Roger Corman, Stephen King en Edgar Allan Poe

Duivelse drie-eenheid

Cineast Roger Corman en auteur Stephen King, twee meesters van het horrorgenre, zijn verschillende grootheden. Maar één ding hebben ze gemeen: de invloed van dé grote schrijver van horror, thrillers, detectives, fantasy- en avonturenverhalen en romantische gedichten: Edgar Allan Poe.

Na pornografie roept horror misschien wel het meeste verzet op in kringen van de hoge cultuur. Die afkeuring komt voort uit een ouderwets kwaliteitsoordeel – «horror» als synoniem voor «pulp» en dus kunstzinnig minderwaardig – en uit moralisme: horrorfilms zouden een slechte invloed hebben op jonge kijkers. Dit soort kritiek gaat voorbij aan dat wat wél goed is in het genre, dat artistiek een steeds hoger niveau bereikt en als reflectie van de werkelijkheid kijker en lezer tot waardevolle inzichten kan brengen. Neem de «drie-eenheid» Corman, King en Poe. Bij Stephen King is er een nieuwe ondertoon te bespeuren. Na de grote horrorromans uit de jaren zeventig en tachtig, bijvoorbeeld The Stand (1978), en het meer introspectieve, literaire Bag of Bones (1998), toont hij met zijn nieuwste roman Cell, een apocalyptisch horrorverhaal, een zelfbewustheid die voorheen sporadisch in zijn werk aanwezig was. De beschrijvingen in het eerste deel, wanneer de zombies te voorschijn komen, zijn hilarisch, maar echt briljant is de manier waarop King humor vervolgens combineert met momenten van pure horror, beschreven vanuit het perspectief van de hoofdpersoon, een comics-kunstenaar die Clay heet. Terwijl de zombies aan het moorden zijn, kan Clay slechts toekijken, alsof hij versteend is en het tafereel dat zich voor zijn ogen afspeelt in slowmotion is gedraaid, als in een droom. King durft deze mix van humor en horror aan, nu hij miljoenen lezers heeft én critici hem eindelijk serieus nemen.

Iets soortgelijks is er bij Roger Corman aan de hand. De combinatie van intelligentie en showmanship maakt Corman tot een fenomeen: hij was in de jaren zestig en zeventig bijna een studio en een filmacademie op zich. Beroemde acteurs en regisseurs begonnen bij Corman hun carrière: Francis Ford Coppola, Martin Scorsese, Ron Howard, Peter Bogdanovich, Jonathan Demme, James Cameron en John Sayles. Voor deze cineasten was Corman inspirerend. Hij werkte altijd met zichtbaar plezier en, belangrijker, hij werkte altijd. Zijn visie op film blijkt wel uit de titel van zijn autobiografie: How I Made a Hundred Movies in Hollywood and Never Lost a Dime.

Het meesterschap van films als The Masque of the Red Death (1964) valt niet langer te ontkennen. Corman werd beïnvloed door de psychologische morbiditeit van Ingmar Bergman, de visuele kracht van het Duitse expressionisme en de benadering van Alfred Hitchcock in het langzaam opbouwen van spanning in de vertelling. Wat betreft cameravoering, montage en vooral het gebruik van kleur is het werk een cinematografisch juweel. Nicholas Roeg, later regisseur van films als Don’t Look Now (1973), combineerde als cameraman in Masque heldere beelden met chiaroscuro schakeringen, zodat er een fel contrast ontstaat tussen de boze buitenwereld, waar de dood wacht, en de ogenschijnlijk levendige wereld binnen Prospero’s kasteel. Masque is literair, niet alleen vanwege die filmische kunstzinnigheid, maar vooral ook omdat Corman de essentie van het verhaal van Edgar Allan Poe naar het witte doek vertaalt. Alle visuele stijlelementen die Corman in deze film gebruikt, zijn terug te vinden in de Poe-tekst, van de contrasten tussen kleur en bijna zwart-witbeelden tot de karaktertekening van Prospero, de diabolische prins.

Roger Corman ként Poe. Toch zijn zijn Poe-films nooit letterlijke versies van diens werk. Cormans kracht is juist dat hij zijn publiek nooit uit het oog verliest, zodat een Corman-film altijd vermakelijk, toegankelijk én intelligent is. In de jaren zestig produceerde en regisseerde hij een serie lowbudgetfilms, gebaseerd op Poe’s beroemde verhalen: The Fall of the House of Usher (1960), The Pit and the Pendulum (1961), Premature Burial (1962), Tales of Terror (1962), The Raven (1963), The Masque of the Red Death en The Tomb of Ligeia (1964). Behalve Premature Burial, waarin Ray Milland de hoofdrol speelt, was de onovertroffen Vincent Price doorgaans Cormans leading man.

