Op de drempel staan en nog heel even treuzelen. Zo voelt het. Die eerste stap is geen grote, maar het is het soort stap waarmee je jezelf in gang trekt. Niet eens echt een stap, eerder iets als de val die de eerste aanzet is van een sprint. Een sprint die weer veel langer zal duren dan je eigenlijk zou willen. Een heel jaar, waarschijnlijk.

De laatste week van het ene jaar en de eerste van het nieuwe zijn de enige waarin je even tot stilstand lijkt te komen. (Niet eens echt, natuurlijk, er is altijd van alles te doen, maar toch…) Heel even lijkt de kalender in je voordeel te werken. Heel even zijn al die anderen ook bezig met het afronden van allerlei dingen. Met de scherven van het ene jaar bijeenvegen om opgeruimd te kunnen beginnen aan het volgende. Met uitpuffen en intussen toch ook alweer wat moed verzamelen.

Nu, een paar dagen later, zijn de anderen al naar binnen gestapt. Je voelt het aan alles. Aan hoe ze ‘gelukkig nieuwjaar’ zeiden – de wens klonk als de naam van een gepasseerd station. Ze zijn vast, denk je, met hun hoofd bij de plannen die een week of twee eerder nog een beetje vrijblijvend werden gemaakt voor het volgende jaar.

Je staat op de drempel en je hebt last van duizelingen. Vertigo. Je weet niet zo goed wat je moet doen. Dat gevoel van desoriëntatie de baas proberen te worden? Het proberen te negeren totdat het wegebt? Of je er juist aan overgeven – er is tenslotte altijd de mogelijkheid dat het je iets zal vertellen wat je nog niet wist?

Net als altijd in die eerste weken voel je hoe je hoofd wild om zich heen begint te grijpen. Op zoek naar dingen om zich aan vast te houden, dingen die het niet-precies-weten-wat-dan op afstand kunnen houden. Alles wat wordt vastgegrepen, wordt gewogen. Wat blijkt zwaarder dan je bij de eerste aanblik vermoedde? Deze film? Dat woord? Dit gedicht? Dat gezicht? Waar zit iets in wat er nog uitgetrokken moet worden?

Wat blijkt zwaarder dan je vermoedde? Dat woord? Dat gezicht?

Je leest een miljoen dingen tegelijk, maar dat is niet erg. Virginia Woolf schreef ergens dat ze zes boeken tegelijk las en dat dat de enige manier was om te lezen: ‘One book is only a single unaccompanied note, and to get the full sound, one needs ten others at the same time.’ En dus lees je over de psoriasis van John Updike (‘In my dying I will become hideous, I will become what I am.’), over hoe moeilijk en belangrijk het volgens Emerson is om op je eigen oordeel te durven vertrouwen (‘Nothing is at last sacred but the integrity of your own mind’) en over hoe weinig tijd ons is gegund volgens Emily Dickinson (‘In this short Life that only lasts an hour/ How much – how little – is within our power’). Je leest ook een overbekend gedicht van Rilke over Apollo’s hoofdloze torso, het gedicht dat eindigt met de plotselinge aansporing het eigen leven te veranderen, en daarna een veel minder bekend gedicht van Wisława Szymborska over een ander Grieks beeld dat lijdt aan dezelfde kwaal: ‘With the help of people and other disasters,/ time has worked pretty hard on it.’

Daar zit iets in, je voelt het meteen. Je herinnert je een foto van een standbeeld dat overdreven ontspannen op een voetstuk zat, in het midden van een kleine fontein ergens in een stille uithoek van de botanische tuin in Palermo. Een standbeeld dat het aan niets in het leven leek te ontbreken, behalve een hoofd. Een verhaal dat erop wacht te worden geschreven. On Losing One’s Head zou het heten. Iets over de momenten van onoplettendheid die je leven op z’n kop kunnen zetten, misschien? In het Nederlands gaat de dubbelzinnigheid een beetje verloren, daar moet je tegen die tijd maar iets op verzinnen.

‘En, heb je nog goede voornemens?’ In de vraag klonk op hetzelfde moment milde spot en oprechte interesse door. Je dacht aan hoe nog niet zo heel lang geleden iedereen om je heen rond deze tijd van het jaar met niets anders bezig was geweest dan niet roken. En dat al die mensen nu geobsedeerd waren door de vraag hoe ze hun schermtijd konden verminderen.

‘Iets minder bezig zijn met oordelen’, zei je, enigszins huiverig omdat het echt waar was en het nooit prettig voelde om dingen te zeggen die echt waar waren. Maar het viel niet langer te ontkennen: er moest een dam worden opgeworpen tegen de hoeveelheid woestmakende stompzinnigheid die je iedere dag je leven in liet stromen en die niets meer van je vroeg dan een voortdurende bereidheid het allemaal ondubbelzinnig te veroordelen. ‘A ja, dat was vroeger ook vaak een van mijn goede voornemens’, zei ze. ‘Maar daar ben ik op een gegeven moment mee opgehouden.’

Soms is het goed te erkennen dat wie je bent sterker is dan wie je wil zijn. Zou je werkelijk liever iemand zijn die zichzelf volledig opnieuw kon uitvinden? Die zich zonder veel moeite kon herscheppen naar een ergens onderweg opgepikt ideaal?

‘Er zijn van die mensen die bedrevener zijn in leven./ In en om hen heen heerst orde./ Voor alles hebben zij een manier en het juiste antwoord’, schreef Szymborska in een van haar laatste gedichten. ‘Soms benijd ik hen/ – gelukkig gaat dat ook weer over.’