Film ‘Gimme shelter’

Duivels en engelen

Het concert van de Rolling Stones in Altamont betekende de ondergang van de hippiedroom, het definitieve einde van de jaren zestig. In de film ‘Gimme Shelter’ legden de gebroeders Maysles de chaos en hulpeloosheid vast van een band omringd door trappende wildemannen, met al climax een moord die niet wordt gezien.

Mick Jagger wilde óók een film. Zegt men. In augustus had Woodstock plaatsgevonden, maar de Stones waren het feest misgelopen. En dus ook de spectaculaire film die ervan werd gemaakt.

Het jaar 1969 was toch al zeer bewogen voor de Rolling Stones. Oprichter/gitarist Brian Jones stierf, de muzikale leiders werden geplaagd door rechtszaken wegens drugsgebruik en op de hielen gezeten door de Engelse belastingdienst. Jagger probeerde filmster te worden, Keith Richards kreeg een kind en de band vond een nieuwe gitarist in de jonge virtuoos Mick Taylor. De Stones waren al in geen jaren meer op tournee geweest, maar nu was er een Amerikaanse tour op komst.

En Jagger was jaloers op The Who, zegt men. Want de Engelse concurrent had in Woodstock de show gestolen. En de band van Pete Townshend had al eens een Stones-feestje versjteerd, door beter te spelen dan de gastheren. (Tenminste, dat dachten ze destijds en daarom werd The Rolling Stones — Rock and Roll Circus uit 1968 pas tientallen jaren later uitgebracht.)

Dus toen de vernieuwde Rolling Stones in oktober in de Verenigde Staten arriveerden voor hun herfsttournee, huurde Jagger een Amerikaans filmteam om een exclusieve registratie te maken. Op één voorwaarde: dat deze eerder in de bioscoop zou komen dan de film van Woodstock, waar een toen nog onbekende Martin Scorsese druk aan zat te monteren. Jagger benaderde de gebroeders Albert en David Maysles, ervaren documentaire-filmmakers uit de Amerikaanse school van de direct cinema. Hij kon op dat moment niet weten dat «zijn» film even klassiek zou worden als Woodstock, maar om andere redenen.

Want Gimme Shelter werd de film over Altamont, waarschijnlijk het beruchtste popconcert aller tijden.

Maar eerst zijn er schitterende concerten in een volgepakt Madison Square Garden, waarvan de muziek én de zinnetjes tussendoor beroemd zijn geworden door de lp Get Yer Yaya’s Out. «Paint it black, you devils!» roept een vrouw dreinend. En Jagger constateert nuffig dat er een knoop van zijn gulp is gesprongen. «Jullie willen toch niet dat m'n broek afzakt, of wel soms?» tart hij het publiek. De band is vreselijk op dreef in nummers die inmiddels allemaal tot de hoogtepunten uit het Stones-oeuvre worden gerekend, van Sympathy for the Devil tot Midnight Rambler. Jagger flirt en dreint en jut de zaak op, muzikale en seksuele opwinding hangen voelbaar in de overvolle zaal.

De band verplaatst zich naar de Muscle Shoals-studio, waar enkele klassiekers worden opgenomen die ruim een jaar later zullen verschijnen op Sticky Fingers. Keith ligt op de grond te luisteren naar de playback. Hij is het muzikale hart van de band geworden, heeft naar verluidt honderd nieuwe songs in zijn hoofd zitten en schrijft Wild Horses tussendoor op de wc.

Intussen wordt er druk getelefoneerd en onderhandeld over het gratis concert dat de Stones willen geven in San Francisco. Het is hun antwoord op Woodstock. In juli deden ze het al in Hyde Park: een free concert dat op het laatste moment veranderde in een herdenkingsbijeenkomst voor Brian Jones. Driehonderdduizend Engelse fans luisterden ademloos naar een rommelige band. Dus waarom nu niet hetzelfde in The States? Alleen de locatie levert problemen op en wordt tot tweemaal toe gewijzigd. De organisatie lijkt aan alle kanten te rammelen.

