloer onder het democratische besluitvormingsproces worden weggezaagd. Vergeleken hiermee verbleekt mijns inziens het belang van het vrijwaren van burgers voor belediging of kwetsing. Dat bevolkings groepen zich aangetast voelen, wanneer dat wat hun heilig is wordt aangevallen of geridiculiseerd, is te betreuren. Maar het is onvoldoende grond om van zulke aanvallen af te zien of tot bestraffing ervan over te gaan.

Het begrip «respect» begint het maatschappelijk debat inmiddels flink te verzieken. Het lijkt een synoniem voor tirannie te worden. Religies moeten worden gerespecteerd. Waarom eigenlijk? Respect verwijst volgens het woordenboek naar «eerbied, hetzij in een gezagsverhouding, hetzij als uiting van een gevoel van hoogachting of waardering op grond van prestatie of zedelijke kwaliteit». De vraag dringt zich op of religies er bij voorbaat aanspraak op kunnen maken gewaardeerd en hooggeacht te worden. Het lijkt mij eerlijk gezegd een te brutale eis. Religies als de islam en het christendom bevatten ongetwijfeld veel waardevols, maar ook veel dat naar hedendaagse normen beschamend en betreurenswaardig is, patriarchale en autoritaire waarden die in plaats van te worden gerespecteerd beter aan de kaak kunnen worden gesteld.

Ik kan niet in het hoofd van de Deense tekenaar kijken, maar in de cartoon van de bom-Mohammed lees ik de gedachte dat de islamitische leer en het persoonlijke voorbeeld van Mohammed medeverantwoordelijk zijn voor de hedendaagse gewelddadigheden van islamitische zijde. Daar is veel voor en veel tegen te zeggen. Mohammed was geen Jezus of Boeddha. Hij was een krijgsheer die oorlog voerde om zijn islam tot de dominante macht in Arabië te maken. Van één van de joodse stammen in Medina die zich niet aan zijn zijde schaarde, liet hij na de strijd alle mannen ter dood brengen. Dichters die hem bespotten werden met zijn instemming vermoord. Gegevens die in elke biografie van de profeet terug te vinden zijn. Anderzijds bediende hij zich niet van het wapen van ongerichte terreur tegen burgers om angst te zaaien. Zelfmoordenaars waren hij en zijn volgelingen allerminst. De leer van de koran bevat onmiskenbaar gewelddadige en zelfs oorlogszuchtige elementen, maar daarnaast ook voorschriften die deze ruwe kant temperen, en geboden van vredelievende aard.

Op de cartoons lijkt mij verder weinig aan te merken. Het is legitiem om een kritische mening door een satirische, choquerende vorm kracht bij te zetten. Te worden bespot is het onvermijdelijke lot van iedere charismatische leider die zich als goddelijk, als sprekend namens God of namens de geschiedenis, als heilig of als van ongewone verdienste presenteert. Buitensporige pretenties roepen de neiging op deze aan de kaak te stellen. Satires op religieuze leiders zijn op hun plaats omdat ze de «slachtoffers» ervan op hun plaats zetten.

Ik zie geen reden om gelovigen als kinderen te behandelen door hen te ontzien en over hun overtuigingen slechts in omfloerste termen te spreken. Het lijkt mij voldoende de ander als mens te respecteren, als wezen begiftigd met de rede, met keuzevrijheid en het vermogen te lijden. Als het gaat om de opvattingen van de ander, dan is tolerantie wel genoeg. Respect bij voorbaat is te veel gevraagd.

Maar hoe moet het nu verder? Het is een duivels dilemma. We hebben te maken met een groep mensen die, in meerderheid althans, zowel in Nederland als wereldwijd, in het proces van modernisering en globalisering aan de kant terecht zijn gekomen waar de klappen vallen. Ze zijn in verwarring op zoek naar een uitweg omhoog en velen kiezen voor een steeds fanatiekere vorm van islam. Een keuze die niemand profijt brengt en die, als het niet zo paternalistisch was, eerder deernis dan woede zou wekken. De intolerante drijverij waarmee wij worden geconfronteerd is geen veldtocht van machtigen en winnaars, maar van achterblijvers en verliezers die op zichzelf onze sympathie verdienen. Toch kunnen we niet aan deze drijverij toegeven. Ik zie geen andere mogelijkheid dan voet bij stuk te houden. We kunnen als samenleving niet besluiten tweehonderd jaar terug te gaan en een nieuwe religieuze dwingelandij te aanvaarden, met een clerus en een opgehitste meute die bepalen wat wel en niet kan.

