Arnon Grunberg, De joodse messias

Duivelsverzen

Arnon Grunberg is bezig met een soort literaire rondedans. De lezer zal het verder een worst wezen – wat maakt het uit wie zijn uitgever is, wie gééft hem eigenlijk uit? – maar het zegt wel iets over zijn toenemende ongrijpbaarheid.

Dat begon een paar jaar geleden toen hij als Marek van der Jagt bij uitgeverij De Geus debuteerde met De geschiedenis van mijn kaalheid. Inmiddels heeft hij ook in die hoedanigheid zijn reputatie gevestigd. Nu verschijnt, onder zijn eigen naam, een kloeke roman bij uitgeverij Vassallucci in plaats van bij zijn thuisbasis Nijgh & Van Ditmar. Een gelegenheidsproject, ter opluistering van Vassallucci’s Jiddische reeks. Nijgh & Van Ditmar hoeft dus nog niet in paniek te raken, en heeft sowieso verder weinig reden tot klagen: De asielzoeker ligt nog vers in het geheugen, werd onlangs bekroond met de Bordewijkprijs en staat op de shortlist van de Ako-prijs. In de media toont Grunberg zich niet minder beweeglijk: wekelijkse columns voor Het Parool, Humo en de VPRO-gids wisselt hij af met eveneens wekelijkse verhalen voor NRC Handelsblad en de VPRO-radio. Komend najaar gaat hij een kunstprogramma op televisie presenteren en diepte-interviews maken voor een nieuwe glossy voor meisjes van veertig.

Om een bij voorbaat onvolledige opsomming (weten wij veel of Grunberg niet eigenlijk ook de speeches van Balkenende schrijft, evenals de romans van Jessica Durlacher?) meteen maar weer de kop in te drukken: er is niemand die zo veel en met zo veel brille schrijft als Grunberg. Soms is ootmoedig het hoofd buigen gewoon op zijn plaats. Ondertussen zwelt het gemor natuurlijk ook aan. Literaire jury’s worden moe, recensenten chagrijnig, collega’s jaloers. Zo’n jongen met gouden vingers, die in zijn ogenschijnlijke onooglijkheid zelfs aan het uitgroeien is tot een sekssymbool, die moet een keer vallen. Grunberg zou tappen uit immer hetzelfde vaatje. Hij heeft geen stijl, maar een toontje, geen techniek, maar een trukendoos. Het blijkt even moeilijk om precies de vinger te leggen op deze kwesties, als om een ontvankelijke leeshouding te bewaren ten aanzien van het werk van een succesvol en productief schrijver.

Met zijn nieuwste product, De joodse messias, komt Grunberg fans en sceptici meer dan tegemoet. Is het een grap, of is het menens, that’s the question. «Omdat zijn grootvader met oprecht enthousiasme en veel vertrouwen in de vooruitgang de SS had gediend, wilde de kleinzoon ook een beweging met enthousiasme en vertrouwen in de vooruitgang dienen.» Aldus wordt het startschot afgevuurd voor een slapstickverhaal met een navrant kantje. De beweging die de zestienjarige Xavier Radek, geïnspireerd door het daadkrachtig idealisme van zijn grootvader, gaat dienen is namelijk het zionisme. Liever gezegd: hij stelt zich ten doel de joden te gaan troosten. Aanvankelijk denkt hij dat te moeten doen door de Grote Jiddische Roman te gaan schrijven, later verschuift zijn ideaal richting de politiek. Eerste praktische stap richting jodendom is in ieder geval jood met de joden te worden. Hij sluit zich aan bij de joodse jeugdvereniging in zijn woonplaats Basel, bezoekt de synagoge, wordt kind aan huis in het grote gezin van de rabbijn, en sluit een bijzondere vriendschap met diens oudste zoon, Awromele. Het grote troosten is begonnen, én het lijden. Xavier verliest een teelbal als hij wordt besneden door een zo goed als blinde besnijder. De bal belandt in een potje op sterk water en wordt Koning David gedoopt. Vanaf dat moment is het hek definitief van de dam, zowel wat de tumul tueuze ontwikkeling van Xavier Radek tot trooster van het joodse volk betreft, met Koning David aan zijn zijde als de reïncarnatie van de messias, als de absurditeiten die de schrijver nog in petto heeft. Radek ontpopt zich in Israël tot een politiek leider van het formaat gelijk Hij-wiens-naam-niet-genoemd-mag-worden. Teruggetrokken in zijn bunker, nadat de kernwapens op scherp zijn gesteld, komt hij tot de slotconclusie dat de enige troost de vernietiging is.

Grunberg schrijft over een hopeloze oorlog op de enige zinnige manier, namelijk door de onzinnigheid te laten zegevieren. Verteltempo en intrige grijpen terug naar de meer kluchtige romans uit het begin van zijn schrijvers carrière, Blauwe maandagen en Figuranten. Qua thematiek en strekking is deze roman echter duidelijk een vervolg op de novelle die hij het afgelopen voorjaar schreef op verzoek van De Bijenkorf, Het aapje dat geluk pakt. Een prachtig en griezelig verhaal over wat er gebeurt met iemand die op een dag besluit dat zijn leven «een kwestie van poëzie» is geworden. Ook De joodse messias is de geschiedenis van een man met een opdracht, gedreven door liefde op weg naar destructie. Gezien het niemand ontziende en iedereen beledigende wereldbeeld dat Grunberg met deze roman tentoonspreidt (hoeren en hoerenlopers zijn het, allemaal), is het de vraag of hij met deze Grote Jiddische Roman niet zijn eigen Duivelsverzen heeft geschreven. «Je moet niet willen concurreren met de middelmaat», houdt Xavier zijn beminde Awromele voor. «Ik wil de mensen versteld doen staan.» Het is zijn geestelijk vader in ieder geval wederom gelukt.