Genadeloos en ijselijk tonen de Maysles-brothers hoe een overmoedig plan uitloopt op een organisatorische ramp en een Hell’s Angels-feestje, waarbij een jongeman pal voor het podium met messteken om het leven wordt gebracht.

Met Altamont werd niet alleen de Amerikaanse tournee van de Rolling Stones afgesloten; volgens velen betekende dit concert meteen het definitieve einde van de hippiedroom, het einde van de jaren zestig en het einde van een sprookje.

Het sprookje was het Woodstock-festival: een vreedzaam samenzijn van een massa ter grootte van een flinke stad. Dat was óók een driedaags festival waar een flinke organisatie achter stond, die op haar beurt backing kreeg van Warner Brothers. Die hoopten hun investering terug te verdienen met de filmopbrengsten.

En Altamont? Een ééndaags festival op een speedwayterrein in een heuvelachtig nowhere, met nauwelijks voorzieningen, vrijwel geen water, geen wc’s, geen artsen of medische hulp. En als beveiliging voor de artiesten waren de leden van de motorclub Hell’s Angels uitgenodigd. Zij hadden dat klusje al eens eerder verricht voor de Stones, in Hyde Park. De Californische afdeling was hen aanbevolen door Jerry Garcia, voorman van de flower power-band Grateful Dead. In ruil voor een flink vat bier zouden ze de orde bewaren. Het was de goden verzoeken.

Een hele reeks schrijvers heeft zich sindsdien op het drama gestort en een beschuldigende vinger uitgestoken naar een der betrokken partijen, vaak de Stones zelf. De film beperkt zich tot veelzeggende stukjes werkelijkheid zonder enig commentaar of duiding. De lijn is glashelder: een feestje verandert in een nachtmerrie. De muzikale opwinding van het begin verandert voor je ogen in een ander soort, lijfelijke opwinding. We zien de onwaarschijnlijke ontmoeting tussen stonede langharige lieverds en stoere binken met losse handen. Hell’s Angels rijden op hun motoren dwars door de menigte tot vlak voor het podium en het was af te raden het ding even aan te raken. In deze gezellige sfeer wordt al wat popmuziek gespeeld door andere bands en her en der wat publiek gemolesteerd zonder enige reden. De Angels slaan met biljartkeus op de menigte in en de Jefferson Airplane-zanger die het waagt zich ermee te bemoeien gaat knock-out.

Dan wordt het nacht en koud en de hoofdact laat op zich wachten. Expres, volgens sommigen, of was het omdat Bill Wyman te laat arriveerde? Het maakt weinig meer uit. Eindelijk verschijnen de langverwachte Rolling Stones, omringd door hun zelfverkozen beveiligingsmensen. Ze proberen hun lied over sympathie voor de duivel te spelen, maar ze lijken koorknapen verdwaald in de hel.

Je voelde dat je in de volgende seconden of minuten dood zou kunnen zijn en dat je er niets aan kon doen, dat je je kansen om dit te overleven op geen enkele manier kon beïnvloeden. Aldus Stanley Booth in The True Adventures of the Rolling Stones. Booth klimt op hetzelfde busje waar de gebroeders Maysles zitten te filmen. Zij leggen de chaos en hulpeloosheid vast van een band omringd door trappende wildemannen, met als climax een moord die niet wordt gezien.

Vooraan in het publiek staat een jongen nee te schudden als Jagger een nieuw nummer wil inzetten. Weet hij wat er is gebeurd? Maar wat kan Jagger zien met de spotlights op zich gericht? Alleen door terugspoelen, stilzetten van het beeld en slowmotion wordt in de Maysles-film de moordpartij duidelijk. Alsof de beeldthriller uit Antonioni’s Blow Up werkelijkheid is geworden.

