Lichaamswerk

Duizend kilo staal

Rob Hamers (44), timmerman

Medium lichaamswerkhamer

‘Het echte timmerwerk, dat is het mooiste. Ik ben allround timmerman in de bouw. Ik zet houten kozijnen, maak de wanden voor nieuwe woningen. Vaak maak ik bekisting waar beton in wordt gestort. Een tijd geleden werkten we bij een waterzuiveringsbedrijf. Grote ronde bakken maken van vijf meter hoog die ­perfect rond moeten zijn zodat er geen vuil in de ­hoekjes blijft hangen. Dat is vakwerk. Soms is het saaier. Zeventig appartementen die stuk voor stuk van plinten moeten worden voorzien.

Je moet fit zijn op de bouwplaats. Je kunt niet met een duffe kop rondlopen, dan wordt het gevaarlijk. Ik heb een strak ritme. Ik sta om kwart over vijf op. Om zeven uur begint het werk. Negen uur is schafttijd, elf uur komt de koffie en om half een eten we. Tegen kwart voor vier gaat iedereen naar huis. Door de week lig ik voor elven in bed. Weinig slapen kost me geen moeite, ik doe dit sinds mijn negentiende. Je went er gauw genoeg aan. Sporten is niet nodig, het werk zelf is al beweging genoeg. Ik heb een tijd getennist, maar kreeg last van mijn knie.

Jarenlang heb ik met mijn broer en vader samen in een bedrijf gewerkt. We stonden dagelijks met z’n drieën op de bouwplaats. Aan mijn vader zie ik wat er is veranderd. Hij ging met bakfiets vol materiaal naar het werk. Nu wordt alles kant en klaar aangeleverd. Mannen van zijn generatie zijn vaak op hun veertiende of vijftiende begonnen en de arbeid was veel meer belastend. Hun lichaam is een stuk eerder op. Schroeven draaiden ze er met de hand in. Tegenwoordig heeft iedereen een schroef­machine. De cultuur is ook anders. De jongere generatie is niet zo fanatiek meer, ze vinden het werk snel te zwaar.

Ik hou ervan een project vanaf de grond af op te bouwen, zoals laatst toen we een woon-zorgcomplex bouwden. Van een gat in de grond tot een plek waar mensen kunnen wonen. Daarna moet je nog wel eens bij de mensen aanbellen om een klein klusje je te doen. Dan voel ik dat ik echt iets heb gemaakt.

Vorig jaar ging het bijna mis. Ik stond naast een hoog stalen frame dat net was neergezet door een kraan. Bij het omhooghalen tikte de kraanhaak het frame omver. Ik zag zeker duizend kilo staal op me afkomen. Ik dook weg. De scherpe rand ging dwars door mijn helm en scheurde mijn oor in. Het eerste wat ik me afvroeg was of mijn oor er nog aanzat. Tegen de ambulance broeder zei ik: “Ik schei ermee uit, met het timmerwerk.” Maar ja, een tijdje verder en je gaat toch weer. Het was de tweede keer. In 1990 viel ik zes meter naar beneden van een steiger, gelukkig in het zand. Het zijn ongelukken, niemand kan er iets aan doen. Een paar weken terug nog, een man van eind vijftig op de bouwplaats. Drie vingers raakten beklemd. “Daar gaat er weer eentje”, zeggen we dan tegen elkaar. Ik denk dan: die man kan misschien nooit meer werken.

Ik ben voorzichtiger geworden. Tot voor kort liep ik gewoon over smalle randjes en tilde ik alles op. Nu roep ik er een extra handje bij. Ik ben sinds elf jaar zelfstandige. Dan kijk je nog meer uit. Ik moet zuinig zijn op mijn lichaam. Als ik niet timmer, verdien ik niets. Ik ben 44 en doe dit werk dus nog minstens twintig jaar.

Het werk stopt nooit. Vroeger gingen we in de keet zitten wanneer het regende. Nu gaan we door, tenzij het echt met bakken naar beneden komt. Het project mag geen vertraging oplopen. De winter is fijner dan de zomer. Pal in de zon werken, dan ben je aan het eind van de dag kapot. Voor mij geldt: liever timmeren in de kou dan in de hitte.’