The Two Faces of January

Duivelse genialiteit

Een Patricia Highsmith-verfilming heeft bij voorbaat iets aantrekkelijks: mooie mensen op vakantie of op reis raken in een exotisch land bij gevaarlijke zaken betrokken, met een clash tussen schoonheid en existentialisme als gevolg.

Medium film

Dat blijkt vooral in Plein soleil (1960) van René Clément, de beste filmversie van Highsmiths eerste Ripley-roman The Talented Mr. Ripley. In de film verafgoodt Cléments camera de jonge Alain Delon, in de rol van Ripley, waar hij op een markt in Rome drentelt. Met verhaal heeft de scène niets te maken. Het absurdisme viert hoogtij: het gaat om uiterlijk, om Delon als beautiful boy zonder een ziel, zonder heden of verleden. De implicaties hiervan zijn dodelijk. Want als identiteit zo vloeibaar is, slechts een lege huls die naar willekeur kan worden ingevuld, dan vervliegt alle hoop op iets substantieels wat betreft karakter of een zinvol leven.

De tweede verfilming van de roman, uit 1999 door Anthony Minghella met Matt Damon in de hoofdrol, mist deze subtiliteit. Minghella, die zes jaar geleden overleed, had kennelijk meer plannen met Highsmiths werk. Het productiebedrijf dat hij had opgericht is verantwoordelijk voor de nieuwste Highsmith-film, The Two Faces of January, gebaseerd op de gelijknamige, non-Ripley-roman uit 1964, geregisseerd door Hossein Amini, vooral bekend als scenarioschrijver.

Zowel de setting als de personages zijn opnieuw verraderlijk mooi. In de Akropolis van Athene ontmoeten Chester MacFarland (Viggo Mortensen) en zijn vrouw Colette (Kirsten Dunst) de tourgids Rydell (Oscar Isaac) – een begin dat zoals de verwijzing naar de Romeinse god in de titel aanduidt, onvermijdelijk ook een blik op de achterliggende tijd impliceert. De Janus-beeldspraak verwijst ook naar twee gezichten of dubbele identiteiten, wat in het verhaal wordt uitgewerkt in de relatie tussen Chester en Rydell. Beide zijn oplichters, maar anders dan in het geval van Highsmiths charismatische psychopaat Ripley hebben ze een geweten. Bij Rydell gaat het om schuldgevoelens over de problematische relatie met zijn vader wiens begrafenis hij niet eens heeft bijgewoond. Chester is een zwendelaar die zijn immorele gedrag niet langer kan verhullen wanneer hij in een Grieks hotel bezoek krijgt van een privé-detective die in opdracht van gedupeerde klanten verhaal komt halen. Min of meer per ongeluk vermoordt Chester de detective. Hij verwijdert het lichaam uit de hotelkamer, maar wel met Rydells hulp. Vanaf dat moment zijn de twee personages aan elkaar uitgeleverd.

De moord is de ultieme absurde daad. In de badkamer haalt de detective een pistool te voorschijn, maar het is duidelijk dat hij er niet toe bereid is dat te gebruiken. Chester handelt uit wanhoop. Door de aanwezigheid van de man dreigt hij te worden ontmaskerd. Dat zou betekenen dat hij alles kwijtraakt: het luxe leven van doelloos rondzwerven op zonnige locaties, maar vooral ook Colette op wie hij werkelijk verliefd is en die op het moment van de confrontatie ligt te slapen in de kamer ernaast. Chester wil de man niet doden. En toch gebeurt het. Anders dan bij Ripley wordt hij verteerd door schuld. Dit gegeven schetst Highsmiths duivelse genialiteit: het hebben van een geweten heeft geen invloed op de aanwezigheid van het kwaad in de mens.

Tragiek is het enige wat overblijft. Rydell schiet Chester te hulp, misschien omdat hij in Chester een vader ziet. Maar beiden zijn personages zonder inhoud, zonder een karakter. Chester wil een echtgenoot zijn, Rydell wil een zoon zijn. De één kijkt vooruit, de ander tuurt het verleden in. Ze bestaan, niets meer.


Te zien vanaf 26 juni

Beeld: Viggo Mortensen, Kirsten Dunst en Oscar Isaac in The Two Faces of January (A-film).