Maar de allerergste beelden van Gimme Shelter zijn niet deze, of die van een verbijsterde Jagger op het podium, of in de montagekamer. Het zijn de shots van een halfnaakte, later helemaal blote vrouw, die zichzelf telkens in de richting van het podium body-surft. Gevangen in een extreme drugsroes gaat ze recht af op de haag van Hell’s Angels die iedereen wegtrappen die ze voor de voeten komt.

«Hé jongens, één van jullie kan haar toch wel aan?» zegt Jagger hulpeloos.

«Ja, en dat gaan we ook doen ook», zegt een Angel. Ze bogen zich van het podium omlaag om haar tegen te houden, vast te grijpen, haar tanden uit haar mond te slaan en haar kaken te breken, haar idiote ogen uit te steken, haar trommelvliezen te laten knallen en haar te scalperen — nee, dit gebeurt niet echt. Het is Booth’ plastische impressie van de gemoedstoestand van de «beveiligingsmensen» in de oorlogssituatie van Altamont.

De eerste, en tot nu toe enige keer dat er in de bioscoop een mes in mijn zij werd geduwd, was bij Gimme Shelter. Begin jaren zeventig draaide de Stones-film in de nachtvoorstelling in het Leidsepleintheater. Rond de film én rond de Stones hing de geur van geweld. Het was helemaal niet zo raar dat tijdens die voorstelling opvallend veel figuren in leren jacks met opschrift binnenliepen. En misschien ook niet dat één ervan pal naast mij kwam zitten, met zijn meisje aan de andere kant. Ineens prikte er iets tegen mijn jas en moest ik dus wegwezen. Dat heb ik ook gedaan, om de film vanaf een andere rij rustig te kunnen bekijken. Ik was er niet verbaasd over óf ontdaan — het hoorde bij het opgeklopte sfeertje rond deze film.

Het ongelooflijke van Gimme Shelter, dertig jaar later, is de onwil om de werkelijkheid onder ogen te zien. Van de Stones zelf, die zich nauwelijks bekommeren om de organisatie van hun eigen gratis concert en ervan uitgaan dat alles vanzelf wel goed zal komen. En nog meer van de spaced out, drugs crazed hippies op de voorste rijen, die eenvoudig niet kunnen geloven dat de Hell’s Angels tegenover hen geen bloemenkinderen zijn. En niet wíllen zijn.

Of zagen ze het wel en deden ze het expres? Het leek of ze door een bovennatuurlijke kracht werden gedreven om zich als menselijke slachtoffers aan te bieden aan de meest diabolische dienaren van Satan, schrijft ooggetuige Tony Sanchez. Het was een soort primitief ritueel geworden van pijn en kwaad en bestiale wreedheid en de slachtoffers stonden het niet alleen toe, ze hielpen actief mee, offerden zich vrijwillig, alsof de hele gebeurtenis op een geheimzinnige manier een eredienst voor Lucifer was geworden. Een zoenoffer voor de Hell’s Angels? Hoe dan ook, het is niet om aan te zien. De beelden bevatten een waarschuwing die boven tijd en popmuziek uitstijgt. Wat kan geweldloosheid uitrichten tegen geweld? Niet veel, maar in elk geval wél de realiteit ervan erkennen.

Uit Booth’ boek blijkt dat de moord op Meredith Hunter nog veel ellendiger was dan in de film wordt getoond; een man wordt afgemaakt door een horde wilde beesten, minutenlang, zonder enige vorm van genade.

Wat de film ook niet vertelt, is dat de Stones wel degelijk een volledig concert speelden. Na alle twijfels, aarzelingen en volstrekte onduidelijkheid over wat er om hen heen aan de hand was. Het werd een van de beste concerten uit hun carrière, schrijft kenner Booth. Daarna vluchtten ze weg in een overvolle helikopter, als was het de evacuatie van Saigon.