Om de gemoederen tot bedaren te brengen, is het wellicht nuttig om aan islamitische medeburgers met meer nadruk duidelijk te maken dat zij zich vergissen als zij denken dat de islam in het bijzonder voorwerp van kritiek of spot is. Dit is het lot van elk geloof en elke wereldbeschouwing in een democratisch land als Nederland.

De katholieken moeten slikken dat het pauselijke beleid tegen voorbehoedmiddelen als misdadig wordt afgeschilderd. Joden moeten het aanhoren dat hun god een gewelddadige, wraakzuchtige gestalte is die zeer ongunstig afsteekt bij de liefdesgod van het Nieuwe Testament. In de boekwinkel liggen de werken van Friedrich Nietzsche die diezelfde liefdesgod als een miserabele lafaard en een pleitbezorger van de zwakken afschilderen. De ongelovigen moeten tandenknarsend vernemen dat zij met hun afzweren van God onvermijdelijk ook alle moraal hebben prijsgegeven. De marxisten wordt verweten dat hun gedachte verantwoordelijk is voor dictatuur en massamoord. De liberalen wordt door antiglobalisten voor de voeten geworpen dat zij met hun praatjes over vrijheid al twee eeuwen lang de halve wereldbevolking in armoede en ellende storten. Belediging op belediging, maar er kraait geen haan naar.

Voor de goede verstandhouding is het daarnaast cruciaal dat ook het islamitische volksdeel zijn meningen zonder terughoudendheid kan uiten. Dat is thans niet zonder meer het geval. Extremistische moslims vragen zich af waarom het zo met het vrije woord begane Westen schande spreekt van Ahmadinejad die de holocaust ontkende. «Waarom mag dat dan niet worden gezegd?» Voorzover het om de strekking van de opmerkingen van de Iraanse president gaat, gaat de vergelijking met de cartoons mank. Maar wie wijst op de strafbaarstelling van de ontkenning van de holocaust heeft wel een punt. In Duitsland kan men zelfs voor jaren achter de tralies verdwijnen, op grond van een wet die ironisch genoeg eerder in Iran dan in Duitsland thuishoort.

Bedreiging van «onzedig» geklede vrouwen en homoseksuele leraren is onaanvaardbaar en dient bij wet te worden bestraft. Maar de opvatting dat de man boven de vrouw is gesteld, en dat homoseksualiteit een ziekte en een misdaad is, moet vrijelijk kunnen worden geuit. De stelling dat de westerse samenleving tot op het bot verdorven is en dat alleen de sharia de oplossing brengt moet ongehinderd van de kansels kunnen klinken. Zolang het niet om bedreiging of (effectieve) ophitsing tot geweld gaat, mag de «radicale islam» vrij het woord voeren. In die zin hebben ontevreden moslims gelijk: het kan niet van één kant komen.

Voor de huidige problematische relatie tussen islamitische en niet-islamitische burgers van Nederland lijken zich maar twee mogelijke oplossingen aan te dienen. Om kwetsing te voorkomen zou men beide kanten het zwijgen kunnen opleggen. Ik zie dan een gesegregeerde samenleving ontstaan, twee in zichzelf besloten, rancuneuze gemeenschappen die elkaar de waarheid niet meer kunnen zeggen, een kruitvat dat op ontploffing wacht. Het liberale model is verre te verkiezen: ieder behoudt het vrije woord, accepteert kwetsing als betreurenswaardig maar onvermijdelijk gevolg daarvan, maar is daarvoor ook zelf in staat zijn diep gekoesterde opvattingen kenbaar te maken die de ander helaas als beledigend moet ervaren. De nieuwe gemeenschapszin waarnaar we zo naarstig zoeken zal of in de vrijheid zijn geworteld of gedoemd zijn nooit gevonden te worden.