Als prins Prospero in The Masque of the Red Death belichaamt Price de decadentie van Poe’s hoofdpersoon, de heerser die denkt met kunst de dood buiten de deur te kunnen houden. Poe: «His plans were bold and fiery, and his conceptions glowed with barbaric lustre.» Het is niet moeilijk te zien wat Corman in Poe aantrekkelijk vond. Het schitterende, flamboyante proza keert terug in Cormans cinematografische taal: de kleurrijke, operateske sets, het bewuste overacting van Price, de beeldschone actrices en de overdonderende momenten van angst en weerzin. Verder staat het hoofdthema van Poe – obsessie met en angst voor de dood – ook centraal in Cormans films, bijvoorbeeld in Tales of Terror, een drieluik met onder meer The Facts in the Case of M. Valdemar (1845). Poe’s afschuw van ziekte en dood blijkt uit de slotzin van het werk, wanneer Valdemar eindelijk «vergaat»: «Upon the bed… there lay a nearly liquid mass of loathsome – of detestable putridity.»

Dit is cruciaal voor Poe. Op jonge leeftijd zat hij aan het sterfbed van zijn moeder, Eliza, en hij zag hoe zij voor zijn ogen wegkwijnde. Min of meer hetzelfde gebeurde met zijn vrouw, Virginia, die aan tuberculose leed, een ziekte waaraan men in die tijd refereerde met «dood-tijdens-het-leven». Poe schreef met een mix van angst en fascinatie over de eerste tekenen van de ziekte, toen Virginia ging bloeden tijdens een hoestbui en het leek alsof een «ader was gesprongen». Het verbaast niet dat Poe de rest van zijn leven alcoholist was.

Nog iemand die kampte met alcoholisme en de nachtmerrie van het ziekbed van een moeder, was Stephen King. In zijn boek On Writing (2000) schrijft hij: «Je kunt beter niet heel erg een kater hebben bij het sterfbed van je eigen moeder.» Zijn moeder stierf in 1974, in een tijd dat King zo verslaafd en dronken was dat hij zich achteraf nauwelijks kon herinneren dat hij hele romans had geschreven. Zijn beschrijving van zijn moeders lichaam toont de grote invloed van Poe, maar dan met een vleugje typische King-humor: «Her skin was yellow and so tightly stretched that she looked like one of those mummies they parade through the streets of Mexico on the Day of the Dead.» Dit King-beeld en de bloed spugende vrouw van Edgar Allan Poe verklaren de talloze vrouwelijke monsters in het werk van beiden, bijvoorbeeld in Ligeia en Morella van Poe en Carrie, It en Misery van King. Vooral Morella is een adembenemend verhaal over vrouwelijke monstruositeit, waarin de hoofdpersoon tijdens de geboorte van haar dochter sterft en tegelijkertijd wordt herboren in het lichaam van het kind.

De dood is zelden het einde bij King, Poe en Corman. De dood is bij hen slechts het begin van de angst. De grote les van Poe is dat de ware angst in horror gelegen is in het moment: de eerste verschijning van het monster, de finale openbaring van de diabolische plot of het ultieme stervensmoment; het gaat om wat de kijker of lezer op dat ogenblik voelt. King doet dat vaak heel goed door te spelen met de opmaak van een boek, bijvoorbeeld door de gedachten van een personage alinea’s lang in cursief te schrijven. Dat is, toegegeven, een wat bombastische techniek, maar één die ook in Poe aanwezig is. Met dit verschil: Poe gebruikt cursief veel effectiever, door in korte verhalen de verteller precies te laten beschrijven wat hij voelt en denkt. In Ligeia is de verteller buiten zinnen van angst als het vrouwelijke wezen verschijnt met het haar in dikke, donkere slierten over het gezicht. Poe, cursief: «It was blacker than the raven wings of the midnight!»

Het plezier van horror – en ook de artistieke waarde ervan – ligt hierin: het is afschuwelijk om te «zien», zowel literair als visueel, maar op een perverse manier is het onmogelijk er niet naar te «kijken». In horror zijn er bovennatuurlijke wezens en fantastische werelden en toch zijn deze een reflectie van de mens en zijn echte wereld. Daarom heeft horror zulke trouwe fans. Door het overdonderende moment van angst is de afstand tussen lezer en tekst, en tussen toeschouwer en beeld, zo kort, dat de lezer/kijker zich op extreme wijze inleeft in het verhaal. De kaders van de werkelijkheid verdwijnen in de horror, maar ergens blijft er een verband met de werkelijkheid, en dat is ook de kunst van Poe, King en Corman: een King lees je in een nacht uit, zo economisch en spannend kan hij schrijven; een Poe kun je evenmin wegleggen, maar in zijn geval betovert het poëtische taalgebruik in combinatie met de compacte structuur; en een Corman verleidt je met filmische bravoure. Alledrie zijn zij zonderlinge figuren die veel weg hebben van Poe’s prins Prospero, die volgelingen betovert met de belofte van spanning: «There are some who would have thought him mad. His followers felt that he was not.»

Op 20 april geeft Roger Corman een masterclass in de Melkweg Cinema tijdens het Amsterdam Fantastic Film Festival, dat tot en met 26 april in Amsterdam plaatsvindt. The Masque of the Red Death is op 22 en 26 april te zien