Wat de film ook niet vertelt, is dat er in Altamont nog drie doden vielen. Twee toeschouwers werden in hun slaap overreden door een vertrekkende auto. Een jongeman verdronk in een irrigatiekanaal. Ook schijnen er vier baby’s ter wereld te zijn gekomen.

Het waarom van de slachtpartij werd de volgende ochtend op de radio verduidelijkt door Angels-leider Sonny Barger: «Omdat mijn motorfiets daar stond.» Waaraan hij fijntjes toevoegde: «The Rolling Stones got what they paid for. Let it bleed, man!» Barger zou later worden vervolgd.

De volgende dag waren de Stones vertrokken. Jagger vloog met het geld van de tournee naar Zwitserland. Richards ging terug naar Engeland waar zijn vriendin Anita Pallenberg met baby en al het land uitgezet dreigde te worden. Het schandaal van Altamont werd wereldwijd bekend, maar een week later stonden de Stones alweer voor Engelse tv-camera’s te spelen.

Het drama werd overigens wel degelijk serieus genomen door Jagger. Hij begon een grote schoonmaak in de organisatie: een breuk met manager Allen Klein, de oprichting van een eigen label en een jarenlang gevecht om van het Lucifer-image af te komen. Ook startte hij een rechtszaak om een paar miljoen dollar tegen de eigenaren van de geplande concertlocatie, wegens contractbreuk en oplichting. Jagger, voormalig economiestudent, deed het grotendeels alleen, terwijl zijn maatje Richards steeds verder wegzakte in heroïneverslaving.

Intussen maakten de Stones hun beste platen. Bij elk album werd een prominente kunstenaar uitgenodigd voor het ontwerpen van de cover. Andy Warhol begon, met de ritsgulp van Sticky Fingers. En de tournees werden vanaf nu steevast gefilmd.

Nog één keer probeerden de Stones een documentaireaanpak: het leidde tot Cocksucker Blues van de Amerikaanse filmer/fotograaf Robert Frank, die ook de hoes van Exile on Main Street verzorgde. Zijn film bood een eerlijk en onthullend kijkje achter de schermen — zo eerlijk dat de Stones de film verboden. Het verbod geldt tot op de dag van vandaag, uitgezonderd één vertoning per jaar in aanwezigheid van de maker. (Via het internet zijn zeer slechte illegale VHS-kopieën te bemachtigen. Veel bloot, veel cinema verité.)

Daarna hadden de Glimmer Twins hun buik vol van documentaires. De volgende Stones-tournees werden vastgelegd als bioscoopfilm (Time Is On My Side), 3D Imax, tv-specials en cd-rom. Alles, behalve de naakte waarheid van Gimme Shelter.

De relatie met de Hell’s Angels bleef nog lang bestaan. Gewild of ongewild, de Angels bleven komen. Toen de Stones in 1976 hun eerste stadionconcert in Nederland gaven, spleet tijdens het voorprogramma het publiek op het veld uiteen. Een lange rij Hell’s Angels op motoren reed zichzelf naar de ereplaatsen. Wie niet snel genoeg opzij ging, kreeg klappen of werd bepist. Niemand zei iets, je keek wel beter uit. De schrik van Altamont zat er nog goed in, bij publiek én stadionbeveiliging.

Ergens in de jaren tachtig moet de liefde toch zijn bekoeld; bij de concerten van Voodoo Lounge (1995) vielen in het voorste vak de Angels-zonder-motoren niet meer op tussen de vips en bekende Nederlanders. De band was entertainment voor de hele familie geworden. De opwinding was er niet minder om. Die reist met de Stones mee tot aan hun dood.

Stanley Booth, The True Adventures of the Rolling Stones (1985)

Stanley Booth, Keith, Standing in the Shadows (1995)

Tony Sanchez, The Rolling Stones (1978)

Rawlings & Badman & Neill, Good Times Bad Times: Diary of the RS

Victor Bockris, Keith Richards, the Autobiography (1992)