Perquin

Duiven

Het duurde even, maar nu is het dan zo ver. De ramen kunnen open. Het eerste groen steekt de kop op. Ik krijg steeds vroeger zin in een glaasje wijn. Dat is onhandig. Er liggen bergen aantekeningen op mijn bureau, er moet een tekst af. Vanuit mijn werkkamer heb ik uitzicht op een nog kale zilverberk. Daar is het een komen en gaan van stadsduiven. Het biedt een gezellig soort afleiding, al dat koeren en flirten tussen de takken. Soms zie ik de ene duif zo vreselijk zijn best doen om bij de andere duif in de smaak te vallen dat ik zijn tekst uit zou kunnen schrijven. Ondertiteling. ‘Ach schatje, alle vogels hebben nesten gebouwd, behalve jij en ik - wat beginnen we nu?’ Maar duiven dralen nooit te lang. Zijn ze het eenmaal met elkaar eens, dan vliegen ze elkaar ferm in de veren. Gewoon open en bloot, hatsikidee. 'Vogels zijn duidelijke dieren’, schreef Guus Kuijer al. En dat is waar.
Dieren zien er parend sowieso natuurlijker uit dan mensen. Dat komt ongetwijfeld doordat ze hun kleren aanhouden tijdens de daad. Dan hoef je niet eerst heel erg te wennen. Bij mensen kan het uitkleden an sich al remmend werken - niet alleen omdat je nooit weet of er uit een knap pak misschien een eng-wit bierbuikje zal puilen (want ook een eng-wit bierbuikje kan hartverwarmend zijn) maar omdat iemand met kleren zo sterk verschilt van iemand zonder. Soms schrik je je rot. Je wilde naar bed met de één, maar als broek en trui uit zijn sta je plotseling tegenover de ander. Wie is dát nu toch? Je moet maar zien hoe zoiets afloopt. Dieren zijn in dat opzicht wel handiger. Die snuffelen wat aan elkaar, zingen een lied of poetsen hun veren. Ze krijgen wat ze zien. En de duiven in mijn zilverberk krijgen een heleboel, dat is helder. Ik zit erbij en kijk ernaar. Een beweeglijk gezicht, de lente. Vol vrolijke ornithologenporno. En takken die schudden van voortplantingsdrift. Bij zoveel voorjaar is ondertiteling niet nodig. Hooguit een glaasje wijn.