Duizend keer per dag aan zwart denken

In zijn essay ‘Het zwarte lichaam’ uit de bundel Vertrouwde en vreemde dingen (2016) herleest en herneemt Teju Cole James Baldwins beschouwing Stranger in the Village uit 1953. Cole reist Baldwin zoveel jaar na dato achterna; ook hij verblijft kort in het Zwitserse dorpje Leukerbad, waar Baldwin begin jaren vijftig vermoedt dat hij waarschijnlijk de eerste zwarte man is die er vertoeft. Cole noteert: ‘Er wordt gegluurd in Zürich, waar ik de zomer doorbreng, en er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika. (…) Als je een vreemdeling bent wordt er naar je gekeken, maar als je zwart bent wordt er in het bijzonder naar je gekeken.’

Het lichaam als eerste horde. Claudia Rankine stelt in Citizen: An American Lyric (2014): ‘Yes, and the body has memory. The physical carriage hauls more than its weight’. Rapper en dichter Camae Ayewa alias Moor Mother ziet dat gewicht als dodelijk, het zwarte lichaam als verwoest en inwisselbaar, zoals in Deadbeat Protest: ‘Trying to save my black life/ by fetishizing my dead life/ Fuck, get away from me/ You can see my dead body at the protest’.

Zo uitgesproken woedend als Moor Mother is Simone Atangana Bekono (1991) niet in haar debuut hoe de eerste vonken zichtbaar waren, maar ook Bekono probeert haar lichaam te onttrekken aan fetisjisme, taxatie en classificatie:

ik wilde opgenomen worden in een systeem van vinkjes en kruisjes
ik wilde virtueel, seksueel en van politiek ontdaan genot, ingesloten worden
met mijn kin op de rand van het bureau, op de achterbank van een Tesla
uit het keuzemenu verwijderd worden, ja
ingesloten worden

De bundel opent raadselachtig: ‘Ik ben in een bos geboren’. In negen lange, genummerde gedichten – onderbroken door twee brieven – die onderling een nauwe samenhang vertonen, verbindt de dichteres soms redenerend, dan weer associërend, haar persoonlijke geschiedenis met politieke vragen over identiteit.

Geboren worden in een stad of in een dorp, dat is iets anders dan het levenslicht zien in een bos, dat bij de gemiddelde stedeling waarschijnlijk associaties oproept met geheimzinnige, overwoekerde, gevaarlijke binnenlanden. Of die associatie nu klopt of niet, direct staat de spreker in een ander licht. Letterlijk: ‘Ik ben geboren en er werd een lamp op mij gericht/ op het geboortedoek achter mij verscheen mijn silhouet’. Wat we vervolgens op dat projectiescherm zien, is angstaanjagend: ‘Mijn silhouet deed haar mond open’. Het piepjonge onderbewuste weet blijkbaar méér, en alleen via een omweg is er taal, van iedere persoonlijkheid ontdaan en dus abstract.

VI.

Je mag niets zwarts denken, die afslag niet nemen met je brein
ik denk duizend keer per dag aan zwart en probeer het woord
uit mij te trekken

Mijn geweten zegt dat ik niet na mag denken
negeer alles wat je doet twijfelen
ik denk duizend keer per dag aan zwart
de voetballer uit Guadeloupe houdt van Nederlands eten
hij zegt: ‘Nasi goreng, roti, erwtensoep’

Ik ben een land en een land dat ertoe doet, en, nee, ik ben niet op vakantie
dat vliegtuig komt niet van de grond
er is geen stewardess aan wie ik kan vragen hoe lang dit nog moet duren
hoe lang ik nog moet luisteren naar de Lotto-reclames
ik zit vast tussen ruimte en grond
een dode ruimte, een onbevattelijke situatie
een deur die nergens toe leidt maar wel, werkelijk, constant, opengaat

De dissociatie is een belangrijk kenmerk van Bekono’s poëzie. In de zes gedichten van de eerste afdeling ‘wrijving’ wordt gerefereerd aan geweld, afkomst, dominantie en een samenleving waarin je eerder uitzondering bent dan regel. Het is poëzie die conventies en clichés ironiseert, zoals in het vierde gedicht:

Alle zwarte mensen identificeren zich met gebroken mensen
alle zwarte mensen identificeren zich met verlaten mensen
alle zwarte mensen zijn crimineel

Schijnbaar plompverloren staat die strofe er opeens, en Bekono blijft op dit thema variëren: ‘alle zwarte mensen identificeren zich met verlaten mensen/ en alle zwarte mensen bestaan niet’.

In die indrukwekkende eerste afdeling worden opinie, politiek en particuliere beelden op één hoop gegooid en omgevormd tot venijnige, kwetsbare poëzie. De twee brieven van ‘Siem’ aan ‘Kipje’ die de tweede afdeling ‘ontsteking’ vormen, stellen belangrijke vragen – wanneer voelen we mee met het leed van anderen, hebben we het recht wel om medelijden te tonen met leed dat we niet kennen –, maar de teksten zijn tamelijk plechtstatig en uitleggerig, waardoor de spanning soms uit de taal verdwijnt. Ook de drie gedichten in de derde en laatste afdeling ‘vonken’ zijn hier en daar wat prozaïsch en omslachtig geformuleerd (‘ik zag de keuzes en de gevolgen, de enormiteit van het punt waarop/ de opsplitsing begon’), al zijn hier genoeg regels te vinden die meteen fascineren:

ik zag mijn vader op zijn slippers, rennend naar school
kilometers over zandwegen en gras, rennend naar school
ik zag mijn moeder die haar vlechten afknipte in haar slaapkamer
kilometers rennend naar school
ik zag de blaren op de handen van mijn zusje
de strepen op de rug van mijn zus

Bekono’s gedichten zijn het sterkst als het urgente verhaal wordt verteld middels associatieve hinkstapsprongen, als de taal herhaalt, herneemt, suggereert, verhult. Achter op de bundel wordt vermeld dat ze aan haar debuutroman werkt. Ik hoop maar dat het niet bij deze ene dichtbundel blijft.